Vlaams veelvoud

Geen Babel van Brueghel helaas, maar torens te over op deze grootse Franse tentoonstelling van Vlaamse en Nederlandse kunst. Hemelbestormend en diepgravend. Veel van wat in Lille te zien is, ziet zelden het daglicht.

Of er een schilderij is dat hij mist op deze expositie? Alain Tapié, directeur van het Palais des Beaux-Arts van Lille, hoeft geen seconde na te denken. Hij vertelt van zijn bezoek aan museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam, waar hij zijn collega Sjarel Ex kwam vragen om de Toren van Babel van Pieter Brueghel de Oude.


'Sjarel, je gaat nu zeggen dat dit doek de ziel is van je collectie', had Tapié tegen hem gezegd. 'Dat je het niet kunt afstaan omdat het voor veel mensen de voornaamste reden is om naar je museum te komen.' 'Inderdaad', had Ex beaamd. 'Dat is precies wat ik zou antwoorden.' 'Jammer', verzucht Tapié. 'Brueghel was hier een scharnier geweest. We maken deze expositie om een aantal vragen op kunsthistorisch gebied aan de orde te stellen.'


Geen Babel van Brueghel dus op deze Fabels van het Vlaamse landschap. Toch zijn er torens te over. Hendrick van Cleve III schilderde een toren van Babel die als een cruiseschip de omgeving doorklieft. Het stedelijk landschap oogt zo modern dat er elk moment een trein aan de horizon kan verschijnen. De toren van Joost de Momper lijkt eerder uit de rotsen gehouwen en staat met zijn top in de wolken. Tobias Verhaecht plaatste de toren in een enorme bouwput: je kunt de mortel en het bouwzand haast ruiken: terwijl je kijkt, worden noodbruggen aangelegd. De duistere toren van Hans Bol lijkt door bliksem en zware windstoten aan stukken te worden getrokken.


Ook Brueghels zijn er in overvloed. Van Jan Breughel de Oude zijn er de kwispelstaartige vier elementen en een fascinerend trio van op koper geschilderde Griekse mythen en Bijbelse taferelen waarop het wemelt van de doorkijkjes, de coulissen en de lichamen. Ook Pieter Brueghel de Oude en de Jonge zijn beiden vertegenwoordigd.


Het is adembenemend wat in Lille bijeen is gebracht - hemelbestormend en diepgravend tegelijk. Geen enkel schilderij houdt zich bij de dingen van elke dag. Huishoudelijke beslommeringen, liefdesverklaringen, een goede maaltijd, een rit te paard over de velden - dergelijke banaliteiten zijn hier niet te vinden. Alles reikt naar het hogere om verlossing te vinden of buigt zich krom en vlucht voor het geweld van de goden en hun helpers.


Een enorm gekrioel en tumult is het resultaat. Van alle wanden kijken de gedrochten je na. Ze steken hun langnagelige klauwen naar je uit, verspreiden kwalijke dampen en ziektes. Steden veranderen in vuurzeeën, demonen fluisteren hun slechte raad, een rat snuffelt aan holle oogkassen, een nar maakt zich uit de voeten op een gestroomlijnd varken en naakte dwazen zoeken vergeefs beschutting in een reusachtige eierschaal. Een arme drommel zit op een dobbelsteen, in de hoop met het toeval aan het noodlot te ontsnappen. Zelfs de rotsen zijn niet te vertrouwen. Wie langer kijkt, ziet dat het eigenlijk de grimmige hoofden van reuzen zijn, die alles om zich heen kunnen verslinden.


Dat is ongeveer de situatie in de hal van dat grote Palais des Beaux-Arts. Om de verwarring te vergroten, zijn de schilderijen, zo'n honderd in getal, opgehangen in een doolhof. Dat geeft de bezoeker de vrijheid om zijn eigen parcours te kiezen uit de vier hoofdthema's: de weg des levens, de verzonnen wereld, Bijbelse en andere fabels, de wondere wereld.


Een expositie krijgt betekenis als de werken bij elkaar meer te vertellen hebben dan elk voor zich. Dat is wat hier in Lille is nagestreefd. Er is een haast symbiotische relatie tussen de schilderijen, alsof ze lang op dit moment hebben gewacht. Veel van wat hier wordt getoond, ziet zelden het daglicht en zeker niet in deze samenhang. Ze komen vaak uit kleinere musea of uit privécollecties die nauwelijks toegankelijk zijn. Tot de bruikleengevers behoren instellingen in Ajaccio en Koblenz, Douai en Kortrijk, La Rochelle en Kreuslingen. Ook 's Hertogenbosch, Leiden, Rotterdam en Haarlem stonden werk af.


De aan het einde van de middeleeuwen hoog oplaaiende verbeeldingskracht, met nagloeiers tot diep in de 16de eeuw - dat is wat hier wordt getoond. Dat vuur wordt aangestoken door Jeroen Bosch, die de creaturen die al opdoken in middeleeuwse miniaturen een enorme gebiedsuitbreiding bezorgt. Lille toont van hem de Verzoeking van de Heilige Antonius en Johannes de Doper, maar ook een aantal schilderijen die worden toegeschreven aan zijn atelier, zijn school, zijn omgeving, volgelingen of nabootsers.


'In sommige gevallen weten we zeker dat een werk door Bosch zelf is gemaakt', zegt Paul Vandenbroeck van het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, Boschkenner en mede-inrichter van de tentoonstelling. 'Maar men is vaak te voorzichtig en wil een eenmaal gegeven omschrijving liever niet veranderen.'


Natuurlijk, met Bosch en de Brueghels, en in mindere mate Bouts en Memling, worden bezoekers getrokken. Toch draait het eigenlijk niet om hen, hier in Lille. De kracht van de expositie is dat, naast die in hun tijd ook al veelgevraagde vedetten, een grote groep schilders stond die dezelfde thematiek te lijf ging, maar die zelden hoog op het affiche komt. 'We staan er te weinig bij stil dat er misschien een dozijn mensen voor en na Bosch komen die in zijn geest werken', zegt Tapié. 'Veel van wat ze maakten, is groepswerk, dat werd gesigneerd als de meester zich voldoende in een schilderij herkende.'


Het zijn juist die kunstenaars die hier de vrije teugel krijgen. Ze heten Jan Mandyn, Kerstiaen de Keuninck, Herri Met de Bles, Joachim Patinir, Jan Wellensz de Cock, Jan Nagel, Jacob Grimmer of Lucas Gassel. Soms ook zijn hun namen verloren gegaan en worden ze aangeduid als 'Vlaamse onbekende', 'Vlaanderen' of de meester van de aanbidding van Lille'. Ze zijn, anders dan de titel van de tentoonstelling doet vermoeden, niet zelden geboren in de Noordelijke Nederlanden - Leiden of Breda, Haarlem of Helmond.


Het tijdvak dat hier wordt bestreken, loopt van het eind van de 15de tot het begin van de 17de eeuw. In die anderhalve eeuw verandert het geschilderde Vlaamse landschap van een wildernis in een doorgaans keurig geordend vergezicht. Op de vroegste werken bekommert de schilder zich vaak amper om perspectief of compositie. Neem de volger van Jeroen Bosch die in 1539 een angstaanjagend Paradijs schilderde. Een macht aan symbolen en metaforen wilde hij kwijt: fonteinen, een bronstig hert, vruchten, vogels, Adam en Eva in een eierschaal. Die overdaad wordt bijeengehouden door een rotspartij die voor wie snel kijkt op een hoofd met kroeshaar lijkt. Of neem de Vision de Tondal (eind 15de, begin 16de eeuw), toegeschreven aan een volgeling van Bosch. Een hologig hoofd hangt met de neus boven een schaal met troebele vloeistof waarin mensen baden. Daar omheen gedrapeerd de vaak gruwelijke taferelen die we van Bosch kennen. Juist de onhandige compositie geeft het schilderij zijn kracht.


Die werveling van beelden wordt later getemd. De naakten krijgen meer vlees op de botten, in het landschap ontstaat een ordening waaraan de reizen naar Italië van de noordelijke schilders niet vreemd zijn. Ook de ergste demonen zijn verjaagd. Als de duivel of zijn helpers al opduiken, dan is dat subtiel. Op Een pelgrim door de duivel op een dwaalspoor gebracht, toegeschreven aan een anonieme schilder uit Antwerpen of Leiden, vraagt een man nietsvermoedend de weg, niet ziend dat de ander geen voeten heeft maar poten met lange klauwen.


In De duivel zaait het raaigras schilderde Jacob Grimmer een pastoraal landschap met trapgevelhuizen, een stadje in de verte en landvolk dat in beslag wordt genomen door dagelijkse beslommeringen. Pas na lang turen zie je de gevleugelde duivel als zaaier door de velden trekken.


Zo is er veel te beleven in Lille. En veel te vergelijken ook. Niet alleen de toren van Babel is er in veelvoud. Overal hangen heilige Christoffels die, gehuld in een rode mantel, het kindeke Jezus overzetten, terwijl om hen heen de schepen vergaan. Ook Job met zijn dochters duikt vaak op, tegen het decor van een brandend Sodom en Gomorra, waarop de schilders hun apocalyptische driften konden botvieren.


Als er iets is dat dit Vlaamse landschap overbrengt, dan is dat het grote genoegen dat de kunstenaars beleefden aan het vormgeven van alle angsten en perversiteiten van hun tijdgenoten. Een genoegen dat bijna duivels is.


Fables du paysage flamand. Palais des Beaux-Arts, Lille. Tot 14 januari 2013. pba-lille.fr


Toren van Babel inspireert nog steeds

Wie in de hal van het Palais des Beaux-Arts even verder kijkt dan de Vlaamse landschappen, stuit op het immense Fertile Crescent van de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer, een wand van 3,5 bij 7,5 meter, bedoeld als blikvanger voor Babel, een zusterexpositie in het souterrain van het museum, die Bosch en Brueghel een vervolg geeft in het heden. Mooie gedachte: de toren van Babel die in de 16de eeuw schilders inspireerde, houdt ook nu nog de kunstenaars bezig.


De toren zou gebouwd zijn door koning Nebukadnezar en staat symbool voor al het goede en kwade van de mens: dadendrang, scheppingskracht, maar ook spraakverwarring en grootheidswaan. Aan de Griekse geschiedschrijver Herodotus (vijfde eeuw voor Christus) danken we de beschrijving, waardoor de Vlaamse schilders zich twee millennia later lieten leiden.


Al die aspecten komen terug in de expositie. De gothische bouwwerken van de Belg Wim Delvoye roepen de kathedralen in herinnering, middeleeuwse echo van de bouwdrift van Mesopotamië. Er is een Babel van honingraten en een Babel als een termietenheuvel. Foto's van de flatgebouwen van Abu Dhabi suggereren dat de toren bijna bij zijn vertrekpunt terug is.


De grote fotocollages van de Chinezen Zhenjun Du en Yang Yongliang zijn te beschouwen als varianten op de oude meesters: imponerende fantasiegebouwen, opgetrokken uit vertrouwde elementen. Het kolkende massagraf van de broers Jake en Dinos Chapman (No woman, no cry) is bijna letterlijk terug te vinden op Christus in het voorgeborchte van Jan Brueghel de Oude.


Het hart van de tentoonstelling wordt gevormd door een immense toren van de Duitser Jakob Gautel (foto), trapsgewijs opgebouwd uit 15 duizend boeken. Hier gaat Babel terug naar de bron, die dubbelzinnig is: een universele bibliotheek die een spraakverwarring veroorzaakt waarmee de ondergang wordt ingeluid.


Babel. Palais des Beaux-Arts Lille. Tot 14 januari 2013


Ook in Lille: Fantastic 2012

In Lille woedt tot 13 januari Fantastic, een festival met door de hele stad circus, straatparades, modedefilés, theater, concerten, film en exposities. Overal zijn onvermoede gedaanteveranderingen aangebracht. In de grote hal van station Lille Flandres wordt de reiziger opgewacht door een zacht loeiende UFO van Ross Lovegrove. François Schuiten ontwierp een hedendaagse variant van het kantklossen die de rue Faidherbe 's nachts in een zachte gloed zet. Hoogtepunt is de expositie Phantasia in de Tripostal, met een fluisterkamer van Marnie Weber, een politiek griezelkabinet van Folkert de Jong en de dansende droomwezens van Nick Cave.


fantastic2012.com


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden