Verzot op rust en regelmaat, wars van volwassenheid

Als kind wilde hij maar niet volwassen worden en als volwassene even-min. Het leverde hem de 'Nobelprijs voor kinder-literatuur' op. 'De meeste kinderen weten dat dieren kunnen praten.'

Guus Kuijer is geboren in Amsterdam, in het oorlogsjaar 1942. Hij was de vijfde van zes kinderen, ze woonden aan de Apollolaan, dat was ook toen behoorlijk op stand. Meestal zoeken kunstenaars-in-de-dop de grote stad op. Dat is goed voor de inspiratie, zeggen ze dan. Kuijer ontvluchtte de stad zodra hij kon. Hij woont al decennia in dorpen, teruggetrokken. Eerst diep in de Achterhoek, later in Schermer, een polder in Noord-Holland. Verre namen hebben die dorpen, Terborg, Varsselder, Driehuizen.


Autorijden doet hij niet, uit principe niet. Signeersessies heeft hij achter zich gelaten. Interviews evenzeer. Hij voelt 'een heftige weerzin' tegen boekenprogramma's op de tv. Al in 1979 zei Kuijer over het leven van zijn vrouw en hem: 'We streven naar een steeds grotere eenzaamheid.'


Op 28 mei wordt hij verwacht in het Concertgebouw van Stockholm. Dat zal niet meevallen. Het zal er vol zitten met lui uit de hele wereld die de glorie zingen van zijn schrijverschap, zijn respect voor kinderen, zijn zachte humor. De camera's zullen flitsen en zijn verlegenheid rauw registreren.


Voor Madelief en Polleke en zijn andere kinderboeken heeft hij in het verleden al tal van nationale prijzen gewonnen, waaronder Gouden Griffels en de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur. Daar is nu het hoogste van het hoogste bijgekomen, de Astrid Lindgren Memorial Award, algemeen beschouwd als de Nobelprijs voor kinderliteratuur. Allicht voelt hij zich gestreeld. Maar nu snel weer terug alsjeblieft naar de rust en de regelmaat. Op 20 maart hoorde de wereld van zijn prijs. Op 21 maart twitterde hij rond: 'Dat was een lekkere, rustige lentedag gisteren. Fijn in de tuin gewerkt. Telefoon uitgezet. Heerlijk rustig.'


En dan te bedenken dat Guus Kuijer slechts bij toeval schrijver is geworden van kinderboeken. In het begin van zijn carrière, vanaf 1971, schreef hij boeken voor volwassenen, twee verhalenbundels en een roman. De kritieken waren welwillend, maar niemand las zijn werk. Hij dreigde vergeten te worden nog voordat het publiek wist wie hij was; toen is hij kinderboeken gaan schrijven. De kachel moest tenslotte branden en kinderboeken krijgen meer recensies en halen dubbele oplagen. Zo is in 1975 zijn eerste Madeliefboek ontstaan. En zo is het gekomen dat hij eind mei in Zweden die hoge onderscheiding mag gaan ophalen. Misschien is dat laatste wat kort door de bocht.


Kinderboeken is hij ook gaan schrijven omdat hij af wilde van de mooischrijverij, de literaire bla-bla in zijn verhalenbundels en roman. Wie voor kinderen schrijft, schrijft summier. Geen bombast, maar eenvoud. Denk niet dat het gemakkelijk is.


Hij kan lang naar buiten turen voordat hij een zin te pakken heeft die deugt. Ook prikt hij papiertjes op de muur van zijn werkkamer met varianten van een en dezelfde zin. Welke is de beste? Als hij aan het eind van de dag driehonderd woorden verder is, was het een goeie dag.


Die eerste boeken van hem zuchtten onder zwaarmoedigheid. Het had alles te maken met zijn eigen gesteldheid in het begin van de jaren zeventig. Hij heeft er in het literair tijdschrift Bzzlletin een keer iets over gezegd, dat hij in een toestand terecht was gekomen waarin hij dacht: ik ben helemaal niets, ik ben hol, ik heb geen identiteit, ik ben niemand.


Hij leefde in angst. Waarvoor wist hij niet. Angst is sowieso een vaag ding. Hij had een enorme behoefte zich terug te trekken, uit de bedreigingen. Welke bedreigingen wist hij niet.


Hij was in 1967 onderwijzer geworden op een schooltje in Didam, de Albert Schweitzerschool. Het was een school met twee onderwijzers, hij had klas 1, 2 en 3. Het hield hem nog enigszins bij het dagelijks leven. Meester, dat was hij.


Maar thuis in Terborg wist hij niet wat hij was. Hij sloot zich op. 'Ik probeer helemaal alleen te leven', zei hij in 1971. Hij werd in het dorp als een zonderling gezien, als een idioot. Hij kende niemand, niemand kende hem. Hij heeft een paar jaar de overgordijnen van zijn huis dichtgehouden, dag en nacht. Het liefst had hij zijn huis willen dichtspijkeren. Letterlijk.


Zoiets valt niet goed in een kleine gemeenschap in de Achterhoek. Hij deed niet mee. Dat begrepen ze niet. Op een kwade dag hebben ze zijn huis in de hens gezet. Petroleum over zijn bed en de vlam erin.


Aan de Apollolaan, in het ouderlijk huis in Amsterdam, woonde hij ook in zichzelf. Zijn ouders hoorden bij de Katholiek Apostolische Gemeente. Zijn vader was een belangrijk man binnen de kerk. De kinderen kregen een intensieve protestantse opvoeding; aan tafel werd zwaar uit de bijbel gelezen. 'Mijn vader had God lief boven mij, dat heeft hij ook altijd gezegd. Ook boven zijn vrouw.'


Op school en thuis was hij braaf. Hij verzette zich nooit. Hij had zijn aquarium en zijn liefde voor de jazz. Hij had een abonnement op Artis. Daar kwam hij elke zondag, ook in de winter. 'Tussen de dieren voelde ik me nooit alleen.'


Op school hield hij gewoon op met leren. Meestal behoorde hij tot de slechtsten van de klas. Hij is drie keer blijven zitten. Niet omdat hij lui was of dom, maar omdat hij andere dingen interessanter vond. Van algebra hield hij niet. Maar over tropische vissen kon je hem van alles vragen.


Hij heeft aan de schrijver Jan Brokken een mooi verhaal verteld over ouders en kinderen en de zijns inziens fundamenteel verstoorde relatie tussen die twee werelden. Guus Kuijer was zes en verliefd op de juf. Zij kon onder het vertellen van een verhaal uit de bijbel haar hand zo mooi in de V-hals van haar truitje laten glijden. Het maakte hem verliefd tot over zijn oren. Hij wist zeker dat hij er niet mee hoefde thuis te komen.


Hij moest een test doen op het Amsterdams Pedagogisch Instituut. In het rapport schreef professor Waterink die behalve pedagoog ook gereformeerd predikant was, dat de kleine Guus niet volwassen wilde worden.


Zijn ouders stuurden hem naar een internaat in Zutphen. Samen met elf andere moeilijke jongens was hij als 16-jarige ondergebracht in Huize Parkzicht. De leiding was in handen van een gereformeerd echtpaar dat drillen tot de hoofdtaak rekende. Hij heeft er definitief zijn afkeer van pedagogen opgedaan.


Op zaterdag- en zondagmiddag waren de jongens vrij, van twee tot vier. Ze mochten Zutphen in, maar in hun schaduw liep de directeur mee. Hij vluchtte weleens een katholieke kerk in om alleen te kunnen zijn. Jaren later kon hij er nog van dromen dat hij de vrouw van Huize Parkzicht vermoordde.


Hij wilde niet volwassen worden, aldus professor Waterink. Dat was ook zo. Hij is zich vanaf zijn zestiende gaan aanpassen. Je kunt ook zeggen: hij capituleerde. Het maakte hem paranoïde.


Hij heeft zijn kinderboeken altijd gezien als onderdeel van zijn persoonlijke ontwikkeling. In 1980, hij was al hoog en droog een beroemd kinderboekenschrijver, publiceerde hij een verzameling van acht essays onder de titel Het geminachte kind. Kinderen worden geknecht, betoogde hij; hun territorium is hun letterlijk ontnomen. Let er maar eens op. Zolderplekjes, de donkere hoekjes onder de trap, hooibergen, een straat om te knikkeren - het is allemaal verdwenen.


De opstellen waren een filippica tegen de volwassenheid. Zijn verhaal, zijn woede is dat kinderen in een mal worden gedouwd. Ze worden gekolonialiseerd. 'We zijn ontzettend bang voor de individualiteit van kinderen.' Ze moeten passen in het beeld van de ouders. Die willen een duplicaat van wat zij zelf zijn. Dat noemen we volwassen worden.


Hij heeft het altijd veracht, als maatschappelijke opvatting en als lot dat hemzelf trof. Dit maakt voor hem het verschil: 'Een kind weet dat het onwetend is, maar wil heel graag weten. Volwassenen weten dingen. Punt uit. Volwassenen zijn mensen die niet meer willen weten. Dat tref je bij kinderen haast nooit aan. En als je het aantreft dan kun je er donder op zeggen dat dat kind heel erg in de problemen zit.'


Een leven lang niet volwassen, dat is de drijfveer. Aan het slot van Olle, een boek uit 1990 over zijn mens geworden airedaleterriër richt hij zich rechtstreeks tot zijn lezers. Hem wordt vaak gevraagd, schrijft hij, waarom hij auteur is geworden van kinderboeken. Het flauwe antwoord luidt dat het leuk is om voor kinderen te schrijven. Het echte antwoord is dat je sommige verhalen alleen aan kinderen kunt vertellen. Bijvoorbeeld het verhaal over de pratende hond Olle. 'Met dat verhaal kan ik bij grote mensen niet aankomen. Bij kinderen zit dat anders. De meeste kinderen weten dat dieren kunnen praten. Je moet alleen heel goed naar ze luisteren, anders merk je het niet.'


1942 Geboren in Amsterdam

1967 Onderwijzer in Didam

1971 Debuut als schrijver met Rose, met de vrome wimpers

1973 Professioneel schrijver

1975 Eerste Madeliefboek, Met de poppen gooien

1976 Eerste Gouden Griffel

1979 Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur

1980 Het geminachte kind, essays

2004 Het boek van alle dingen, aangemerkt als zijn beste boek

2011 Draaikonten en haatblaffers

2012 Astrid Lindgren Memorial Award

GUUS KUIJER WOONT MET ZIJN VROUW IN SCHERMER, NOORD-HOLLAND.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden