Vijand Castro liet verhalen swingen

Cabrera Infante was Cuba's literaire legende en bekendste intellectuele tegenstander van Castro. Zijn verhalen waren, geschreven in ballingschap, in melancholie bevroren....

Cees Zoon

Guillermo Cabrera Infante was 'de laatste grote legende van de Cubaanse literatuur van de 20ste eeuw', in de woorden van zijn landgenoot en collega-schrijver Eliseo Alberto. Maar hij was ook de bekendste intellectuele vijand van Fidel Castro. Maandagavond overleed hij op 75-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Londen, waar hij al veertig jaar in ballingschap woonde.

Cabrera Infante vestigde zijn naam in 1967, toen zijn roman Tres tristes tigres (Drie droeve tijgers) een belangrijke Spaanse prijs kreeg. Vanaf dat moment werd hij in één adem genoemd met generatiegenoten als García Márquez, Vargas Llosa en Fuentes, die in de jaren zestig de Latijnsamerikaanse literatuur een ongekende faam en populariteit bezorgden.

Hoewel hij vrijwel zijn hele oeuvre van enkele tientallen boeken ver van Cuba schreef, bleef Cabrera Infante een door en door Cubaans schrijver. De meeste van zijn romans en verhalen (met als hoogtepunten Havana voor een gestorven prins en Misdrijf van het dansen van de chachacha) spelen in het Havana van de jaren veertig en vijftig, alsof die stad en die tijd door zijn ballingschap in melancholie bevroren waren.

Cabrera Infante schreef literatuur die swingt op de maten van de Cubaanse muziek, waarover hij ook tal van essays publiceerde. Hij was 'de man die het ritme van het Cubaanse Spaans in de literatuur introduceerde', zei zijn Spaanse uitgever Juan Cruz. Zijn stijl was grillig en vol tempowisselingen. Dat eigen geluid bracht hem in 1997 de Cervantesprijs, de Nobelprijs voor Spaanstalige literatuur.

Hij begon zijn carriere als filmcriticus, een bezigheid die hij nooit opgaf. Zijn kritieken zijn bijeengebracht in verscheidene bundels. Maar Cabrera Infante beperkte zich niet tot het geven van zijn mening over het filmwerk van anderen. Hij schreef een aantal scenarios waaronder de filmversie van de 'onverfilmbare' roman Under the volcano van de Britse schrijver Malcolm Lowry.

Cabrera Infantes ouders waren medeoprichters van de communistische partij. Zijn eerste geschriften tijdens de dictatuur van generaal Batista in de jaren vijftig deden hem in de gevangenis belanden. Na de overwinning van de guerrilla van Fidel Castro in 1959 koos Cabrera Infante de zijde van de Cubaanse Revolutie. Eerst werd hij directeur van de Nationale Raad voor de Cultuur en vervolgens cultureel attaché op de Cubaanse ambassade in Brussel.

Hij kwam echter al snel in conflict met Castro. Zijn broer Sabá maakte een film die door de autoriteiten tot contrarevolutionair werd gestempeld, en omdat Guillermo hem verdedigde vanaf de pagina's van een cultureel blad, werd dit opgeheven. De definitieve breuk kwam in 1965, toen Cabrera Infante door de geheime dienst werd aangehouden. Na zijn vrijlating vluchtte hij naar Londen waar hij politiek asiel kreeg.

Vanaf zijn vertrek van het eiland ageerde hij onophoudelijk tegen het regime, in furieus en vaak geestig scheldproza. Carbrera liet geen kans lopen zich in de internationale discussie over Cuba te mengen. Zijn politieke artikelen bundelde hij in 1991 in Mea Cuba. Dat boek is evenals zijn overige werk verboden in Cuba, maar circuleert klandestien op grote schaal.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden