Viva Verdi!

Het zat er van meet af aan al in: Verdi's vroegste kerkmuziek - nu voor het eerst op cd - was ook al theatraal en 'onfatsoenlijk'....

Voor het Verdi-jaar heeft Verdi zelf niet meer hoeven doen dan zijn laatste adem uit te blazen. Dat is op 27 januari precies honderd jaar geleden en omdat we nu eenmaal van ronde jaartallen houden, is het dan feest. Het toeval - als dat zo mag heten - wil dan ook dat voor zo'n viering allerlei zaken worden teruggevonden die al jaren- of eeuwenlang verloren waren gewaand.

Zo presenteert Decca vol trots een Verdi-cd met maar liefst vijf wereldpremières, waaronder zes delen uit een Missa solenne die een piepjonge Verdi in 1833 componeerde. Ze zijn, samen met andere religieuze werken uit Verdi's jonge jaren (Qui tollis, Tantum ergo in F-groot en G-groot, Laudate pueri), opgediept in de bibliotheek van de Philharmonie van Busseto. Daar bekwaamde Verdi zich tussen 1825 en 1829 bij Ferdinando Provesi in het soort kerkmuziek waar de kerkvaders niet erg gecharmeerd van waren: te theatraal, te vechtlustig, onfatsoenlijk, het gezonde contrapunt ontbrak en vooral de goede filosofische smaak. Kortom, alles wat ook tegen het Requiem uit 1874 als kerkmuziek gold, is al in deze jeugdwerken aanwezig.

De helletocht in het 'Dies irae' uit dat Requiem is al te horen in het 'Libera me' dat Verdi enkele jaren daarvoor voor de Messa per Rossini componeerde. Het is welbeschouwd de enige passage waarin het koor, dat bij het Orchestra Sinfonica di Milano Giuseppe Verdi hoort en onder leiding staat van niemand minder dan Riccardo Chailly, werkelijk vlamt.

Omschreef criticus Hans von Bülow nog voor de première het Requiem als 'Verdi's nieuwste opera in misgewaad', ook de 'complete liederen' die op het label Stradivarius zijn verschenen, worden zeer terecht onder de noemer 'kameraria's' gebracht. Zelfs waar Verdi zich op Goethe baseert in Perduto ho la pace (Meine Ruh' ist hin) en Chi i bei dì m'adduce ancora (Erster Verlust) blijft het Duitse lied op veilige afstand.

Dat zal voor een deel te maken hebben met de stijl en de interpretatie van sopraan Mariella Devia, tenor Sergej Larin en bas Michele Pertusi, die gedrieën garant staan voor een acceptabele uitvoering. Maar ook is in elke melodische lijn het operabeest in Verdi onmiskenbaar aanwezig. In totaal zijn er 28 liederen op twee cd's verzameld. Zes daarvan maken deel uit van de cyclus Sei romanze (gepubliceerd in 1838) en zes andere vormen het Album di sei romanze (1845). Waarom deze twee cycli niet als zodanig zijn gepresenteerd, maar door elkaar zijn geplaatst, wordt nergens toegelicht. Maar wie deze kameraria's vergelijkt met de canzona's, caballetta's en 'grote' aria's uit Verdi's opera's zal over en weer een ruime mate aan verwijzingen vinden.

Zoals te verwachten, bestaat het overgrote deel van de bijdragen die de platenmaatschappijen aan het Verdi-jaar leveren uit heruitgaven van zijn opera's. Vanzelfsprekend, want waarom zoveel geïnvesteerd in een nieuwe 'complete' Verdi, als de archieven nog volliggen met legendarisch historisch materiaal?

Decca heeft voor de gelegenheid een boxje samengesteld met de titel Viva Verdi! dat zowel in formaat als indeling zeer handzaam is. In The best of Verdi zijn 'Famous aria's', 'Famous Choruses', 'Famous Overtures & Ballet Music' en hoogtepunten uit La Traviata systematisch over vier cd's verdeeld. De opnames zijn gemaakt tussen 1955 en 1991. Samen met een rood boekje waarin alle verkrijgbare Verdi-titels uit de Universal catalogus worden beschreven (die ook in het kort op de bijbehorende sampler-cd's zijn te horen) en een Engelstalige biografie is opgenomen, is deze uitgave een perfecte bluff-your-way-into-Verdi. Uiteraard ontbreken 'La donna è mobile' (Pavarotti) en het Wilgenlied (Kiri Te Kenawa) niet. Handig voor het hele Verdi-jaar.

Onder het motto 'veel voor weinig geld' is ook het Kruidvat van de partij. De handelaar in haarlak en aanverwante artikelen verkoopt een doos met twaalf opera's (van de 28) voor 90 gulden en heeft daarvoor de archieven van BMG doorgespit. De tijdsspanne van geselecteerde opnamen loopt van 1960 (Otello, met Leonard Warren, Carlo Bergonzi en Metropolitan Opera Orchestra onder leiding van Erich Leinsdorf) tot en met 1986 (Simon Boccanegra, met Cappuccilli, Domingo en Ricciarelli, het RCA Opera Orchestra en dirigent Gianandrea Gavazinni).

Met sterren als Leontyne Price, Montserrat Caballé, Tito Gobbi, Placido Domingo en Carlo Bergonzi, en dirigenten als Zubin Mehta, Sir Colin Davis en Tullio Serafin is deze doos bepaald geen miskoop. Al is de tekstbegeleiding ronduit miserabel. Op een dubbelgevouwen inlegvelletje wordt de synopsis verteld en staan de titels van de nummers, maar zonder rolvermelding. Eigenlijk dus alleen een doos voor gevorderden, die al hun basis-Verdi in huis hebben en hun collectie per se willen uitbreiden met deze uitvoerenden. Het is de vraag of het Kruidvat deze doelgroep voor ogen heeft.

'Instappers' (maar ook liefhebbers van historische opnamen) zijn beter af met de heruitgaven van EMI. Al eind vorig jaar verscheen een box met elf opera's plus het Requiem en de Quattro pezzi sacri die in de jaren zeventig zijn opgenomen onder leiding van Riccardo Muti (dertig cd's voor 675 gulden, ook los te koop in midprice-klasse). Interessant zijn de vier historische opnamen (Aida, Un Ballo in Maschera, Don Carlo en Simon Boccanegra), die nu in EMI's Références-serie verkrijgbaar zijn. Netjes gedigitaliseerd en met keurig verzorgde boekjes, leveren deze uitvoeringen uit de jaren veertig en vijftig een aardige bijdrage aan het beeld van de Verdi-interpretaties door de jaren heen. Te horen zijn onder meer Tito Gobbi, Beniamino Gigli, Maria Caniglia en Boris Christoff.

Maar het echte pronkjuweel van de uitvoeringspraktijk is de doos Les Introuvables du Chant Verdien, een verzameling aria-opnamen tussen 1902 (Caruso) en 1952, in 1986 op lp uitgebracht en nu op acht cd's. Als je eenmaal genoeg Traviata's hebt gehoord, is niets heerlijker dan drie keer achter elkaar 'Ah, fors'è lui' van Violetta te horen: eerst in het Russisch door Antonina Neshdanova met pianobegeleiding (1906), dan door Maria Kousnezoff met orkest (1920) en vervolgens door Luisa Terazzini (1911). Stijf van de kraak, hier en daar licht zwevend rond de oorspronkelijke 78 toeren. De verschillende dames en heren hebben elkaar zéker wat uit te leggen over tempo-opvattingen, trillers, vibrato en de aanzet van de hoge noot en daarmee is deze box een document waar je het hele Verdi-jaar niet op uitgeluisterd raakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden