Vijf dichters rond een dominee

DE Blauwe Schuit was de naam die twee Groningse studenten bedachten voor een door hen uit te geven tijdschrift. In 1940 wordt het de naam van een door dezelfde studenten, samen met een derde, opgerichte uitgeverij....

De eerste uitgave van De Blauwe Schuit verschijnt in december 1940: het gedicht 'Het jaar 1572' van Nijhoff als rijmprent. De prent kwam van de Groningse kunstenaar Jan Wiegers. Voor het drukken werd de Groningse drukker-schilder H.N. Werkman benaderd. Vanaf de derde uitgave zorgde Werkman zelf voor de illustraties. Het is om zijn werk dat de uitgaven van De Blauwe Schuit nu nog altijd meer dan beroemd zijn. Als Nijhoff in december 1941 de eerste zeven uitgaven van De Blauwe Schuit ontvangt, schrijft hij aan August Henkels, verreweg de belangrijkste van de drie initatiefnemers bij de oprichting van het tijdschrift, onder meer: '(ik) verzoek U vriendelijk den heer Werkman mijn groote erkentelijkheid te willen overbrengen. Het is, als ik zijn werk zie, of de oorlog reeds voorbij is, zoo overtuigend is de nieuwe stijl die zich hiermee aankondigt.'

De tweede zin is treffend. Nijhoff ziet niet alleen het nieuwe in Werkmans werk (achteraf een nieuwe fase in zijn kunstenaarschap), maar verwoordt ook een nog altijd herkenbare ervaring met dat werk: het breekt altijd alle donker. Er is weinig moderne beeldende kunst waarbij ik zo gelukkig word en dat ik zo bewonder.

Voor de uitgaven van De Blauwe Schuit, veertig tussen 1940 en begin 1945, zijn Henkels en Werkman de belangrijkste figuren. F.R.A. Henkels (1906-1975) was dominee, met een ongewone literaire belangstelling en een even innemende als sterke persoonlijkheid. Hij was tegelijkertijd met Vestdijk gijzelaar in Sint Michielsgestel; er ontstond een grote vriendschap. Henkels werd eerder vrijgelaten dan Vestdijk. De brief van gemis die Vestdijk aan Henkels schrijft, is mischien wel een der ontroerendste die hij heeft geschreven. Vijfmaal zal werk van Vestdijk bij De Blauwe Schuit verschijnen, daaronder het schitterende gedicht 'De doode zwanen' dat Vestdijk na de executie van medegevangenen in Sint Michielsgestel schreef.

De geschiedenis van De Blauwe Schuit is een oorlogsgeschiedenis. Het tijdschrift was met de publikatie van de rijmprent van Nijhoffs gedicht (dat zich in de oorlogsomstandigheden gemakkelijk liet actualiseren) de eerste clandestiene uitgeverij.

Er kwamen er meer voor het 'vrije boek in een onvrije tijd'; de uitgaven van bijna alle waren bibliofiel van karakter (en van oplage). Auteurs publiceerden vaak bij enkele van die clandestiene uitgevers tegelijk. Nijhoff, die net als Vestdijk vijf titels publiceerde bij De Blauwe Schuit, is er (als Vestdijk zelf trouwens) een voorbeeld van. Toch lijken de twee zich het meest met De Blauwe Schuit, dat wil zeggen met Henkels, verbonden te voelen. Er is een niet zo kleine correspondentie tussen de twee en Henkels bewaard. Er waren nog enkele dichters bij De Blauwe Schuit betrokken: de jonge, in Friesland ondergedoken Bertus Aafjes (door Nijhoff als een zeer groot dichter beschouwd), Hendrik de Vries, ook Groninger, maar bij De Blauwe Schuit meer een buitenstaander, en de protestantse dichter K. Heeroma. De Vries en Heeroma zouden één keer bij De Blauwe Schuit publiceren, van Aafjes verscheen er door verschillende omstandigheden niets.

De brieven die de vijf aan Henkels (en diens vrouw, op wie met name Nijhoff erg gesteld was) schreven, zijn nu onder de titel Schepelingen van De Blauwe Schuit gepubliceerd in de reeks 'Achter het boek' van het Nederlands Letterkundig Museum. Aan de brieven gaat een uitvoerige inleiding vooraf, waarin de geschiedenis van de uitgeverij, de inwerking van de oorlog op de cultuur (De Kultuurkamer) en de boekenproductie, de situatie van de vijf en van Henkels tijdens de oorlog zeer goed gedocumenteerd worden beschreven.

Van de briefschrijvers zijn Vestdijk en Nijhoff de drukste. Vestdijk is de degelijkste en indringendste, zowel vanuit Doorn als vanuit Sint Michielsgestel. Zijn hoofd staat altijd naar ernst en uiteraard naar zijn werk. Voor de kampbewoners schrijft hij lezingen, over de poëzie en over de toekomst van de godsdienst (beide later als twee nog altijd heel belangrijke boeken verschenen), hij schrijft er een aantal van zijn beste gedichten. Hij licht Henkels in over 'werk in uitvoering' en schrijft heel geestig over de pesterige Nijhoff en diens soms eigenwijze oordelen. Zijn ervaringen als gijzelaar hebben hem diep beïnvloed. Nijhoff is luchtiger en onrustiger. Hij verhuist voortdurend, zwoegt aan zijn Pinksterspel, lijdt aan de bloemlezing die hij uit Hoofts Historiën moet maken en gaat gebukt onder de hele toestand in Nederland. Hij schrijft de mooiste zinnen, fraaie, haast aforistische formuleringen soms, zoals deze (misschien wel de beste) op 7 juni 1944 aan Heeroma: 'Ontvang mijn hartelijke dank voor het toezenden van het doopvont gedicht, dat mij zeer heeft getroffen. Het doet mij altijd goed, als ik iemand waarlijk zie slagen in de hachelijke onderneming religie en poëzie te verbinden, want terwijl poëzie de religie eener élite is, blijft religie de poëzie van het volk en eer men deze twee verbindt wordt er niets groots tot stand gebracht.'

Hendrik de Vries geeft Henkels niet alleen een sublieme uiteenzetting over het stierengevecht, hij schrijft ook zeer verhelderend over het ontstaan van zijn eigen gedichten. Hij werkt aan wat een van zijn beste bundels zou worden: Toovertuin. Aafjes schrijft op het Friese platteland aan wat zijn Voetreis naar Rome zal worden. De publicatie en de reacties kunnen we nog in de laatste brieven lezen. Hij is een hartelijke, wat roomse correspondent. Heeroma speelt een nauwelijks opvallende rol.

Vijf Nederlandse dichters rond een dominee. Het levert een bijzonder boek op, een goede documentatie, mede door de zorgvuldige aantekeningen een stukje literatuurgeschiedenis, een heel kleine oorlogsgeschiedenis, en vooral een aantal even informatieve als vaak rijke brieven. Maar wat het boek vooral oplevert is bewondering voor de figuur van August Henkels, dienaar van zijn kerk, maar niet minder van de cultuur. Een heel groot Nederlander.

In het inleidende deel wordt opgemerkt dat Werkman een vrij armzalige typograaf was, ook naar het oordeel van tijdgenoten. Je kunt dat nauwelijks schrijven in een boek dat in een schreefloze vette letter is gezet (de noten in een kleiner corps, niet vet), waardoor het lezen vermoeiend is (het lezen van de noten zelfs zeer vermoeiend). Het boek is rijk geïllustreerd. Maar waarom niet een van Werkmans werken in kleur?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.