Verwacht van Hu Jintao geen wonderen

Hebben de mensenrechten in China een duwtje in de goede richting gekregen met het bezoek van Hu Jintao aan Barack Obama? Die indruk kan worden gewekt door de opmerking van de Chinese leider in Washington dat 'er nog een hoop dient te gebeuren in China als het gaat om mensenrechten'.


Er zit zeker een hoopgevende kant aan deze vaststelling van de leider van de tweede economie ter wereld. Chinese leiders hebben zoveel zelfvertrouwen dat ze ten overstaan van de buitenwereld in ieder geval erkennen dat er volop werk aan de winkel is op humanitair terrein.


Peking wilde die realiteit in het verleden liefst onder het tapijt schuiven. Het wegmoffelen van zwakke kanten hoort niet bij de status van volwassen wereldmacht die China nastreeft, dus het getuigt van staatsmanschap wat Hu in Washington zei. Maar wie wonderen verwacht, zal van een koude kermis thuiskomen.


De hoogste leiding in Peking heeft al vaker heeft gezegd dat ook China streeft naar universele mensenrechten. Vooral premier Wen Jiabao, die als het menselijke gezicht van de regering geldt, mag graag opmerken dat de rechten van Chinese burgers beter gewaarborgd dienen te worden.


Maar wat verstaat Peking onder mensenrechten? Het zijn vooral sociale grondrechten, in de optiek van de bestuurders van de Chinese eenpartijstaat. Recht op werk, recht om geen honger te lijden, recht op onderwijs en gezondheidszorg. Op die terreinen valt nog een hoop werk te doen.


De honger is weliswaar uitgebannen, en met ruim 10 procent groei loopt de banenmotor behoorlijk, maar goed onderwijs is vooral voor mensen met geld. De gezondheidszorg staat er nog beroerder voor. Het gros van de ruim 1,3 miljard Chinezen staat hier met lege handen, terwijl die mensen moeten leven in een zwaar vervuild milieu.


Daar zegt Peking verbetering in te willen brengen. Dat is overigens welbegrepen eigenbelang: als het volk te veel gaat morren komt de legitimiteit van de communistische partij in gevaar, en dan kan China zomaar aan sociale onrust ten prooi vallen.


Dat verklaart gelijk waarom de leiding zeer huiverig is om andere mensenrechten te bevorderen. Vrijheid van meningsuiting, politieke keuze, een vrije pers: het zijn allemaal zaken die de macht van de partij ondermijnen.


Democratie zoals in het westen (Peking vermeldt niet graag dat zo'n pluriform systeem ook in buurlanden als Zuid-Korea, Japan en Taiwan werkt) is een samenzwering om China te slopen, aldus de staatspropaganda.


Dus pakt de geheime politie Chinese burgers op die zich durven te roeren, daarom zijn er geheime 'zwarte' gevangenissen waar vele honderden mensen elk jaar in verdwijnen om te worden geintimideerd, gemarteld en soms zelfs gedood.


Peking zegt sinds kort dat het dit soort primitief machtmisbruik -dat zich ook sterk manifesteert in het gebruik van geweld bij landonteigeningen- wil gaan aanpakken. Maar het is niet meer dan het bijvijlen van de grofste kantjes van een autoritair systeem.


China is goed in economische sprongen, niet in humanitaire. Dan zou partijleider Hu over zijn eigen schaduw heen moeten springen en Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo en andere 'verdwenen' dissidenten moeten vrijlaten. De kans op zo'n Chinees nieuwjaarsgeschenk voor de universele mensenrechten lijkt nihil.


Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden