Reportage Incidententeam

Vijf dagen mee met het team incidentenbestrijding van ProRail: geen werk voor watjes, ook niet voor macho’s

Medewerkers van het team incidentenbestrijding van ProRail met een stalen karretje dat precies op het spoor past en waar een kist bovenop kan. Beeld Marcel van den Bergh

Het team incidentenbestrijding van ProRail moet zorgen dat het treinverkeer veilig en snel weer op gang komt als er iets gebeurt. Waarbij een ‘incident’ ook een calamiteit kan zijn als een suïcide. Kaya Bouma liep vijf dagen mee met de mensen die het spoor bewaken en zag wat het met hen doet.

Het spoor tussen Vlissingen en Maastricht telt meer dan vijfhonderd overwegen en John van Lierop heeft bij zo’n beetje allemaal een verhaal. Er is de overweg vlak bij de dierentuin, waar hij naar op weg was met zijn vrouw. Er stond een auto vlak bij het spoor. Te dichtbij. John had een onderbuikgevoel. Zijn vrouw dacht dat hij spoken zag, maar voor de zekerheid belde hij zijn collega’s. Of ze snel konden komen kijken. John was de dierentuin nog niet binnen, of hij hoorde de sirenes.

Je hebt het stuk spoor vlak bij de McDonald’s. Als ze daar een springer hebben, halen ze na afloop een frietje. Er is de overgang waar cameratoezicht een keer iemand signaleerde met een machinegeweer. Meteen eropaf natuurlijk, samen met de politie. Bleek het een jongen te zijn met een neppistool die zich liet fotograferen voor een schoolproject.

‘Dat verzin je toch niet?’, zegt John. ‘Midden op het spoor!’

Hij stuurt zijn auto een natuurgebied in. Het is een zonnige dag en John, 51 jaar, gemillimeterd haar en een gezicht dat elk moment in een grijns kan uitbarsten, is op surveillance. Als algemeen leider van het team incidentenbestrijding van ProRail staat hij paraat voor alles wat mis kan gaan op het spoor. Een defecte trein, een ontsporing, suïcide, een botsing tussen twee treinen, een bommelding, noem maar op.

Als er niets gebeurt, zoals nu, werkt hij zijn administratie bij of gaat hij overgangen langs om te zien of er geen mensen te dicht bij het spoor dwalen. Heeft hij verteld over die brand in de aanmaakblokjesfabriek? Daar maakten ze goeie reclame mee, dat brandde als de hel! Het treinverkeer moest stilgelegd worden omdat de brandslangen over het spoor liepen. Verder hoefde hij niets te doen. Kijk, dat zijn leuke calamiteiten. Fotografie is zijn hobby, dus dan gaat het van klik, klik, klik.

John wijst naar buiten. Hier heeft hij laatst een prachtig hertje gefotografeerd. En daar, bij die overweg had hij zijn eerste zelfdoding op het spoor. Iedereen bij incidentenbestrijding kan zich zijn eerste herinneren. In de auto die was achtergelaten stond een kinderzitje. Op het spoor lag het lichaam in tweeën. De bovenste helft keek hem aan.

Biep, biep, biep. Biep, biep, biep. John grijpt naar zijn broekriem en pakt zijn semafoon uit de houder. ‘TIS 3.1’, staat er in blokletters op zijn schermpje. Aanrijding persoon.

Steeds drukker

Als een trein onverwachts tot stilstand komt, begint het werk van de mannen en vrouwen van incidentenbestrijding. Ze rukken uit in hun rood-geel gestreepte voertuigen volgeladen met noodmateriaal.

De Volkskrant liep vijf dagen mee met de incidentenbestrijders van regio Zuid. Vier dagen gebeurde er niets. Eén dag kwam er wel een melding binnen. Om herkenning te voorkomen zijn details over de locatie, datum en het tijdstip weggelaten.

Het voorval is 1 van de circa 1.200 incidenten die de 34 incidentenbestrijders die vanuit Eindhoven opereren jaarlijks voor hun kiezen krijgen. Van een gewond dier op het spoor tot een uitslaande brand op een rangeerterrein. Het doel is altijd hetzelfde: het treinverkeer veilig en snel weer op gang brengen.

De incidentenbestrijders krijgen het steeds drukker. Het web van 7.000 kilometer treinrails dat Nederland doorkruist, is al het drukst bereden spoor van Europa. Het aantal treinritten blijft groeien. Reden in 2013 alle treinen samen nog 155 miljoen kilometer, een paar jaar later, in 2017, was dat 160 miljoen. Als het aan dit kabinet ligt, wordt het spoor nog veel intensiever gebruikt: in 2040 moet tussen de negen grote steden elke tien minuten een trein rijden. Tussen Eindhoven en Amsterdam is dat nu al het geval.

Om al dat werk snel te kunnen afhandelen, opereren de incidentenbestrijders vanuit vier regio’s, elk met zijn eigen uitdagingen. Zo ligt in Randstad Zuid Kijfhoek, het grootste rangeerterrein van Nederland, daar komen problemen met goederentreinen met gevaarlijke stoffen relatief veel voor. Het is ook de regio die naar verhouding weinig te maken heeft met suïcide op het spoor.

Regio Zuid heeft daar juist wel veel mee te maken. Om een beeld te geven: in 2018 waren er 63 zelfdodingen in het zuiden, bijna een derde van het landelijk totaal van 194. Het jaar daarvoor waren het er 91 in Zuid alleen, op 215 in totaal.

Hoe dat kan, weet ProRail niet precies. Eén verklaring is waarschijnlijk het grote aantal overwegen in de regio. In de Randstad is het simpelweg minder makkelijk het spoor op te komen: het verkeer wordt er op veel plekken onderdoor geleid.

Uitvalbasis Eindhoven

Een kleine vijftien minuten nadat de melding is binnengekomen, rijdt John de parkeerplaats van de uitvalbasis in Eindhoven op. Het grijze pand aan het spoor heeft van binnen wat weg van een brandweerkazerne. Wie de achteringang neemt, loopt eerst de garage binnen. Daar staat altijd een vrachtwagen klaar om uit te rukken.

De dienstdoende chauffeur zorgt dat alles aanwezig is: zware gereedschappen om een trein of auto mee open te knippen, noodbruggen om treinen mee te evacueren, voldoende water en schoonmaakmiddelen om de trein mee te reinigen en misschien wel het belangrijkste onderdeel: de kleine cabine voorin, met twee bankjes en een tafeltje, waar de incidentenbestrijders samenkomen om na te praten. Er is een koffiezetapparaat, en een goedgevulde koelkast met blikjes fris en snacks.

Edwin Roos Hoefgeest, een stevige man van 53, stapt in. Net als John is hij algemeen leider. Edwin heeft vandaag uitrukdienst, hij moet er voor zorgen dat alle hulpdiensten veilig op het spoor kunnen werken en dat het treinverkeer zo snel mogelijk weer op gang komt. John gaat mee om te doen wat ze hier altijd doen als er een teamlid is die voor het eerst naar een aanrijding persoon gaat: begeleiden. Stapje voor stapje kan de nieuwkomer wennen aan het feit dat er een lijk ligt op zijn werkplek. In dit geval is John er niet voor een nieuw ploeglid, maar om mee te lopen met de verslaggever.

Ze moeten ver rijden dit keer, dik anderhalf uur geeft de TomTom aan. John trapt op het gaspedaal, de meter schiet de 140 voorbij. Op de plekken waar het verkeer vaststaat, zet hij zijn gele zwaailicht aan en rijdt hij over de vluchtstrook. Edwin is de hele rit aan het bellen.

Met de brandweer, die al ter plaatse is. ‘Kun jij iets zeggen over de fragmentatie van het slachtoffer?’

Met de politie. ‘Ik wilde zo een evacuatietrein die kant op sturen, kan dat?’ Het stuk spoor waar het incident heeft plaatsgevonden is nu officieel een plaats delict. Er mag geen treinverkeer overheen. De forensisch specialisten moeten eerst onderzoek doen. Intussen zitten er ook honderden passagiers vast in de trein. Die wil Edwin snel evacueren. Het liefst binnen een uur, maar in elk geval binnen twee uur. Dat is het doel dat ProRail zichzelf heeft gesteld.

Een medewerker van het team incidentenbestrijding van ProRail checkt de wagen. Beeld Marcel van den Bergh

Edwin belt met de monteurs die moeten controleren of er iets mis is met de spoorbomen. Dat is standaardprocedure bij een aanrijding op een overgang: er kan sprake zijn van een ongeluk. In dit geval is dat onwaarschijnlijk. De machinist heeft verklaard dat er iemand ‘pontificaal’ voor de trein ging staan. ‘Als jullie er over een uurtje zijn is dat vroeg genoeg’, zegt Edwin. ‘Wij zijn nog wel even bezig.’ Het komt er monter uit.

Edwin spreekt het eerste ploeglid dat ter plaatse is. Er loopt een fietspad langs het spoor, zegt hij, er moeten schermen geplaatst worden om te voorkomen dat toevallige voorbijgangers iets zien. In de trein zelf is altijd zeil aanwezig waarmee de machinist en de conducteur het stoffelijke overschot kunnen afdekken. Maar één stuk zeil is in dit geval niet genoeg.

Inzet op preventie

Hekwerken, cameratoezicht, ‘schriklichten’ die aangaan zodra iemand het spoor oploopt, speciale matten met punten die het moeilijk maken het spoor op te lopen – er is ProRail en de NS veel aan gelegen om suïcide op het spoor te voorkomen.

De aanrijdingen veroorzaken jaarlijks circa 1 miljoen verstoorde reizen. De gemiddelde financiële schade bedraagt 25 miljoen euro aan operationele kosten en 38 miljoen euro aan economische schade – kosten voor de hinder van de reiziger. Gemiddeld duurt het drie uur voor het incident is afgehandeld, blijkt uit cijfers van ProRail en de NS.

De incidentenbestrijders zetten ook in op preventie. Ze controleren op spoorlopers tijdens surveillances. Ze hebben een cursus ‘contact maken met suïcidale personen’ gevolgd. John maakte het twee keer mee. ‘Gelukkig maar twee keer’, zegt hij, ‘want het is heel aangrijpend.’

John zag een keer een meisje te dicht langs de treinrails lopen. Hij kon nauwelijks tot haar doordringen, ze was alleen maar aan het huilen. Hij wist haar weg te krijgen van het spoor. Twee politieagenten die toevallig in de buurt waren, namen haar mee. ‘Ik hoop dat ze hulp heeft gekregen’, zegt John ‘maar ik hoef niet te weten hoe het nu gaat.’

Afstand houden, dat is de beste manier om ermee om te gaan. De incidentenbestrijders mijden bewust persoonlijke details. Edwin zal later vandaag van de politie te horen krijgen wie het slachtoffer is. Maar op de terugweg naar Eindhoven, kan hij de details niet meer reproduceren. ‘Ik weet het echt niet meer’, zegt hij verbaasd. ‘Blijkbaar heb ik een soort filter voor dingen die ik niet wil weten.’

Dat lukt niet altijd. Soms komen er nabestaanden ter plaatse. Dat is het moeilijkst. ‘Dan neem je een stukje emotie mee’, zegt John. ‘Je hebt er bij die storten helemaal in. Het is godgeklaagd, wat je dan ziet.’

In de ruim tien jaar dat hij dit werk doet, heeft hij één keer een paar dagen thuis gezeten omdat het zelfs hem te gortig werd. Toen had hij er drie op één dag. Eerst de suïcide van een tiener. ‘De moeder kwam ter plaatse, helemaal in paniek.’ Meteen daar achteraan moest hij naar een ongeluk aan het spoor. Een bouwvakker was omgekomen. Ook daar was familie ter plaatse, vrouw en kind. Direct daarna kon hij door naar de derde. Opnieuw een aanrijding persoon, dit keer een kind van 12. ‘Het gaat jong hoor.’

Toen heeft John, die zelf ook kinderen heeft, gezegd: nu houdt het even op. ‘Ik ga er niet slecht van dromen of wat dan ook, maar nu wil ik even een paar dagen rust. Leuke dingen doen.’ Dat heeft hij gedaan en daarna kon hij weer verder.

Evacuatietrein

Ting, ting, ting. Het is 85 minuten na de melding en Edwin en John zijn zojuist aangekomen bij de spoorwegovergang. De gesloten spoorbomen klingelen, de evacuatietrein staat op het punt weg te rijden.

De incidentenbestrijders die al ter plekke waren, hebben een zeil over de besmeurde voorkant van de trein gespannen om te voorkomen dat buitenstaanders daar iets van zien. Daarna heeft een machinist de evacuatietrein naast de uitgevallen trein gereden, de deuren precies tegenover elkaar. De incidentenbestrijders hebben loopbruggen geplaatst waarmee de passagiers over kunnen steken. Edwin is tevreden. De evacuatie is binnen twee uur volbracht, ze lopen op schema. De NS heeft intussen bussen ingezet om het stuk stilgevallen spoor te overbruggen.

Geel met rood, geel met groen, geel met blauw. Op de spoorwegovergang dragen alle veiligheidsdiensten een geel veiligheidshesje, ieder met andere kleuraccenten. Er wordt op schouders geklopt en er worden vrolijke begroetingen uitgewisseld. ‘Hé joch, hoe is ’t?’ Het calamiteitenwereldje is klein.

Een eindje verwijderd van de overweg staat een monteur van Strukton een sigaretje te roken. Hij moet de spoorbomen controleren. ‘Ik heb dit al meerdere malen meegemaakt’, zegt hij met een knikje naar de overweg. ‘Tot alles is opgeruimd, blijf ik mooi hier. Ik weet wat het met me doet.’

De spoorwegovergang is afgezet voor voorbijgangers. Er hangt een jas over het blauwe verkeersbord dat waarschuwt te wachten met oversteken tot het rode licht gedoofd is. Die moeten de begrafenisondernemers straks niet vergeten, zegt John. Mensen laten wel vaker wat achter. Soms leggen ze een identiteitskaart klaar, soms knopen ze hun hondje vast aan een boom in de buurt.

Als de forensische opsporingsdienst klaar is met onderzoek, mag er geruimd worden. Vlak langs het spoor trekken twee begrafenisondernemers, een man en een vrouw, van top tot teen in het zwart gekleed, blauwe plastic hoezen over hun schoenen. Van achter uit hun auto komt de kist.

De ploegleden van ProRail halen een stalen karretje uit een van hun wagens. De lijkenlorrie, zoals de incidentenbestrijders dit zelf ontwikkelde hulpstuk noemen, past precies op het spoor. De kist kan er bovenop. Dat scheelt heel wat sjouwwerk. En ’s avonds kunnen er lampen op accu bij.

Veel mensen denken dat bij een ‘aanrijding persoon’ het lichaam voor de trein ligt, zegt John. Maar het ligt er meestal achter, over honderden meters verspreid. Een ‘lang lijk’, noemen de incidentenbestrijders dat. Dit keer zijn het de begrafenisondernemers die met de lorrie en prikstokken het spoor op gaan, maar de incidentenbestrijders nemen die taak ook vaak op zich.

Zonder stoerdoenerij

Een gewone aanrijding laten zijn mensen vrij gemakkelijk van zich af glijden, maar een jong slachtoffer maakt altijd indruk. Nicky Smans is teamleider van team incidentenbestrijding Zuid. De voorbereiding op dit werk, zegt hij, begint bij het sollicitatiegesprek. ‘Ik leg tot in detail uit wat je te zien kunt krijgen en dan vraag ik: hoe denk je dat je daarmee omgaat?’

Als sollicitanten een introverte indruk maken, vindt de teamleider dat ‘tricky’. ‘Het is heel belangrijk dat je in dit werk open bent en kunt praten over wat je hebt meegemaakt.’ Aan stoerdoenerij hebben ze hier niets, dat zegt hij ook in het sollicitatiegesprek.

Nieuwe werknemers krijgen een training voor het verwerken van schokkende ervaringen. Elk incident wordt uitgebreid geëvalueerd. Heeft iemand het moeilijk gevonden? Ploegleiders houden hun mensen extra goed in de gaten.

Elke drie maanden krijgen de incidentenbestrijders een vragenlijst opgestuurd die hun veerkracht meet. In hoeverre hebben ze plezier in hun werk? Voelen ze zich nog gewaardeerd? En hoe gaat het thuis?

Er komen kleurcodes uit, alleen zichtbaar voor de mensen zelf. Bij groen gaat alles goed, bij oranje of rood kan er is iets aan de hand zijn. ‘Bij oranje krijg je de vraag: vind je het goed als we even met je bellen? Als het niet goed gaat dan kun je een verwijzing naar een psycholoog krijgen.’ Psychische hulp is trouwens voor alle incidentenbestrijders altijd beschikbaar.

Maar de allerbelangrijkste vorm van ondersteuning, zegt Nicky, dat doen de mensen zelf. ‘Dit is een hecht team, mensen stappen makkelijk op elkaar af.’ In de zes jaar dat hij hier zit, heeft hij nog nooit meegemaakt dat een van zijn mensen het werk te zwaar werd en uitviel.

John van Lierop, algemeen leider. Beeld Marcel van den Bergh

Ze zijn hier een beetje familie, zegt John. Dat zag je toen een paar jaar geleden een collega onverwachts overleed. ‘Iedereen kwam hier naartoe om bij elkaar te zijn. De ploeg uit Rotterdam belde: jongens, even niet meer werken nu, wij pakken alle incidenten op voor jullie.’

Dit is geen werk voor watjes, maar ook niet voor macho’s. De grotendeels mannelijke incidentenbestrijders pochen graag met spectaculaire ontsporingen die ze hebben meegemaakt, ze maken lugubere grappen over wat ze aantreffen op het spoor, maar ze houden elkaar ook goed in de gaten. Is een collega wat stiller, dan gaan ze even een bak koffie drinken. Gaat het nog goed? ‘Wij lijken keiharde mannen’, zegt Edwin, ‘maar we proberen elkaar aan te voelen.’

Het is misschien wel het beste te zien als John en Gerard Vervoort, die ook algemeen leider is, op een rustige middag op de uitvalsbasis vertellen over ‘gevalletje Oss’. Ook daar moesten de incidentenbestrijders op af: de aanrijding met een Stint vorig jaar, waarbij vier kinderen omkwamen.

Gerard had dienst die dag. ‘Dat klinkt gek’, zegt hij, ‘maar normaal heb je bij een melding zoiets van: yes, we gaan naar buiten. De tijd gaat lekker vlug.’ Het is een gevoel dat veel buitenwerkers hebben: ze doen dit werk om op pad te mogen, calamiteiten oplossen. Buiten spelen noemen ze dat. ‘Maar als je dan op weg bent en je hoort het verhaal, dan word je een stuk minder vrolijk.’

Tijdens het werk zelf zat hij in een ‘flow’, ‘dan ben je eigenlijk gewoon je ding aan het doen’. Na afloop heeft hij met zijn ploeg geëvalueerd. ‘Dan vraag je hoe iedereen het ervaren heeft. En je zegt eerlijk hoe je je voelt. Het heeft geen zin om stoer te doen, ze merken het toch wel aan me als het niet gaat.’

Gerard vertelt dat hij die avond de televisie uit heeft gelaten om het nieuws over Oss niet te hoeven zien. Hij vertelt over de vier halve liters bier die hij die avond dronk. Hoe goed dat smaakte en dat hij daarna lekker sliep. John lacht erom, maar daarna wordt hij serieus. Hij richt zich tot Gerard. ‘Bij jou kwam eigenlijk pas het besef toen wij een week later samen die kant op zijn gegaan.’

Die dag moest Gerard tijdens zijn dienst opnieuw naar Oss. ‘Af en toe kwamen de nabestaanden naar de overweg en dan was er meestal ook iemand van ons bij, uit respect.’ John, die op dat moment geen dienst had, is voor de zekerheid met hem meegegaan. Eigenlijk vond Gerard dat helemaal niet nodig, hij was toch al vaak genoeg terug geweest op een plaats van aanrijding? Maar John moest en zou mee. Gerard: ‘Toen we daar eenmaal liepen en het stond vol met bloemen en knuffels, en de families waren er, toen had ik toch wel zoiets van: hier word ik helemaal niet vrolijk van.’

Daarna is hij een poosje niet meer terug geweest bij die overweg. Dat snapte iedereen.

John: ‘Je hebt calamiteiten die vergeet je gewoon nooit meer. Iedereen heeft dat met bepaalde overwegen. Hier is dit gebeurd, daar is dat gebeurd. Niet dat je daar last van hebt, maar je vergeet het nooit meer.’

Edwin Roos Hoefgeest, algemeen leider. Beeld Marcel van den Bergh

Grappen maken moet

‘Hé John, wat denk je van een mobiele DJ booth?’ Edwin staat achter twee hekjes bij het spoor. Hij heeft op een van de hekjes het tablet gelegd waarop hij al zijn werkzaamheden bijhoudt en doet alsof het apparaat een plaat is. ‘Tjoef, tjoef, tjoef.’ John: ‘Ik zie het wel voor me. Alle ploegleiders say yeah, yeah. Politie to the left, brandweer to the right.’ Edwin: ‘Begrafenisondernemer in da house!’

Alle incidentenbestrijders zeggen het: grappen maken moet. Om de ellende een beetje van zich af te schudden, om afstand te houden. Op locatie houden ze het discreet, nabestaanden moeten ze niet zien lachen. Maar op de uitvalbasis is het vaak een vrolijke boel. John loopt meestal met een brede grijns door de gangen. Elke collega die hij passeert, krijgt een grap toegeworpen.

Tegen de altijd vrolijke schoonmaakster: ‘Lach nou toch eens.’

Tegen een oudere collega: ‘Ik denk: wat sneeuwt het buiten, maar dat is gewoon je eigen haarkleur.’

En als zijn dienst erop zit, tegen niemand in het bijzonder: ‘Als je nog vragen hebt, stel ze dan vooral niet aan mij.’

Het is 2 uur en 27 minuten na de melding van het incident. De trein is schoon en gerepareerd, het spoor is bijna klaar. De politie heeft de plaats delict vrijgegeven. Edwin heeft zojuist afgesproken dat over drie kwartier de eerste trein weer over het spoor kan rijden.

De incidentenbestrijders spuiten het laatste stuk spoor schoon. Ze dragen witte pakken en een masker. Als een van hen, een blonde jongen, even later het masker van zijn gezicht haalt, is het kletsnat van het zweet. Dit was zijn eerste aanrijding, zegt hij.

Het komt terug tijdens de evaluatie, drie kwartier later. De eerste goederentreinen denderen voorbij en de ploegleden staan in een kringetje rond hun vrachtwagen. De vrachtwagenchauffeur heeft koffie gezet. Er worden blikjes cola opengetrokken en snickers uitgedeeld.

Gerard Vervoort, algemeen leider. Beeld Marcel van den Bergh

‘Nu we hier toch staan, zullen we gelijk even een evaluatie houden?’, zegt de ploegleider. Hij gaat de kring rond. De mannen sommen op wat ze gedaan hebben. ‘Het ging super’, klinkt het. ‘De evacuatie liep als een speer.’

‘Toen ik aankwam, was eigenlijk alles al gebeurd’, zegt de jongen die voor het eerst is ingezet enigszins teleurgesteld. ‘Ik hoefde alleen nog maar schoon te maken en dat verliep prima eigenlijk.’ Hoe vond hij het om dat te doen, wil de ploegleider weten. ‘Had je geen rare gedachten? Geen gekke dingen?’ ‘Nee hoor, gewoon prima m’n werk gedaan.’ John: ‘Als er wel iets is, meld het op tijd bij je ploegleider. Je hoeft geen grote jongen uit te hangen, dat slaat nergens op.’ De jongen knikt.

Als de laatste man aan de beurt is voor de evaluatie, rinkelt een telefoon. Een van de mannen neemt op en loopt weg. Als hij even later ophangt, kijkt de groep hem vragend aan. ‘Sorry jongens, we moeten stoppen.’ Er is een melding binnengekomen van een suïcidaal persoon op het spoor, zegt hij. ‘We moeten er nu naartoe.’ En weg zijn ze, naar de plek waar een tiener op het spoor gesignaleerd is. Twee overgangen verderop.

Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij de crisislijn van 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0900-0113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl.

Incidentenbestrijding

De afdeling incidentenbestrijding bij ProRail telt 201 medewerkers. In 2018 kwamen er 5.502 keer alarmeringen binnen en rukten de incidentenbestrijders 1.262 keer uit. Meer dan de helft van de meldingen betrof defecte treinen. Het aantal zelfdodingen op het spoor schommelt de laatste jaren rond de 220 per jaar, vorig jaar was dat aantal lager: 194.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.