Vissen in de schone stroom

Waterkrachtcentrales leveren groene energie, maar hakken wel de passerende vissen aan mootjes. Stroombedrijven werken aan de redding van paling, zalm en zeeforel....

Zoals een vogel nauwelijks door een draaiende windmolen kan vliegen, kan een vis moeilijk de turbine passeren van een waterkrachtcentrale. Hoe groter de vis, hoe dodelijker de schoepen van de krachtcentrale. Om vissen levend voorbij de turbines te loodsen zijn kostbare roosters, schermen of andere omleidingsystemen nodig.

Maar in een rivier vol dode bomen en ander grof afval zijn die systemen kwetsbaar. Ze maken de stroom extra duur en zijn in Nederlandse rivieren nog nooit getest. Ziedaar het dilemma van milieubeweging, overheid en energieproducenten bij de productie van groene stroom uit rivierwater.

Hoewel waterkracht een van de meest efficiënte opwekkingsmethode is voor duurzame energie, en in Nederland plaats is voor nog drie nieuwe installaties, zijn hier de afgelopen dertien jaar geen nieuwe centrales meer gebouwd.

Het enige concrete nieuwbouwplan bij de stuw in de Maas bij Borgharen ligt al twee jaar op de plank. Centrales bij Grave en Sambeek zijn de tekentafel nog niet voorbij. Ondertussen stijgt de behoefte aan groene energie: in 2020 moet volgens de overheid 10 procent van de hier gebruikte stroom op duurzame wijze worden opgewekt. In 2000 was daarvan nog maar 1,6 procent bereikt.

Van de vijf huidige centrales in de Lek, Maas en Nederrijn voldoet er op dit moment niet één aan de ecologische eisen van de overheid. Ze zijn ontworpen in de jaren vijftig en tachtig van de vorige eeuw, toen vissterfte door krachtturbines beschouwd werd als een ondergeschikt probleem.

Vissen die de stuwen en centrales stroomopwaarts willen passeren, kunnen gebruik maken van vistrappen. Stroomafwaarts echter komen ze onvermijdelijk in de turbines van de krachtcentrale terecht en lopen daarbij aanzienlijke kans gewond of gedood te worden.

Al in 1990 bleek uit een studie van onderzoeksinstituut Kema dat bij lage waterstanden 19,5 procent van de brasem en 22,8 procent van de paling bij de krachtcentrale bij Linne aan de Maas om het leven kwam. Pas toen serieus werd overwogen nieuwe centrales te bouwen, werd de ernst van dat probleem erkend. Eind 2002 nam de Tweede Kamer een motie aan waarin de bouw van visgeleidingsystemen bij bestaande en nieuwe krachtcentrales verplicht werd gesteld.

Vraag is nu welk systeem dat moet worden. Ook dáárover lijken milieubeschermers en overheid het namelijk oneens. Want hoeveel soorten vis moeten er nu eigenlijk gered worden? Zoveel mogelijk, stelt onder meer de stichting Reinwater. Om die opvatting te onderbouwen gaf de milieuclub vorig jaar de Wetenschapswinkel Biologie Utrecht opdracht de effectiviteit van bestaande afleidingssystemen te vergelijken.

Volgens het rapport, dat volgende week wordt gepubliceerd, zijn de overheidsplannen om vissen te redden te eenzijdig. Het huidige beleid is gericht op een handvol 'doelsoorten', met name zeeforel, zalm en paling. Om alleen deze soorten bescherming te geven kan met relatief goedkope oplossingen worden volstaan.

Zo ontwierp Kema voor de nieuwe centrale bij Borgharen een systeem met geluid, luchtbellen en felle lampen dat de vissen moet afschrikken en de andere kant op wijzen. De methode maakt gebruik van specifiek soortgedrag. Paling bijvoorbeeld is een nachtdier met een hekel aan licht.

Ook met dit systeem zou overigens nog 3 tot 6 procent sterven van de te beschermen doelsoorten, terwijl andere vissen er nog minder aan hebben. Dat percentage geldt voor één centrale. Met in totaal acht waterkrachtcentrales in de Nederlandse en Belgische Maas kan de totale sterfte voor de doelsoorten daarmee oplopen tot bijna de helft.

Als eerste moet daarom voor elke vissoort een 'cumulatieve visschadenorm' worden ontworpen, adviseert onderzoekster Kim Beijer voor wie het rapport haar afstudeerproject is. Bovendien komen volgens haar studie niet slechts drie of vier doelsoorten, maar in totaal 26 vissoorten in aanmerking voor beschermende maatregelen.

Die 26 soorten worden genoemd in verschillende beschermingsregimes, uiteenlopend van de Rode Lijst van beschermde dieren, de Europese Habitatrichtlijn tot de doelsoortenlijst van de Internationale Maascommissie. Op individueel niveau zijn die vissen weliswaar niet onaantastbaar, maar als soort worden ze door overheidsbeleid beschermd.

Specifieke gedragssystemen zoals met felle lampen zijn onbruikbaar om een grote variëteit aan vissoorten te beschermen. Daarom moeten volgens de de studie veel robuustere, mechanische systemen worden geïnstalleerd met roosters en spijlen. In relatief schone rivieren in de Verenigde Staten zijn die met enig succes uitgeprobeerd. De kans dat ze in de sterk vervuilde Maas verstopt raken is weliswaar groot, maar dat probleem moet verder worden onderzocht.

Op dit moment zouden de beheerders Essent en NUON de vissterfte trouwens al fors kunnen beperken door een aangepast beheer van hun waterkrachtturbines, stelt de studie. De grootste visschade ontstaat bij een lage waterafvoer. Door de centrale alleen bij hogere rivierstanden te gebruiken, wordt direct ecologische winst geboekt hoewel de stroomopbrengst dan uiteraard lager is.

Volgens woordvoerder Irwin Broen van Essent, beheerder van de twee waterkrachtcentrales, laat men dat aangepast turbinebeheer nu bewust achterwege. De beheerders hebben twee jaar gewacht op alweer een nieuwe Kemastudie, dit keer naar het migratiegedrag van paling. In dat onderzoek is met zenders en gemerkte paling vastgesteld wanneer zij massaal de Maas afzwemmen.

Dat gebeurt, weet men inmiddels, in specifieke perioden tussen oktober en december tijdens hoge waterafvoeren. Samen met Rijkswaterstaat bezien Essent en NUON nu of de turbines komende herfst al op verwachte piekdagen van palingtrek worden stilgelegd. Maar daarbij wordt dus opnieuw uitsluitend gekeken naar paling, de belangrijkste doelsoort van de visbescherming bij waterkracht.

Volgens onderzoeker drs. Maarten Bruijs van Kema is het verdedigbaar om die bescherming op enkele soorten te concentreren. Tien jaar geleden is daarvoor een eerste selectie gemaakt, waarbij gekeken werd naar de vissen die het meest te lijden hebben onder waterkrachtcentrales.

Dat waren vissen met een sterk migratiepatroon, zoals zalm, zeeforel, beekforel, winde, blankvoorn, kopvoorn, barbeel, elft, fint en paling. Later is dit lijstje verfijnd tot paling, zeeforel en zalm. Bij hen is het 'ecologische rendement' van een visgeleidingsysteem het hoogst. Of omgekeerd: onbeschermde waterkrachtcentrales zijn bij deze vissen een direct gevaar voor de ontwikkeling van de populatie. Bij andere valt dat wel mee.

In roosters en spijlen om véél vissoorten te beschermen heeft Bruijs weinig vertrouwen. De Maas is er simpelweg te vies voor, denkt hij. 'In het najaar, wanneer de paling stroomafwaarts trekt, wordt ook zeer veel bladafval afgevoerd. Het lukt gewoon niet om de hoeveelheid vuil die in korte tijd op zo'n rooster terecht komt te verwijderen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden