Opinie

'Vinden jullie Marlene Dumas echt zo goed?'

Dumas onttrekt zich aan de banaliteit van het schone, schrijft Sander van Walsum. 'Maar wat maakt haar in hemelsnaam zo bijzonder?'

Twee vrouwen beoordelen het werk YOUNG MEN van Marlene Dumas in het Stedelijk Museum. Beeld anp

De hoogmis voor Marlene Dumas die momenteel wordt gecelebreerd, voelt wat onbehaaglijk aan voor iemand - zoals ik - die niet van Marlene Dumas houdt. Ik begreep in 2011 al niets van de commotie over de veiling van Dumas' Schoolboys door het Gouds Museum, en nog minder van de opbrengst van dit doek: ruim 1 miljoen euro. Ik zag slechts vier matig geschilderde jongens zonder expressie op een plat vlak dat ook echt een plat vlak was.

Maar nu is het officieel: Marlene Dumas is de grootste levende Nederlandse kunstenaar. Over de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam wordt heel lyrisch gedaan. Ook door Joost Zwagerman in DWDD. Hij prees de 'gelaagdheid' in het werk van Dumas (daar kom je altijd mee weg). De vervreemding die uitgaat van de reproductie van snapshot-achtige foto's. En hij citeerde instemmend Robbert Dijkgraaf die in het zachte palet van Dumas een vorm van zielsverwantschap zag met de rotsschilders uit de prehistorie.

Waar gáát dit over?
Hans den Hartog Jager prees in NRC Handelsblad Dumas' vermogen 'om afstand en emotie in haar werk juist te benadrukken'. Volgens hem laat 'Dumas goed zien dat je als toeschouwer uiteindelijk niet ontkomt aan dezelfde worsteling als zij'. Ik kijk nog eens naar de schilderijen, als toeschouwer met belangstelling voor de schilderkunst, en vraag me in gemoede af: waar gáát dit over?

Waarom moet over kunst altijd zo eerbiedig worden geschreven? Waarom gelden de eisen die aan de toegankelijkheid van teksten mogen worden gesteld zo vaak niet voor teksten over kunst? Vanwaar dat pathos? En waarom nodigt Marlene Dumas daar kennelijk toe uit? Waarom moet de meest individuele expressie überhaupt worden geïnterpreteerd? Zou een kunstwerk niet zonder tekst en uitleg moeten kunnen? Heeft het niet genoeg aan zichzelf? En wanneer verandert een respectvolle bespreking van een kunstwerk in dweepzucht?

Onderhand lijkt het commentaar op het kunstwerk deel uit te maken van het kunstwerk zelf. Dat zal de ijdelheid van kunstkenners ongetwijfeld strelen: als zelfbenoemde exegeten kunnen ze verder bouwen aan het kunstwerk. De kunstenaar moet hun dan wel ruimte laten voor de vrije interpretatie. De kunst mag vooral niet 'af' zijn. Een virtuoos schilderij wekt wantrouwen. Het is al snel te glad. Te gepolijst. Te af, inderdaad. Het laat geen ruimte voor de 'interactie met de toeschouwer' waarvan zoveel kunstkijkers gewagen.

Handjevol catalogi
Isaac Israëls was technisch een veel begaafder kunstenaar dan Vincent van Gogh. Maar hij maakte de kijker geen deelgenoot van zielepijn en de worsteling met het kunstenaarschap. Hij schilderde badgasten en voluptueuze naakten in strijklicht. En hij was een lang leven productief. Maar er kan niet veel meer over worden gezegd dan dat het 'mooi' of 'knap' is. En dat is de kunstliefhebber toch wat te pover. Hij wil in een schilderij worden getrokken. Hij wil er een verhaal over kunnen vertellen. Hij wil kunnen meeleven met de maker. Daarin kwam Van Gogh hun natuurlijk veel meer tegemoet dan Isaac Israëls. Over de eerste zijn vele strekkende meters boeken geschreven. Over Israëls slechts een handjevol catalogi.

Dat Dumas gewoon schilderijen maakt op basis van foto's die ze uit de krant heeft geknipt, gaat er bij het publiek kennelijk niet in. Pagina's worden volgeschreven over wat ze bedóéld kan hebben. En wie een bedoeling veronderstelt, veronderstelt ook een 'worsteling' - een woord dat zeer geregeld wordt gebruikt in verband met Dumas. Het gaat dan om 'die worsteling tussen kunstenaar, beeld en werkelijkheid'. Om het gevecht dat aan de totstandkoming van elk doek zou voorafgaan. Om confrontaties. Om 'de houdgreep' waarin de kunstenaar de kijker gevangen houdt. Over de pijn van het kunstenaarschap.

Hans den Hartog Jager maant ons vooral niet te denken dat Dumas zo'n kunstenaar is 'die fluitend naar haar werk gaat en de doeken uit haar mouw schudt'. Bij de beoordeling van een kunstenaar gaat het meer om de worsteling dan om de schoonheid. 'Mooi' is een in onbruik geraakte kwalificatie. Want schoonheid is arbitrair en irrelevant. Bij Dumas gaat het daar dus niet om.

Van een figuratief schilder mag je verwachten dat ze de menselijke anatomie enigszins respecteert. Maar langs die meetlat wordt Dumas niet gelegd. Een horrelvoet of een vlek op de plaats van een oog worden welwillend als 'abstracte elementen in een figuratieve context' gekenschetst. De vraag of de dingen 'kloppen' in het werk van Dumas is niet aan de orde. Bij haar kloppen de dingen per definitie. Dumas heeft het Pantheon betrokken van onaanraakbare kunstenaars die zich onttrekken aan de banaliteit van het schone. Dat is toch wat ongemakkelijk voor mensen die echt niet vermogen te zien wat haar zo bijzonder maakt. En ze vragen zich bekommerd af: vinden de anderen haar écht zo goed? Over een jaar of twintig zullen we het weten.

Sander van Walsum is verslaggever van de Volkskrant.

Marlene Dumas. Beeld epa
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden