Vetes tussen 'tejps' zullen oplaaien zodra de Russische vijand vertrekt Tsjetsjenen vervreemden zich van buurvolken

Ruim een jaar geleden hees het federale leger na weken van zware strijd de Russische vlag op de 'Reichstag' in Grozny, het paleis van president Doedajev in het kapotgeschoten centrum van de Tsjetsjeense hoofdstad....

Van onze correspondent

Bert Lanting

GROZNY

Het lijkt erop dat de Russische autoriteiten zich erbij hebben neergelegd dat het een lange oorlog wordt, net als in de vorige eeuw, toen de bergvolken van de Kaukasus meer dan 35 jaar lang standhielden tegen het tsaristische leger. Grozny, ooit begonnen als een Russisch fort, is weer in een groot legerkamp veranderd. Tussen de ruïnes stuit je op met prikkeldraad en mijnen omgeven legerbases, die door groezelige en nerveuze militairen worden bewaakt.

De Russische troepen durven zich alleen overdag op straat te vertonen. Als het donker wordt, trekken ze zich achter de muren van hun bases terug. Zodra ze iets zien bewegen, beginnen ze in het wilde om zich heen te schieten. De vijand zit immers overal.

De Tsjetsjeense bevolking is diep verbitterd over het optreden van de Russische troepen, die willekeurig mensen arresteren en van iedere automobilist die de stad in of uit wil geld eisen. De haat tegen de 'bezetters' neemt steeds meer toe.

Er mag dan kritiek zijn op de jongste gijzelingsactie in Kizljar - waarom moest Radoejev een ziekenhuis uitkiezen als doelwit? -, maar veel Tsjetsjenen hebben heimelijk bewondering voor de jonge terroristen die de oorlog naar Rusland proberen te verleggen.

Een veeg teken is dat zelfs de stemming onder de medewerkers van de door Moskou geïnstalleerde regering van Dokoe Zavgajev sterk anti-Russisch is. Functionarissen van de nieuwe Tsjetsjeense regering klagen dat zij geen enkele invloed hebben: de feitelijke macht ligt bij de leiding van de federale troepen.

Zolang er ook maar één Russische militair in Tsjetsjenië blijft, zal het nooit vrede worden, verzekeren de Tsjetsjenen zelf, en dat lijkt niet overdreven. Maar als de Russische troepen zich terugtrekken, zo voorspellen kenners van het gebied, zal er meteen een strijd tussen de Tsjetsjenen onderling uitbarsten.

De rivaliteit tussen de verschillende clans of 'tejps' zoals ze in Tsjetsjenië genoemd worden, is nu wat naar de achtergrond gedrongen door de aanwezigheid van de gezamenlijke vijand. Maar zodra die weg is, zullen de vetes tussen de tejps oplaaien in de van wapens verzadigde Kaukasusrepubliek.

Anders dan in de vorige eeuw, toen de hele Kaukasus in brand stond, heeft het conflict zich tot nog toe tot Tsjetsjenië beperkt. Aan het begin van de oorlog leek het erop dat de Confederatie van Bergvolken van de Kaukasus - een soort solidariteitsvereniging voor de kleine Kaukasische volken - zich in het conflict zou mengen, maar de 'tienduizenden' vrijwilligers die de Confederatie toezegde, bleven uit. Dat was een zware tegenvaller voor de Tsjetsjenen, die eerder wel via de Confederatie vrijwilligers naar Abchazië hadden gestuurd om de opstandige Abchazen te helpen in hun strijd zich los te maken van Georgië. De Tsjetsjeense vrijwilligers-eenheid die in Abchazië vocht, stond onder leiding van Sjamil Basajev, die later bekendheid zou krijgen als leider van de gijzelingsactie in Boedjonnovsk.

Ook de Ingoesjen, het broedervolk van de Tsjetsjenen, hielden zich buiten het conflict. De Ingoesjen woonden tot 1991 in één republiek met de Tsjetsjenen, maar kozen ervoor om bij Rusland te blijven toen Doedajev de onafhankelijkheid proclameerde.

De Ingoesjen koesteren een diepe wrok tegen Moskou: net als de Tsjetsjenen en een aantal andere Kaukasusvolkjes werden zij in 1944 en masse gedeporteerd naar Centraal-Azië. Een belangrijk motief Moskou trouw te blijven op het moment dat Tsjetsjenië zich afscheidde, was dat de Ingoesjische leiders op de hulp van president Jeltsin hoopten bij het terugkrijgen van de gebieden die zij aan het naburige Noord- Ossetië waren kwijtgeraakt.

Het zou allemaal echter heel anders lopen. In oktober 1992 werden tienduizenden Ingoesjen door de Osseten uit het omstreden gebied bij de hoofdstad Vladikavkaz verdreven onder het oog (en volgens de Ingoesjen zelfs met de hulp van) het Russische leger. Veel Ingoesjen waren teleurgesteld dat Tsjetsjenië hen niet te hulp was geschoten.

Toen eind 1994 de Russische troepen Tsjetsjenië binnenvielen, voelden de Ingoesjen zich dan ook niet geroepen Doedajev te hulp te komen. Op de eerste dag van de oorlog probeerden Ingoesjische demonstranten wel op vreedzame wijze de Russische militaire kolonnes tegen te houden. Maar ondanks de oproepen van Doedajev aan de Kaukasische broedervolken samen de strijd aan te binden tegen het Russische leger, namen de Ingoesjen niet de wapens op.

De kans dat de oorlog zal overslaan naar Dagestan, is ook tamelijk gering. Een paar jaar geleden leek deze republiek de kant van Tsjetsjenië op te gaan, toen er een afscheidingsbeweging opdook onder de naam 'Sjamil-front'. Imam Sjamil was de legendarische vrijheidsstrijder onder wiens leiding de bergvolken in de vorige eeuw tegen de Russische indringers streden.

Maar het 'Sjamil-front', dat onder leiding staat van een schimmige zakenman uit Chazavjoert, kreeg nauwelijks voet aan de grond. De voornaamste handicap van de beweging was dat het toch vooral een organisatie bleek die voor de belangen van de Avaren opkwam. Dat wekte juist weerstand bij de tientallen andere bergvolken die in Dagestan leven.

Dankzij de goede banden met de Dagestanen hebben de Tsjetsjeense strijders de republiek wel kunnen gebruiken als aanvoerroute voor wapens en munitie. Maar de Kaukasische solidariteit heeft een flinke deuk opgelopen door de gijzelingsactie van Radoejev in Dagestan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden