Vier vijf mei

Zijn wij in de ban van goed en fout, vroeg Hans Blom zich af. Jazeker, zonder de oorlog is volksopvoeding een onbegonnen zaak....

Martin Sommer

Niod-directeur Hans Blom nam vorige week afscheid voor een bomvolle aula in Amsterdam. In zijn rede hernam hij de stelling waarmee hij 25 jaar geleden als hoogleraar geschiedenis begon: is de Nederlandse geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog in de ban van goed en fout? Lou de Jong had zijn levenswerk geschreven in een toonsoort van collaboratie en verzet, helden en schurken. Blom vond in 1983 dat het tijd werd voor een andersoortige geschiedenis van de oorlog. Afstandelijker, analytischer, een bede die sindsdien met regelmaat werd herhaald en bevestigd, en die inmiddels voor elke universiteitshistoricus vanzelf spreekt (Forum, 20 april).

Gek genoeg ging de samenleving in de tussentijd precies de andere kant op. De oorlog wás al de toetssteen in de meeste disputen over wat betaamt en wat niet. Ik zou denken dat dat sinds Blom zijn oratie hield, alleen nog maar is toegenomen. 4 mei voor de echte doden op de Dam, 5 mei voor alles wat met mensenrechten, discriminatie, emancipatie en vrijheid te maken heeft. Om eens te zien hoe dat in de praktijk toegaat, bezocht ik het Spinoza Lyceum in welvarend Amsterdam-Zuid, een vrolijke multicultischool waar de tent van het bevrijdingsfestival van het Comité 4 en 5 mei deze week was neergestreken.

Een clownachtig type met een namaakbontjas tot op de grond hield de tent open, een brugklas mavo stond te wachten tot ze op het minitribunetje mochten. Het clownachtige type vroeg wat 4 mei is. Dan ben ik jarig, zei een Marokkaanse jongen. Koninginnedag misschien? Nee, dan herdenken we de doden. En 5 mei? Ja, Bevrijdingsdag. Binnen deed de bontjas een eenmansshow die een uur duurde. Wij in Amsterdam hebben een muur om ons hart, en die muur moet afgebroken, luidt de samenvatting. Dat klinkt nogal zoetsappig, maar in dat uur raakte ik onder de indruk, net als die kinderen trouwens. Heel wat pijnlijke vragen kwamen voorbij. Wat doe je als een meisje wordt lastiggevallen in de tram, hoe ga je om met mensen die kutMarokkanen zeggen, en wat als iemand in je klas homo blijkt te zijn? Gegiechel. ‘Dat is in de islam misschien verboden maar hier denken we daar anders over, dan moet je je maar aanpassen.’

Het ging in razende vaart, er was een quizje, de kinderen waren ademloos en de leraar geschiedenis ook. Het is voor een school moeilijk vorm te geven aan dit soort kwesties, erkende de leraar. Hij is blij met de tent. Drie weken reist de show nu rond. Dit is een gemakkelijke school, zei toneelspeler Jasper Klein Klouwenberg. Ze zijn ook op het Mondriaan College geweest van Mohammed B. Daar wordt tegenwoordig op elke verdieping in uniform gepatrouilleerd. Af en toe komt toneelspeler Jasper er echt niet door bij die jongens. Ze roepen, 4 mei, dan lig ik in me bed. 5 mei ook. Het vervelendst was de jongen die antwoordde op de vraag wat je doet als een meisje wordt lastiggevallen in de tram: wat is het voor meisje.

Voor de scholen lijkt mij die tent een soort strohalm. Je hoeft niet te horen over jongens die doodgeslagen worden, om te weten dat ouders steeds meer afschuiven. Die school moet de opvoeding overnemen, en dan is zo’n Tweede Wereldoorlog niet zozeer een handige morele kapstok alswel bittere noodzaak. In de rede van Blom heette die nationale peilstok van goed en kwaad een ‘schragende nationale herinnering’. Maar veel meer dan die oorlog hebben we kennelijk niet.

Wat we met 4 en 5 mei aanmoeten, is onderwerp van een oud debat. De symboliek van de oorlog moet je niet eindeloos oprekken, zeggen de fijnen, vaak historici. Auschwitz was uniek en alles wat je daar verder mee doet, kan de herinnering alleen maar verdunnen. Ik kan het me voorstellen, zeker als er uitgerekend op 5 mei een Palestijnse conferentie over ‘het recht op terugkeer’ wordt belegd. Daar staat tegenover dat juist bij het grote publiek de belangstelling voor de morele kant van de oorlog onverminderd groot blijft. En ook en vooral dat de overheid zélf met alle kracht bezig is om via Postbus 51 en al die Comités de oorlogsherinnering om te bouwen tot een permanent vermaan. Mij lijkt het raar dat professionele historici zich daarvan met de neus omhoog afwenden.

Wat draagt het bij aan de kennis als wij het verleden de maat blijven nemen? Dat is de kernvraag van Blom. Misschien wel niks, zou ik zeggen, maar je hebt er nu eenmaal mee te maken. Een voorbeeld. Het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden is momenteel boos omdat premier Balkenende niet zelf wil verschijnen op de herdenking van de afschaffing van de slavernij. Ik denk dat de premier aan zijn water voelt dat die herdenking gaat uitdraaien op een financiële eis in verband met schuld & boete. Wat moeten we daarmee? Bij het beantwoorden van die vraag zullen historici, of ze willen of niet, toch een rol moeten spelen.

Er zijn mensen die denken dat de oorlog als metafoor een taboe aan het worden is. Dat is mij dan ontgaan – als ik me niet vergis, was het nog geen jaar geleden dat Huub Oosterhuis, Klaas de Vries en Ed. van Thijn onafhankelijk van elkaar de vergelijking maakten van Rita Verdonk en haar asielbeleid met de deportatie van de joden. Dáár had ik nou Hans Blom wel eens over willen horen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden