Vleselijkheid, aardsheid en onstuimigheid bij Piet Gerbrandy

Poëzie is een beschaafde zaak, want een product van beschaafde taal die de beschaafde geest streelt. Soms is er een ontregeling, de taal is ongeschaafd, onbeschaamd aards, niet de verfijnde stembanden maar de strot is de maker....

De rust van de beschaving word je je pas bewust bij verstoring ervan. Van alle huidige poëzie is die van Piet Gerbrandy de onbeschaafdste, het effect van lezing ervan is dat veel poëzie eromheen heel keurig wordt. We ontdekken opnieuw dat de poëzie een achterkant heeft, waar de taal nog niet gepolijst is, de geest zijn fijne vingers thuishoudt, niet alle losse draden zijn afgeknipt. De grammatica wil niet uniform zijn, er zijn veel neologismen, woorden die net uit het ei zijn gekropen, lijkt het. De poëzie zelf is bezig te ontstaan in het gedicht.

Het komt mij voor dat Gerbrandy in zijn jongste bundel, Drievuldig feilloos vals, het verst naar achteren is geweken. In de eerste strofe van het allereerste gedicht wordt de traditionele lezer, die krijger van lopende woorden, al meteen toegesproken en aangespoord:

Kom

krijger van lopende woorden verdovende

oren in listlaag op ruiswind gespitst wacht

af tot ze zijgen openend liggen in adem

'op ruiswind gespitst', dat moet de ruis van de andere, betekenisloos geworden poëzie zijn. Die ruiswind staat tegenover de adem, en dat is, denk ik, de oerstem van de dichter.

De lezer wordt gewekt, met manende woorden. Ik heb zelden een bundel gelezen waarin zoveel wordt aangespoord, vermaand: de dichter tot zichzelf, de dichter tot de lezer. Soms is de aanmaning een gebiedende wijs. De opwekkingen wijzen het uit: er moet iets gebeuren, veel gebeuren; achter de opjuttende taal ligt de status quo en dat is ook de status quo waar de geest heerst. Weg ermee. Dit moet gebeuren:

Schud uw vlezen engelenscharen

te voorschijn hengel naar schuinse blikken

werp welpen heelallen van welpen ontaard

Vervlees dus, geesten. Poëticaal - een wel erg dichterlijk woord tussen de woorden van Gerbrandy - zijn deze regels, die in veel opzichten - het woordgebruik, de vleselijkheid, de aardsheid, de onstuimigheid van taal - typerend zijn voor de gedichten uit de bundel:

Memmen verleer me de taal van uw hui

die niet botert met wrongel verhaal

me hoe onder uw romig lommer

vandaan ik op jacht moest naar spraak

om het zijnde te schiften.

('Hui' is het waterachtig vocht dat bij het kaasmaken overblijft). Het 'zijnde schiften' is mooi; misschien spreekt de betekenis 'scheiden' mee, maar de hoofdzaak is toch het dooreenlopen wat melk doet. De agressiviteit tegenover de bestaande orde, de brave melk, zal duidelijk zijn. De poëzie is het middel tot schifting.

De regels kunnen het uitwijzen: de lezer moet voortdurend - per woord haast - op zijn tellen passen; de gewenning aan de grammatica wordt afgestraft; hij moet opnieuw leren combineren. De lezer krijgt weinig rust, te weinig misschien, ook al door de omvang van de bundel. De onrust verhevigt waar de taal het doorzien van betekenis onmogelijk maakt. Soms wordt het allemaal, vind ik, te dol. Onbegrijpelijkheid of op zijn best een vermoeden van een gezochte betekenis is het resultaat. Neem deze regels:

Zuur is slikpijp kwak in zwellende

stengels jou op troebelend kijkvlies jou

zien we horen je stem van glimpelijk glas.

'Slikpijp' zal wel 'slokdarm' zijn (het woord is, als meer neologismen, bijna Zuid-Afrikaans), maar de rest van de woorden lijken mij alleen heerlijk ter declamatie bij enige lichte beschonkenheid (van bier, natuurlijk, bij deze dichter, niet van wijn, die geestelijke drank).

Bij zoveel afkeer van de geest moet het vlees wel triomferen. Dat doet het ook. Er zit in de warme seksualiteit merkwaardigerwijs iets knussigs, iets humoristisch ook: 'U en ik deinen verzaligd in stoofpot/ in demper van koortsige lenden. Geluid?/ Geluid is echo van plons.'

Het gedicht eindigt heel opwekkend, de vijf regels zijn misschien wel de leukste uit de bundel:

Wees zo lang nog put waarin ik kalf.

Wees wit waarop mijn zwart vergrijst.

Wees tong die aan mijn hemel kleeft.

Wees het slot voor de baard van mijn loper.

Laat mij verdrinking zoeken in uw nap.

De gedichten hebben geen titel, maar een bodemregel, zoals de dichter die noemt. Die regels zijn uit heel vele bronnen geput, tot uit de klassieke oudheid. De bedoeling ervan is mij onduidelijk door argwaan: de bekoring tot kunstmatige verklaring van de bodemwoorden (en dat zou ineens veel aan het gedicht oplichten) is te groot.

Het geestigste gedicht staat op pagina 28; de achterkant van de taal blijkt ineens ook uiterst volks. Het begint op een wat Cruyff-achtige wijze zo:

Hun boren valse bellen in hun oren.

Hun likken met nikkelen tong.

Hun verlakken hun brauwen en lokken.

Hun lijmen glanzende klauwtjes.

Hun lijven wie verstijven in tot zog.

Hun kregen een bodem mee van de Griek Quintus van Smyrna. 'Mikkend op een hert' is de vertaling van de drie Griekse woorden.

Lees en zie wat er allemaal achter de keurige taal ligt. De literaire beschaving valt van je ('kleed je uit', roept de dichter).

Vrij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden