Vijf eeuwen herschrijven

HET IS een mooi woord. Het bekt misschien wat lastig, maar daar staat tegenover dat het uitnodigt tot velerlei metaforiek....

In de handschriftkunde gaat het om papyrus- of perkamentrollen waarvan een oorspronkelijke tekst is afgewassen dan wel afgekrabd, om schrijfruimte vrij te maken voor nieuwe teksten. Uitvlakken dus. In hedendaagser jargon: wissen. In milieubewust spraakgebruik: recyclen.

Zuinigheid moet in de oudheid ook het voornaamste motief zijn geweest om god mag weten welke kostbare wijsgerigheden of prachtige dichtregels weg te krassen terwille van iets anders. Christenen uit het begin van onze jaartelling schijnen, in vroom vandalisme, manuscripten van heidense Grieken zelfs welbewust te hebben gebruikt om er vromer lectuur overheen te schrijven.

Moderne technieken kunnen het origineel overigens soms weer zichtbaar maken, zoals vanonder een afbeelding op hergebruikt schilderslinnen nog weleens een voorstudie van Rembrandt wordt teruggevonden. Het was er ooit, dus het is in feite ook nooit echt weg geweest.

'De geschiedenis', lezen we in de proloog tot een bundel historiografische opstellen, 'werd steeds herschreven in andere vormen. De geschiedschrijving was een palimpsest.'

Een van de denkbare fraaie metaforen.

Strikt genomen is de vergelijking natuurlijk niet helemaal houdbaar. Veel tekst van antieke geschiedschrijvers, van Tacitus bijvoorbeeld, ligt inderdaad voorgoed begraven onder in misschien wel honderdvoudig gerecycled perkament, dus die zijn we kwijt. En één abdijbrand was in de Middeleeuwen genoeg om de prachtigste en unieke handschriften definitief te laten verdwijnen. Maar sinds de vijftiende eeuw hebben we boeken - en daar viel niet meer aan te wassen, te krabben of te krassen, en als de halve voorraad in vlammen was opgegaan bleven er altijd nog exemplaren over.

Nieuwe generaties historici maakten het werk van hun voorgangers daarna ook nooit meer ongedaan, integendeel: ze maakten er serieus studie van om de geschiedenis van de geschiedschrijving te kunnen schrijven, die voor de kennis van het verleden van even groot belang werd geacht als de geschiedenis van de wiskunde, of de geschiedenis van de taal, of de geschiedenis van het krijgsbedrijf.

De samenstellers van De palimpsest hebben die geschiedenis sinds 1500 vooral benaderd als de steeds veranderende manier waarop over het verleden werd gedacht en geschreven, en historici als auteurs die steeds veranderende, bij de 'tijdgeest' passende genres zochten om hun onderzoek vorm te geven.

Het jaar 1500 als startpunt voor een historiografische terugblik lag voor de hand. Niet alleen vanwege de zegen van de boekdruk, maar bovenal omdat de geschiedschrijving zich rond die tijd voorgoed losmaakte van de half mythische, half theologische conventies van waaruit bij ons iemand als Jacob van Maerlant in zijn Spieghel Historiael de wereldgeschiedenis keurig liet beginnen op de dag dat de geest nog over de wateren zweefde, en God op het idee kwam om hemel en aarde te scheppen. De eerste grote secularisatie van de geschiedschrijving begon zich te voltrekken. Dankbaar gebruikmakend van niet meer te schrappen wereldse bronnen en getuigenissen, ontdekten historici een steeds verder uitdijend verleden, en zouden ze, wikkend en wegend, schrijvend en telkens herschrijvend, de lange mars naar de verwetenschappelijking beginnen. In veertien stappen, via veertien 'genres'.

Waarom veertien?

Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat Jo Tollebeek, Tom Verschaffel en Leonard Wessels als redactie zoiets als een Golgotha-symboliek aan hun project hebben willen meegeven. Maar nergens wordt verduidelijkt of verhelderd dat de historiografie zich tussen 1500 en 2000 via precies veertien 'staties' zou hebben ontwikkeld. Jan Romein onderscheidde in een beroemd opstel (over de geschiedschrijving van de Tachtigjarige Oorlog) zes 'fazen', Duitse theoretici uit de late negentiende eeuw deden het met drie hoofdcategorieën - en weliswaar ging het in hun gevallen meer om de inhoudelijke achterafanalyse dan om de vormgeving die in De palimpsest centraal staat, maar hun aantallen waren, anders dan bij Tollebeek en de zijnen, tenminste verantwoord.

Niet alleen aan hun getal zit iets willekeurigs, ook aan de keuze van de veertien tekstvormen die tot 'genres' werden verheven.

Dat geldt niet zozeer voor de hoofdstukken die, in zekere chronologie, de eerste drie behandelde eeuwen bestrijken - over de vaandeldragersbetekenis van chroniqueurs en annalenschrijvers, over de invloed van het humanisme, of over de opkomst van het pamflet zal iedereen het gauw eens zijn: dat waren inderdaad genres die in opeenvolgende episodes als het ware een vormafspraak voorschreven.

Maar het wordt vanzelfsprekend lastiger naarmate de geschiedschrijving in de loop van de negentiende eeuw het bedrijf wordt van een beroepsgroep die uit steeds meer, en onderling steeds verschillender deelnemers gaat bestaan. Genres als 'het romantische verhaal' of 'het nationale epos' worden dan mogelijk nog beoefend volgens een dominante traditie - maar bij een categorie als 'het pleidooi', waarin onder een zeer algemene emancipatievlag zo'n beetje alles wordt samengevat dat tot de geschiedschrijving van minderheden kan worden gerekend (van katholieken en arbeiders tot vrouwen aan toe), mag je je afvragen of dat nou echt een beslissend vormstadium in een reeks van veertien is geweest.

Wat het wezenlijke genreverschil is tussen 'het artikel' en 'het essay', komt in de afzonderlijke opstellen niet erg uit de verf, en als we het toch over vormen hebben: waarom is de projectvorm waarin allerlei historische onderwerpen, variërend van begripsgeschiedenis, ijkpunten van de Nederlandse cultuur in Europese context tot en met een historiografisch overzicht van 1500 tot 2000, worden behandeld door groepen geschiedschrijvers, niet op z'n minst als vijftiende genre in de bundel aan bod gekomen?

Alle kritische kanttekeningen ten spijt verdient De palimpsest om twee redenen warme aanbeveling. In de eerste plaats omdat alle hoofdstukken, op misschien één of twee na, met zoveel historische passie zijn geschreven, en in een stijl die toegankelijk blijft voor een publiek van leken dat de auteurs waarschijnlijk niet als eerste op het oog hadden. En in de tweede plaats omdat er nog een boekje bij hoort waarin teksten uit de geschiedenis van de geschiedschrijving bij wijze van illustratie van de veertien genres zijn verzameld. Samen zijn de twee bovendien vervat in een rode kartonnen houder waarvan je het gevoel hebt dat ze nog eeuwen ongeschonden mee kunnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden