Vier wegen voor de toekomst

Yvonne Doorduyn en Xander van Uffelen

De overheid kan grofweg vier wegen inslaan: doorgaan op de oude weg en de kaasschaaf hanteren, de markt vrij spel geven in een ministelsel, eenvoud laten prevaleren met een basisinkomen voor iedereen, of burgers zelf laten sparen voor hun eigen sociale zekerheid. Een jury van vijf deskundigen heeft zich over deze modellen gebogen, en geeft aan welke kant het op zou moeten aan de hand van tien factoren. Ze moesten daarbij aangeven hoe zwaar deze factoren, of doelstellingen, wegen. Hun eindoordeel dient als beginpunt voor een discussie in de krant. Lezers kunnen op internet zelf de flipperkast van de sociale zekerheid bedienen. Door een voorkeur van factoren en modellen in te vullen, rolt het systeem van hun keuze eruit.

Alternatieven:

  • Kaasschaaf

    Met de kaasschaafmethode borduurt de overheid voort op de huidige sociale zekerheid. Om dit ingewikkelde bouwsel van WW, WAO en bijstand betaalbaar te houden, moet de overheid met de kaasschaaf bezuinigen. Daarbij kunnen de uitkeringen verder worden uitgekleed, of de toegangseisen voor een uitkering worden verzwaard. Ook kan de duur van een uitkering worden bekort.

    Bij de kaasschaaf wijzigt de overheid de historisch gegroeide regels niet rigoureus. Door een strenger keurings- en sanctiebeleid tracht de overheid de uitkering alleen te verstrekken aan burgers die deze echt nodig hebben. Dit kan leiden tot meer bureaucratie en aantasting van de privacy.

  • Spaarpotje

    Bij het individuele spaarpotje sparen burgers voor hun eigen sociale zekerheid. Elke Nederlander heeft een eigen spaarpot die beheerd wordt door de overheid. Een burger moet het potje aanspreken bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Wie geen geld meer heeft, ontvangt een ruwe vorm van bijstand, maar moet wel beschikbaar zijn om klussen voor de maatschappij te verrichten. De overheid kan individuele spaarpremies opleggen. In dit systeem dragen burgers meer verantwoordelijkheid. Met een solidariteitsbelasting vullen burgers de schatkist voor publieke doelen. Dit systeem kan leiden tot meer onzekerheid over het inkomen. Het rendement is hoger, maar de risico's evenzeer.

  • Basisinkomen

    Bij het basisinkomen prevaleert de eenvoud. Bij dit systeem krijgen alle burgers een vast bedrag, ongeacht hun inkomen, vermogen of samenlevingsvorm. De overheid verstrekt het inkomen, bijvoorbeeld 600 euro per maand. Burgers zijn vrij om het geld te besteden. De bedoeling is dat alle Nederlanders met het basisinkomen op eigen benen kunnen staan. Voor schrijnende gevallen, zoals gehandicapten, is er eventueel een aanvullende uitkering. Wie een baan accepteert, mag al zijn extra verdiensten behouden, om de armoedeval te voorkomen. Werknemers moeten met belasting het basisinkomen betalen. De lastendruk van belasting en premies zal vermoedelijk aan de hoge kant zijn.

  • Ministelsel

    In het ministelsel krijgt de markt vrij spel. In deze uitgeklede versie van het sociale-zekerheidsstelsel biedt de overheid burgers een minimaal vangnet. Werklozen en arbeidsongeschikten krijgen hooguit een uitkering op bijstandniveau. Ze moeten voor die uitkering wel aan dezelfde eisen blijven voldoen. Burgers kunnen zich daarnaast bij verzekeringsmaatschappijen privaat indekken tegen de risico's van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Ook sociale partners zullen een deel van de sociale zekerheid op zich nemen door in CAO's bepaalde voorzieningen te treffen. De optelsom van overheidssteun, afspraken tussen sociale partners en individueel bijverzekeren kan leiden tot dubbel verzekeren.


    Tien factoren

    Elk model heeft zijn voor- en nadelen. Aan de hand van tien factoren brengt de jury in beeld wat de effecten zijn van de verschillende sociale stelsels. Bij een positief effect krijgt een factor een plus, bij een negatief effect een min. Als er geen effect is, deelt de jury een nul uit. Politici en beleidsmakers kunnen aan de hand van deze checklist beter keuzes maken. De één kan bijvoorbeeld kiezen voor een stelsel dat de groei stimuleert, terwijl de ander juist de privacy wil beschermen. Over de volgende tien factoren hebben de juryleden zich gebogen:

  • Economische groei
    Mate waarin de groei wordt bevorderd. Hoe meer groei, hoe beter.
  • Haalbaarheid
    Mate waarin het systeem door politici door te voeren valt. Hoe sneller haalbaar, hoe beter.
  • Solidariteit
    Mate waarin deelnemers meebetalen aan het systeem van sociale zekerheid. Hoe meer solidariteit, hoe beter.
  • Financiële zekerheid
    Mate waarin deelnemers zekerheid hebben over hun inkomen. Hoe meer zekerheid, hoe beter.
  • Eerlijk gedrag
    Mate waarin deelnemers geprikkeld worden zich eerlijk te gedragen. Hoe eerlijker het gedrag, hoe beter.
  • Participatie
    Mate waarin de beroepsbevolking een baan heeft. Hoe meer participatie, hoe beter.
  • Uitvoerbaarheid
    Mate waarin de overheid de regels kan uitvoeren. Hoe eenvoudiger uitvoerbaar, hoe beter.
  • Privacybescherming
    Mate waarin burgers bescherming van hun privacy krijgen. Hoe meer bescherming van de privacy, hoe beter.
  • Keuzevrijheid
    Mate waarin burgers zelf kunnen kiezen. Hoe meer keuzevrijheid, hoe beter.
  • Maatwerk
    Mate waarin het systeem aansluit op de diversiteit van de samenleving. Hoe meer maatwerk, hoe beter.

  • Meer over

    Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

    Tip hier onze journalisten


    Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
    Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
    © 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden