Vingeroefeningen voor een kolossaal schrijftalent

Geen broeieriger beschrijving van een naderende onweersbui dan die van de jonge Tolstoj in Jongensjaren. Je ziet dat hij de smaak te pakken krijgt: beschrijven wordt schrijven, noteren fabuleren....

Michaël Zeeman

In Jongensjaren vervolgt Lev Nikolajevitsj Tolstoj de jeugdherinneringen die hij in Kinderjaren begonnen was te noteren. Hij was nog maar in de twintig toen hij aan het schrijven van zijn memoires begon; zoals bekend kan een mens daar niet jong genoeg mee beginnen.

Sterker dan in het eerste deeltje is in Jongensjaren zichtbaar dat Tolstoj het schrijven ervan als een vingeroefening moet hebben gezien, als de onontbeerlijke voorbereiding op onvergelijkelijk veel ambitieuzere werken, de panoramische romans van later die hem wereldberoemd zouden maken. De schetsen van de jaren waarin hij opgroeide, door de ferme hand van zijn grootmoeder werd opgevoed en geleidelijk aan een idee kreeg over zijn eigen voorkomen en persoonlijkheid, zijn telkens miniaturen waarin Tolstoj niet alleen vertelt wat hem weer te binnen schiet, maar ook uitdrukkelijk probeert daar literatuur van te maken.

Ondanks de anekdotiek zijn dat hoofdzakelijk situatieschetsen en karakterschetsen. Ik kan mij niet herinneren ooit een broeieriger beschrijving van een naderende onweersbui te hebben gelezen dan de zijne. De drukkende atmosfeer wordt uit de paar honderd woorden die Tolstoj eraan wijdt zo zwaar, dat je haarwortels onwillekeurig beginnen te jeuken van de illusie van elektriciteit in de lucht. Maar je ziet tegelijkertijd hoezeer hij daar zijn best op heeft gedaan: de elektriciteit wordt opgewekt door een zwetende krachtcentrale. Tolstoj is nooit economisch geweest in zijn beschrijvingen, hier is hij zelfs wijdlopig, uit een mengeling van onzekerheid over het effect dat hij bereikt en vlijt.

Ook het portret van de Duitse huisleraar, die de lezer al kent uit het voorgaande deel, mag er zijn. Hij is een goedmoedige zwetser, een beetje dommig en door zijn beperkingen kwetsbaar. Maar de jonge schrijver schort zijn lichtvaardige jongensoordeel op om zich in diens karakter in te leven. Dat gaat nog een beetje houterig – Tolstoj heeft brabbelend Duits nodig om duidelijk te maken dat Karl Ivanytsj oorspronkelijk uit Duitsland komt; later zal hij iemands achtergrond veel subtieler en suggestiever weten te karakteriseren – en nadrukkelijk. In de onvergetelijke novellen uit zijn late dagen zou Tolstoj zo iemand veel terloopser hebben opgezadeld met zijn nukken en grillen. Wij zouden die gevoeld hebben, niet expliciet hebben leren kennen.

Wij zien, kortom, iemand aan het werk, die besloten heeft ‘zelf schrijver te worden’ en als een ontwapenende autodidact in de weer is zich de finesses van een stijl eigen te maken. Op zichzelf is dat al hartveroverend. Daar komt echter nog iets bij, en dat is het geleidelijk zichtbaar worden van zijn indrukwekkende en profetische persoonlijkheid. Naarmate hij vordert in het vertellen van zijn levensgeschiedenis, maakt zich de neiging van hem meester de concrete beschrijvingen van zijn indrukken en belevenissen los te laten en te gaan filosoferen. De gedachte aan een ‘voor-bestaan’ – het bestaan voor de geboorte naar analogie van de onsterfelijke ziel die het na iemands dood nog eens op een jubelen zou gaan zetten, waaraan veel later Vladimir Nabokov zulke verontrustende alinea’s zou wijden – heeft Tolstoj ook al gehad. Op dat soort momenten zie je dat hij de smaak te pakken krijgt: beschrijven wordt dan schrijven, noteren fabuleren. In de chroniqueur komt de romancier tot wasdom.

‘Ik was van nature preuts’, schrijft Tolstoj, ‘maar mijn preutsheid werd nog versterkt door het besef van mijn lelijkheid. Ik weet zeker dat niets zo’n allesoverheersende invloed op de aard van een mens heeft als zijn uiterlijk, en niet zozeer het uiterlijk op zichzelf, als wel het besef van de aantrekkelijkheid of onaantrekkelijkheid ervan.’

Het is in het licht daarvan voor ons een zegen dat hij inderdaad tamelijk lelijk was; het pas verschenen fotoboek van zijn vrouw, Song Without Words: The Photographs and Diaries of Countess Sophia Tolstoy legt dat onweerspreekbaar vast. Tolstoj ziet er op de talloze aandoenlijke kiekjes uit als een almaar bozer en eigenaardiger wordende zwerver. De apostolische baard en het barre evangelistenhemd, ze helpen niet hem wat toegankelijker te maken.

Maar voor hem was vooral dat genadeloze zelf-inzicht een bevrijding: het dwong hem verder te kijken dan zijn patatneus rond was. Het verschil tussen wie hij ervoer dat hij was en het vermoeden van wat andere mensen waarnamen zodra zij hem tegen het lijf liepen, provoceerde zijn belangstelling voor het verschil tussen impressies en hun zeggingskracht. Door dat inzicht rijpte zijn kolossale schrijftalent.

Jongensjaren legt dat vast. En dat is intrigerend en leerzaam. Het is een dubbelportret van de kunstenaar als jongeman; de geportretteerde en de portretschilder getuigen daarvan.

Michaël Zeeman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden