Viroloog Ab Osterhaus

Een paniekzaaier werd hij genoemd, maar nu de Mexicaanse griep tot pandemie is verklaard, weten de media hem dagelijks te vinden....

Salamanders vangen bij Sloterdijk, hagedissen zoeken in de duinen, hazelwormen kweken, konijnen fokken in de kleine Amsterdamse achtertuin. Altijd was de jonge Ab Osterhaus aan het sjouwen met dieren. Zijn ouders gingen een weekend naar Parijs. Op zaterdag sloopte hij de deur uit zijn klerenkast, zette er gaas in en maakte er zo een volière van. Kleurkanaries stopte hij erin, ‘van die oranje dingen’. De kleine Ab verkocht ze op de Noordermarkt.

Uw ouders vonden het allemaal prima? ‘Ik vroeg nooit toestemming. Ik deed het gewoon. Kippen, eenden, ik bracht altijd van alles mee naar huis.’

Al jong vrij eigengereid. ‘Mmm. Ik dacht er nooit over na. Soms waren mijn eenden wel ineens verdwenen. Beweerde mijn vader: ‘Ze zijn weggelopen.’ Ik weet nog wel dat ik uit een put een rat had getrokken, een zieke rat. Die had ik mee naar huis genomen. Mijn moeder zei altijd: ‘Je moet goed voor dieren zorgen.’ Ik had ’m in het kolenhok op de veranda gezet. De volgende dag was-ie dood. Daarmee had mijn vader toch korte metten gemaakt. ‘Ik was een beetje zo’n ADHD-kind. Dat kenden ze vroeger niet; nu worden die onder de medicijnen gestopt.’ In één adem door, zo praat hij, heel snel: ‘Niet helemaal ADHD. Die kinderen kunnen zich niet concentreren. Dat kan ik wel.’

In zijn rommelige en overvolle boekenkast staan een ingelijste vleermuis, een potje met een pluizig beest op sterk water, en, intrigerend, een rij doosjes met het griepmedicijn Tamiflu. ‘Die worden straks goud waard’, lacht de hoogleraar virologie, een van de succesvolste virologen ter wereld. Dit is zijn werkkamer, die bij uitbraken van duistere infectieziekten verandert in een war room. Zoals bij SARS, toen Osterhaus en zijn selecte club dag en nacht doorgingen om te bewijzen welk virus de oorzaak was. Het lukte ze, als eerste wetenschappers in de wereld. Van hieruit, op de 17de verdieping van de medische faculteit van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, leidt hij het ‘lab van Ab’. Een groep van 120 man, onder wie zes hoogleraren, toegespitst op het oplossen van virologische problemen. Hier werken niet alleen virologen, zoals gebruikelijk bij zo’n laboratorium, maar ook artsen, immunologen, pathologen, epidemiologen. Alle deskundigheid bij elkaar. Het grote publiek kent hem als de man in de rode bloes met het zwarte giletje die op televisie hartstochtelijk, doorspekt met Engels, waarschuwt voor de gevolgen van het uitbreken van een virusinfectie. Zoals bij het opduiken van de Mexicaanse griep. Osterhaus is groot voorstander van preventieve maatregelen en zal dat ook altijd, overal, met klem benadrukken. Mede op zijn advies slaat de overheid nu een vaccin in tegen de Mexicaanse griep. Een ‘onheilsprofeet’ en een ‘drammer’ wordt de professor soms genoemd. Zelf zegt hij: ‘Ik kan mijn standpunt vrij gepassioneerd naar voren brengen. Dat is ook mijn handicap, aan de ene kant.’

En aan de andere kant? ‘Ik ga altijd uit van mezelf en mijn omgeving bij het formuleren van een advies. Aan welk risico wil ik mijn kinderen, kleinkinderen, vrienden, kennissen blootstellen? Er bestaan drie scenario’s voor de Mexicaanse griep: ofwel dit virus sterft uit, of het blijft een pandemie van een milde griep, of dit virus explodeert, zoals bij de Spaanse griep in 1918, waarbij meer dan 50 miljoen mensen omkwamen. Stel dat je maar 10 procent kans hebt dat de Mexicaanse griep uitmondt in zo’n ernstige pandemie, dan vind ik dat nog een heel hoge kans. Maar nu zijn er allemaal van die neuzelaars en pseudo-deskundigen die zeggen: ‘Er is niks aan de hand, het is een hype.’ Die zeggen: ‘Osterhaus is een paniekzaaier.’ Nou, ik vind het allemaal prachtig, hoor’

U praat als iemand die moeilijk tegen tegenspraak kan. Meteen: ‘Jaha. Dat klopt.’

Omdat u te vaak gelijk hebt gekregen? ‘Nou dat klinkt arrogant, natuurlijk.’

Maar? ‘Als ik tegenover anderen zit voor wie ik waardering heb en van wie ik weet dat ze het snappen, luister ik wel.’ Maar dat zijn er niet zoveel. Lachend: ‘Nou, op sommige gebieden niet. Heel veel mensen praten elkaar maar na. Ik vind dat je zelf moet blijven nadenken. Zoals hier op het lab gebeurt. We zijn hier met veel heel slimme mensen.’

Is het niet moeilijk, altijd met slimme mensen om te gaan? ‘Jawel, maar wij hebben hier natuurlijk een community van medewerkers met allemaal hetzelfde doel. Het zijn allemaal prima donna’s, ze willen allemaal scoren, ze zijn allemaal ambitieus. Net een voetbalteam. Aan de ene kant vechten ze voor de groep, aan de andere kant moeten ze ook voor zichzelf vechten, om op den duur in de topleague te kunnen blijven spelen.’

Ingewikkeld. ‘Tuurlijk, er zijn af en toe wat spanningen. Maar de één is linksbuiten, de ander rechtsbuiten, er is een keeper. Als ze allemaal midvoor waren, zou het lastiger zijn. De harmonie bewaren in zo’n club is grappig. Net als een voetbaltrainer heb je ook te maken met lastpakken die je op hun plaats moet kunnen zetten.’

U staat zelf bekend als iemand die vecht voor een prominente plek van zijn naam, bij publicaties. ‘O, maar dat is normaal, in deze wereld. Daarop word je afgerekend. Je moet je competitief kunnen opstellen. Er zijn erg goeie wetenschappers die het niet maken omdat ze dat competitieve schuwen, omdat ze daar geen zin in hebben. Dan zeg ik: ‘Ja, hé, kom op.’

Het betekent dat je jezelf continu onder druk zet. Je wilt de beste zijn. ‘Nou het is meer: je hebt een probleem, je wilt het oplossen en daarin het liefst de eerste zijn.’

De eerste zijn. ‘Het heeft niet zoveel zin de derde te zijn, of de tweede. Ik ken wetenschappers die altijd tweede zijn. Die bedenken nooit iets zelf, maar komen toch ver. Die breien altijd ideeën van anderen na. Als je dat maar goed genoeg doet, kun je behoorlijk meedraaien. Maar je maakt het nooit echt helemaal en het is ook niet de lol. De lol is als je je eigen weg kiest, en zelf iets bedenkt.’

Toch: je zet jezelf continu onder druk. ‘Ach. Dat wordt een tweede natuur. Daar denk je niet bij na.’

Jeugdvriend Henk Spaan zei over u in de Volkskrant: ‘Appie is fanatiek in alles, hij kan niet tegen zijn verlies.’ ‘Ja, dat geldt voor hem trouwens ook. Hij heeft precies hetzelfde. Komt misschien voort uit dat milieu waarin je bent opgegroeid, dat roomse milieu in Slotermeer. De drive die je van huis uit meekreeg om iets met je talenten te doen.’

Voor protestanten gaat toch hetzelfde op? ‘Ja, maar die missen het plezier, heb ik het idee.’ Aanstekelijke lach.

Osterhaus was een van zeven kinderen, in een ouderwets rooms gezin – dat katholieke is er intussen allang af. Zijn moeder was huisvrouw, zijn vader, opgeleid als leraar Engels, werkte als scientific editor bij Shell. Na de middelbare school wilde de toen erg sportieve Ab – hij was een gepassioneerd voetballer – naar de sportacademie. Hij haakte af omdat hij geen zin had leraar te worden. Het werd diergeneeskunde voor de dierenliefhebber. Op de faculteit in Utrecht kwam al snel zijn eigenzinnige kant naar boven: hij was een van de organisatoren van de eerste veterinaire-studentenstaking. ‘Ik was ook jaarvertegenwoordiger, maakte me met nog een paar anderen druk om van alles. Onze hoogleraren kwamen van de ouwe school, die waren weinig kritisch, deden wat hun was verteld. Een of andere prof kwam terug uit Amerika en vertelde dat ze daar meel van slachtafval voerden aan koeien. We voelden toen al aan dat dat niet klopte. Je maakt van een herbivoor niet alleen een carnivoor, je maakt er zelfs een kannibaal van. ‘Toen ageerden we al tegen de bio-industrie, die net begon, op grote schaal, en het gesleep met dieren. Wat er ook toe heeft bijgedragen dat er veel gemakkelijker allerlei ziekten in het rond kunnen gaan.’

U zag het al aankomen? ‘Het was instinctief. Ik was een dwarse student, geëngageerd, met van die lange haren. Een prominente professor, befaamd om zijn colleges, vond die houding maar niks. Kwam-ie zo’n collegezaal binnen met driehonderd man: ‘Zeg Osterhaus, moet jij ook dierenarts worden?’, op zo’n toon alsof ik er helemaal verkeerd zat. Ik zei, door de microfoon: ‘Nou denk het niet. Ik denk dat ik maar professor word.’ Die zaal schrok op – dat was not done.’

Hoe kwam u erbij om te gaan promoveren in de virologie? Dat onderwerp was toen nog niet erg in de mode. ‘Nee. Maar er speelden al wel wat uitbraken van mond-en-klauwzeer, indertijd. Ineens was er een enorme sterfte, gingen al die koeien dood door een virusinfectie. Ik vond dat fascinerend. Met een zekere gedrevenheid stortte ik me op het verzamelen van virussen. Ik ontdekte zoiets geks als een herpesvirus bij hagedissen, maar dat werd net voor mijn neus weg gepubliceerd – dus dat hoefde niet meer. Niet zo lang daarna had ik het parvovirus bij de hond te pakken, maar ook toen waren ze me net iets te snel af geweest. Ik was nog niet handig genoeg, in die tijd.’

Moet je zo handig zijn, in de wetenschap? ‘Als je als kleine jongen binnenkomt in de wetenschap, denk je dat alles bonafide en goed is. Nou: het is niet altijd zuiver. Het is keihard. Je krijgt geld op basis van het aantal publicaties dat verschijnt. Ook in de eredivisie is soms sprake van vals spel. Als beginnend wetenschapper is het lastig om credits te krijgen, ook als je goed bent. Ik heb het meegemaakt. Je ontdekt iets wat nog niemand anders gevonden heeft. Je krijgt het niet gepubliceerd, maar drie maanden later staat hetzelfde verhaal in gemodificeerde vorm wel in de krant. Dan denk je: wat is hier gebeurd?’

Heeft u daar voorbeelden van? ‘Als ik die uitspel, kun je precies uitvinden om wie het gaat. Op een gegeven moment snap je hoe het spel wordt gespeeld. Dan overkomt het je niet meer. Ik wil de wetenschap zeker niet afschilderen als één grote wereld van slechte mensen, maar je moet een aantal dingen leren. Wat je tegen anderen zegt, hoe je je ontdekking brengt. Al klinkt dat wat paranoïde. Maar een carrière als wetenschapper is toch ook een jungle. Een 38-urige werkweek bestaat helemaal niet. Je hebt onderzoeken waaraan je werkt en die moeten klaar. Niet zeuren.’

U heeft een huis in Griekenland laten bouwen, waar u bijna nooit komt. Opgewekt: ‘Ik ben er weinig. Dit jaar zou ik een week met mijn zoon en zijn gezin naar Griekenland gaan, maar toen begon net de Mexicaanse griep zich te verspreiden. Nou, dan gaat het niet door.’

U werkt altijd, zegt uw omgeving. ‘Nou ja, ik reis 30 procent van mijn tijd, dus’

Op tafel ligt de zware, bruinleren schoudertas, die hij altijd meeneemt, de wereld over. De tas begint wat kaal te worden.

U bent gescheiden. Had dat te maken met het harde werken? ‘Gedeeltelijk wel, ja. Ik ben een onmogelijk mens.’

Hoezo onmogelijk? ‘Het is niet gemakkelijk om te gaan met iemand die zo gedreven is. Sommige van mijn collega’s hebben een soortgelijke manier van werken en ik vind die mensen vaak verschrikkelijk irritant. Ik herken het. Ik weet precies wat voor aversies je kunt opwekken. Die collega’s zijn zo overtuigd van hun eigen gelijk: zo móét het. Natuurlijk: je hebt een zekere persistentie nodig om iets erdoorheen te drukken, maar ze vergeten soms stil te staan bij hun omgeving. ‘Ik kan me voorstellen dat anderen over mij denken: hé, luister nou eens even naar mij, ik heb ook iets te vertellen.’ Ongeduldig: ‘Meestal, als ze iets gaan vertellen, weet ik al wat ze gaan zeggen. Dan denk ik: kom op. Maar ik herken dat ze naar me kijken met een blik van: God, wat ben jij toch eigenlijk een vervelende vent. Dan probeer ik een stapje terug te doen en me fatsoenlijk te gedragen.’

Hebben uw kinderen u weleens iets verweten? ‘Ze hebben in elk geval niet het voorbeeld van hun vader gevolgd. Geen van beiden zijn ze diergeneeskunde of medicijnen gaan studeren. Misschien maar goed ook.’

Heeft u weleens spijt: ik ben altijd erg monomaan bezig geweest? ‘Nee hoor. Ik zou het zo weer overdoen. Ik ben ook helemaal niet zo monomaan. Ik heb veel interesses.’

In HP/De Tijd werd u gevraagd: wie is uw grootste liefde? U zei: ‘De wetenschap.’ ‘Wetenschap heeft niet echt iets met liefde te maken, hè. Ik ontwijk privézaken altijd. Ik heb een stuk dat van mezelf is en daar praat ik met anderen nauwelijks of niet over. Mijn werk is heel erg belangrijk voor me. Een van de belangrijkste dingen. Maar kinderen, kleinkinderen en relaties zijn ook belangrijk. Het is niet zo dat ik een of andere halve gare ben.’

Heeft u nu een relatie? ‘Jawel.’

U zult haar niet veel zien. ‘Niet zo gek veel.’

Vindt u dat lastig? ‘Mmm... nee.’

En is het lastig voor haar? Hij schiet in de lach: ‘Ik weet het niet.’

Ze eist niet meer van u? ‘Nee.’

En dat vindt u ook wel gemakkelijk. ‘Ja. Zo hoort het ook te zijn.’ Hij moet nog harder lachen. ‘Ik ben een beetje een vakidioot, ja.’ Dan: ‘Never a dull moment, op het grensgebied tussen humane en animale virusinfecties. We maken ons druk over een influenza-pandemie, maar er is nou weer een virus in Bangladesh – ik was er laatst – dat van vleermuizen naar mensen overspringt. Dat is eerst in Maleisië gevonden, maar begint zich te verspreiden. Ach, er spoken nog zoveel dingen rond.’

U ziet er bijna enthousiast uit, als u erover praat. ‘Het is fascinerend, het is een passie, ik weet niet wat het is. Kijk, de mensen die eraan overlijden, zijn individueel allemaal tragische gevallen. Maar het geeft zo veel voldoening als je eraan kunt bijdragen dat de diagnostiek snel kan worden gedaan, dat je mensen nog kunt behandelen, dat er vaccins komen.’

Zit er in uw gedrevenheid ook iets van: ik wil redder van de mensheid zijn? ‘Dat wordt wel vaak geroepen, maar redder van de mensheid kun je niet zijn. Omdat het zo dubbel is. De wereld zit veel gecompliceerder in elkaar. Naarmate je meer infecties kunt bedwingen, krijg je weer andere problemen. Ontstaat er weer overbevolking. Slaan ze mekaar de hersens in.’

Is er een vaccin waarvan u dagdroomt dat u het zou kunnen ontwikkelen? ‘Een hiv-vaccin. Dat is niet zozeer voor de glamour, dat is omdat je de problemen ziet. We doen nog steeds experimenten om te komen tot zo’n vaccin. Ik vind het een nederlaag van de wetenschap dat we dat nog niet voor elkaar hebben gekregen. Dat is toch te gek. ‘We hebben beperkte successen gehad, in apenexperimenten. Maar toen kreeg ik die anti-vivisectie-mensen weer op mijn dak. Niet dat ik me van bedreigingen veel aantrek, hoor.’

U heeft wel eens gezegd: ‘Als ze een steen door mijn raam gooien, dan is dat jammer. Ik ben toch nooit huis.’ ‘Dat is ook zo – het interesseert me niet. Vanochtend sprak ik een paar experimenten door met dokters, dierenartsen en biologen. De mond van een dokter viel open toen hij hoorde hoe streng de regels voor experimenten met apen zijn. Het draaide erom hoeveel keer je bloed mag afnemen bij kinderen en bij apen. Als je bij die apen dagelijks bloed wil tappen, krijg je daar geen toestemming voor, van de dierenexperimentencommissie. Als je hetzelfde bij kinderen wilt doen, krijg je het er altijd doorheen, bij de medisch-ethische commissie. Kijk, ik ben in principe tegen dierenexperimenten – tenzij. Zoals nu, met zo’n ziekte als aids, waaraan jaarlijks twee tot drie miljoen patiënten doodgaan. Als je iets bij mensen kunt doen, moet je het toch ook bij dieren kunnen doen? Als we dierproeven hier zo moeilijk maken, is het gevolg dat ze uit Nederland gaan verdwijnen. En dan gebeurt het op plekken waar de dieren er veel slechter aan toe zijn.’

U bent altijd in Nederland gebleven. Heeft u ooit overwogen naar Amerika te verhuizen? ‘Dat is een eeuwige tweestrijd. Ik heb veel aanbiedingen gekregen. Voor het werk zou het wel beter zijn geweest. Je kon daar vroeger veel gemakkelijker aan geld komen om onderzoek te doen. Maar het is sociaal gezien niet een land waar ik graag woon. Ik heb er nooit langer dan een maand of drie, vier gezeten, dan vond ik het mooi geweest.’

Opmerkelijk: u gaat heel ver voor de wetenschap, maar vertrekt niet naar Amerika, terwijl u daar meer had kunnen bereiken. ‘Ja, maar science is niet alles, hè. Het is wel heel erg veel, maar niet alles. Hoewel: het is dubbel dat te zeggen. Omdat ik de science hier ook wel voor mekaar krijg. ‘De manier waarop in Amerika dingen als de sociale zekerheid zijn geregeld, stuit me tegen de borst.’

Staat u aan de linkerkant van het politieke spectrum? ‘Ik heb geen idee wat links en rechts is. Ik ben een vrij persistente D66-stemmer. Maar ik moet eerlijk zeggen: soms twijfel ik over de SP. Agnes Kant vind ik goed en slim. Met Jan Marijnissen had ik wel moeite. Dat flamboyante is best, maar het is niet zo mijn type.’

Flamboyant, drammerig, een uitgesproken persoonlijkheid: herkent u misschien iets van uzelf in Jan Marijnissen? Lacht: ‘Vervelende vent?’

Een medewerker klopt aan, vraagt zijn advies. Ab Osterhaus loopt even met hem naar buiten – voorzichtig, buiten het bereik van de bandrecorder.

U heeft de top bereikt. Wekt dat jaloezie op? ‘Natuurlijk. Er zijn voorbeelden te over van jaloezie. Wetenschappers die uit onverwachte hoek toeslaan, spelletjes gaan spelen en vervelende dingen uithalen. Omdat jij iets doet wat zij niet kunnen doen. Het overkomt niet alleen mij hoor, ook de rest van de club.’ Later: ‘Laatst kwam een collega uit een andere discipline op bezoek. Die vroeg, met een zekere zuurte in zijn stem: ‘Zitten er nog mensen bij jullie die géén professor zijn?’ Toch is dat leuk. Die mensen zijn hier als gewone wetenschapper begonnen en draaien nu allemaal mee in de top. Is dat een persoonlijk succes? Ze zijn natuurlijk erg slim. Maar ik heb ze zelf allemaal binnengehaald. En bepaalde mensen heb ik níét binnengehaald – of ze zijn vertrokken. ‘De vraag is natuurlijk wat gebeurt als je er uitstapt. Ik blijf nog wel aan aantal jaar, maar dat is toch een beetje een zorg. Wat gebeurt er met AZ, nu Louis van Gaal vertrokken is?’

En u gaat later in het huis in Griekenland wonen? ‘Nee, zeg. Om op het Griekse eiland mijn ouwe dag te slijten, zie ik niet zitten. Nou, misschien, als ik daar een laboratorium kan bouwen, ha!’ Dan: ‘Je moet erg uitkijken. Ik ken collega’s die in mijn ogen te lang doorgaan en dan toch iets van hun scherpte verliezen. Van jezelf heb je dat niet in de gaten – dat is lastig. ‘Ik slaap maar weinig, hè. Ik heb de afgelopen 25 jaar nauwelijks iets van de wereld gezien, terwijl ik overal ben geweest. Alle Hiltons en Sheratons zijn hetzelfde. ’s Ochtends krijg je saté kambing bij je ontbijt en realiseer je je: o verrek, ik ben in Jakarta. Altijd maar op stap. Fysiek is het zwaar. Vroeger merkte ik het niet eens als ik een nachtje oversloeg. Maar nu denk ik af en toe al: kom. Op een gegeven moment zal ik wat accenten moeten verleggen.’

Kunt u zich voorstellen dat u ooit stopt, met werken? Zonder nadenken: ‘Jawel hoor. Als ik doodga.’

cv Ab Osterhaus

geboren 2 juni 1948 in Amsterdam

burgerlijke staat Gescheiden, twee kinderen

opleiding

1973 doctoraal examen diergeneeskunde (cum laude)

1974 dierenartsexamen

1978 promotie op het katcorona virus

werk

1978-1994 staffuncties bij het RIVM, Bilthoven

1990 hoogleraar milieuvirologie diergeneeskunde Universiteit Utrecht

1991 lid wetenschappelijk comité van de Europese Commissie

1993 hoogleraar virologie Erasmus Universiteit Rotterdam

1995 lid van de Gezondheidsraad

1996 lid van de wetenschappelijke adviesraad van het International AIDS Vaccin Initative

2000 voorzitter van de Europese Influenzawerkgroep

2000 lid van raad van toezicht van Diergaarde Blijdorp, Rotterdam

2001 lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen

2002 mede-oprichter en wetenschappelijk directeur ViroNative

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden