Vertrouwen in de zinloosheid

IN DE ZESDE eeuw van onze jaartelling vond een discussie plaats tussen de Gallische taalgeleerden Galbungus en Terentius over de vraag of het persoonlijk voornaamwoord 'ik' een vocativus (aanspreekvorm) heeft....

Met de debuutbundel van Mark Boog in de hand kunnen we na vijftien eeuwen vaststellen dat de vocatief inderdaad bestaat, want zo begint het eerste gedicht:

Laat de avond vallen, ik,

en hou het huis heel stil zodat ik niet gestoord word -

zolang het schemert kan het misgaan.

Wie is hier aan het woord? God zelf wellicht, die zich er iedere middag opnieuw zenuwachtig over maakt of hij er weer in zal slagen de avond te laten vallen? Gaat het om een gek die denkt de kosmos te kunnen besturen? Of moeten we eerder denken aan primitieve volkeren die iedere avond offeren om de zon te laten ondergaan? Later in de bundel krijgen we een soort antwoord, wanneer Boog het problematisch verband tussen taal en werkelijkheid op scherp stelt. De natuurverschijnselen trekken zich niets aan van wat we erover zeggen: 'De zon gaat niet opper doordat ik het zeg.'

Wij mensen, en vooral dichters, zouden graag in de magische krachten van de taal willen geloven:

Nooit mag vergeefs zijn ons noemen van elkaar

bij de vernuftigste namen, niets zijn gruwelen

die na genoemd te zijn niet daadwerkelijk voorvallen.

Bewust van zijn onmacht als deze dichter is, trekt hij zich terug in zijn woning om de zinloosheid te bestrijden. In de Nederlandse literatuur kennen we de huiselijkheid vooral uit de negentiende eeuw. Het huis, is dat niet bij uitstek de plek waar men zich veilig en geborgen voelt, waar tenminste een segment van de wereld overzichtelijk is? Aan het eind van de middag, zingt De Genestet, is het leven mij het meest dierbaar:

'Levenslustig in den haard/ Knapt het knettrend vuurtje;/ Bij der vlammen heldren gloed/ Schept men phantasietjes,/ Neuriet, stillekes en zoet,/ ras vergeten liedjes.'

Bij Boog, wiens favoriete dagdeel beslist niet de namiddag is, dient het huis tot middel om de ontzagwekkende ruimte te structureren. Met muren en kamers heb je tenminste een houvast, lijkt het. 'Dit aangekleed beton zegt dat ik thuis ben', houdt de dichter zich voor, maar in zijn woonkamer staat op een tafeltje in de hoek 'een Groot Vertrouwen In De/ Zinloosheid Van Alle Dingen.' Erg gezellig is het niet in huize Boog: 'Het uitzicht tenietdoend, omdat het vals is,/ de zin verwerpend, omdat hij vals is,/ de wanhoop en de hoop ontzenuwend,/ omdat ze vals zijn (. . .)

schikken wij de stoelen rond de tafel

zodat iedereen voldoende ruimte heeft,

en tonen wij met grootse armgebaren

hoezeer ons gaat smaken wat bereid is.

Niet alleen in de ruimte, ook in de onafzienbare tijd tracht de dichter manmoedig enige structuur aan te brengen, bijvoorbeeld door op vaste tijden te eten en te drinken. 'Niet vergeten we te vieren echter op zijn beurt de komst/ van deze avond, nauwelijks verwacht. We drinken veel/ maar ook met smaak, en overdekken tafels zo met voedsel dat we/ honger krijgen. We hebben ontspanning nodig.'

Welnu, ontspanning is deze dichter ten enenmale vreemd. Zijn barse stijl wordt gekenmerkt door bewust moeizame deelwoordconstructies, inversie en gesubstantiveerde infinitieven en bijvoeglijke naamwoorden. Abstracte woorden als 'tijd', 'toeval' en 'zinloosheid' worden niet geschuwd, evenmin als plechtstatige sententies ('Niets troost behalve dat niets troost'), hetgeen de gedichten hier en daar een klassieke toon verleent. In deze poëzie probeert iemand krampachtig greep te krijgen op het bestaan. 'Wij, pletbaar, geplet kunnende worden, wij blijven lijdzaam.' En:

Daar aan de horizon beloofde wolken, die

windloos loodrecht regen zullen geven, waarin

vreemd initiatiefloos stil zal blijven staan ik,

natuurlijk toch nog rouwend om verloren zuiver-

schoon- of eenheid, vervloekend dat voor leven

men moet aanbreken verpakkingen en dagen.

Op sommige momenten doet deze poëzie denken aan werk van Reve of Ouwens. Een verwijzing naar Leopold ('Om mijn oud woonhuis peppels staan') wordt bij Boog: 'Rondstrooiende hun fluimen de populieren staan.'

Wie niet al te sterk in zijn schoenen staat en er desondanks in slaagt driekwart van deze bundel te lezen, zal hevig de neiging krijgen zich op te hangen, want Boog maakt op pijnlijk nauwkeurige wijze alles kapot wat zinvol leek. Vreemd genoeg blijkt er aan het eind van het boek toch nog enige hoop te gloren. Hoop op woordeloos contact met een geliefde bijvoorbeeld: 'We wissen, zenden anti-geluid,/ streven naar een verlegen niets/ dat breekbaar is als schoonheid.' Sterker nog: 'We wagen het met neergeslagen ogen/ geen muur te bouwen tussen ons.' Weliswaar wordt in het volgende gedicht vastgesteld dat schoonheid niet bestaat, maar een bladzijde later blijkt die constatering al onjuist:

Je kunt glimlachen als niemand en noden

met de allerkleinste beweging die bestaat.

Zelfs oppert Boog de mogelijkheid dat twee mensen elkaar tot volledigheid aanvullen, 'waarna we,/ aangevuld hebbende niets, elkaar waren.' Zou dat kunnen? Misschien:

Want in volkomen ontkenning van dat het

niet kan bestaan we, en wijzen dingen aan.

Met Alsof er iets gebeurt heeft Mark Boog een belangrijke bundel geschreven, waarin het ik, het leven en de taal meedogenloos tegen het licht worden gehouden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden