Vertroosting, op zijn lijf geschreven

In een rolstoel was hij onlangs nog op de begrafenis van schrijver/criticus Kees Fens. De 91-jarige pater Jan van Kilsdonk bleef tot aan het einde midden in de maatschappij staan....

Hij bezocht iedere zondag trouw de diensten in de Dominicuskerk in Amsterdam. Maar hij kwam, zolang het ging, ook nog in de Amsterdamse kroegen en de aidsafdeling van het Academisch Medisch Centrum. ‘Ik ontleen geen plezier aan het houden van preken of het schrijven van artikelen. Ik geniet alleen als het mij lukt andere mensen eerbied terug te geven voor zichzelf.’

Eerbied voor mensen ging boven kerkelijk gezag. ‘Ik ervaar geen enkele religieuze ervaring bij welke kerkelijke gezagsdrager dan ook. Als de paus naar Nederland komt, ga ik niet kijken.’ Hij gaf begin dit jaar in deze krant ook nog ongezouten zijn mening over de benoeming van de conservatieve Wim Eijk tot de nieuwe aartsbisschop van Utrecht.

Hij kon zwijgen en luisteren, maar zeker ook spreken. Veel van zijn lijvige preken werden gebundeld. Zijn beeldspraken raakten velen: ‘Op een berg in de Alpen ben ik zo uitgekeken. Op mensen en hun verhalen, hun tragedie, nooit.’

Van Kilsdonk is een symbool van de jaren zestig – net zoals Provo, Phil Bloom en majoor Bosshardt. De verering van zijn studentenpastoraat (van meer dan 35 jaar) en van zijn zorg voor de aidspatiënten in de jaren daarna heeft bijna mythische vormen aangenomen.

Jan van Kilsdonk werd geboren in een welgesteld brouwersgeslacht in Oost-Brabant. Drie maanden na de oorlog werd hij tot priester gewijd. Hij besloot eerst te gaan werken in de interneringskampen waar de Nederlanders werden vastgehouden die met de nazi’s hadden geheuld. In Vught had hij 13 duizend gevangenen onder zijn hoede – onder wie teruggekeerde SS’ers en andere antisemieten. ‘Een onbeschrijflijke wereld’, noemde hij het.

In 1947 werd de toen 30-jarige jezuïet Van Kilsdonk de vraag voorgelegd of hij zich in Rome verder wilde bekwamen in de theologie of wilde assisteren als studentenmoderator in Amsterdam. Na enige aarzeling koos hij voor Amsterdam en ‘trouwde ermee’ zoals hij dat later zelf uitdrukte.

Hij benaderde de studenten op goed geluk in de kroegen, tijdens jubilea en op feesten. Altijd met een glas bier in de hand, wat hem de bijnaam Kater van Pilsdronk opleverde – onterecht want hij dronk nauwelijks.

Als het lukte een gesprek aan te knopen, maakte hij daar een zorgvuldig gestileerd verslag van, dat hij de volgende ochtend opstuurde. Daarbij nodigde hij studenten uit tot een dieper gesprek. ‘Een brief die je niet verwacht, leidt tot ontroering. Een brief is een vorm van eerbied en aandacht die je niet in een telefoongesprek hebt.’

Op die manier kwam hij in contact met 30 duizend studenten van wie velen later vooraanstaande intellectuelen werden. ‘Ik ken ze bij naam en toenaam, omdat ik hun geschiedenis weet’, zo zei hij. Een van die leerlingen van het eerste uur was Kees Fens.

Van Kilsdonk wilde de studenten ‘het gevoel geven dat godsdienst iets aan het verrukte verstand te zeggen heeft, dat godsdienst diepzinnigheid is en schoonheid, extase en verwondering heeft’. Maar hij zag zijn taak als iets veel simpelers – het bieden van vertroosting. Hierbij richtte hij zich op de maatschappelijke verschoppelingen van hun tijd: de gescheiden mensen, de krakers en de alcoholisten.

Bij zijn emeritaat in 1982 beschreef hij in Elsevier zijn pastoraat. ‘De mengeling van menselijkheid en religiositeit, van intimiteit en openbaarheid – dat je af en toe het woord voert, dat je bij een uitvaart mensen begeleidt en bij een drama mensen bundelt. Dit type werk is op mijn lijf geschreven, dat is mijn ademhaling.’

In de jaren zestig werd Van Kilsdonk voor progressieve katholieken het symbool van de vernieuwing van de kerk en de oppositie tegen Rome, en voor Rome en de jezuïetenorde een luis in de pels. Hij verwierp het verplichte priestercelibaat en kwam op voor de rechten van vrouwen en homoseksuelen in de kerk. Als voormalig studentenpastor werd hij in de jaren tachtig voor aidspatiënten in Amsterdam een begrip door zijn zeer persoonlijke wijze van pastorale zorg. ‘Een lief huisdier in Amsterdamse studentenflats’, typeerde hij zichzelf.

Hoewel hij het verfoeide, bleef hij tot zijn dood het celibaat trouw. Vaak werd hij gevraagd voor begrafenissen. ‘Geen kerk kan zijn doden mooier begraven dan de katholieke kerk.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden