Verstrikt in zijn personages

De greep die David Bowie op zijn personages leek te hebben, was in werkelijkheid vaak ver te zoeken, schrijft filosoof Frank Meester. Net als wij worstelde hij met zijn rollen.

David Bowie, Monte Carlo, 1983. Beeld The Helmut Newton Estate / Maconochie Photography

Wie de bewondering tot zich nam die David Bowie de afgelopen week ten deel is gevallen, zou makkelijk de indruk kunnen krijgen dat hij de perfecte regisseur van zijn leven was. Een wandelend kunstwerk dat ons bespeelde in zijn almaar wisselende personages. Ongenaakbaar en daarin een niet te evenaren voorbeeld. Wie anders kijkt, ontdekt dat Bowie juist meer op ons kleine tobbers leek dan je misschien zou verwachten. Of wij inmiddels op hem, kun je beter zeggen.

Ja, ook mij intrigeerde dat veranderlijke uiterlijk van Bowie. Als jonge puber zat ik na school vaak in de bakken met lp's van mijn oudere broer te kijken. Met mijn vingers liep ik over de platen en duwde ze een voor een naar voren zodat ik de covers kon zien. Als die me bevielen, haalde ik de plaat eruit om hem beter te kunnen bekijken. En dat waren vaak de lp's van David Bowie. De Bowie op Hunky Dory was een totaal andere dan die van Golden Years en op Pin-up was hij weer een ander. Ik vergeleek de foto's eindeloos, maar het lukte me niet om me een eenduidig beeld te vormen van zijn persoon. De muziek sprak mij eigenlijk niet zo aan. Ik besloot dat ik die maar gewoon goed moest gaan vinden. En dat gebeurde, naarmate ik die vaak genoeg hoorde. De muziek en zelfs de stem van Bowie waren trouwens net als zijn uiterlijk steeds verschillend en daardoor al even ongrijpbaar.

Precies deze fascinatie zag ik terug in alle stukken die de afgelopen dagen over Bowie verschenen. Net op het moment dat hij hordes fans had verkregen met een personage als Ziggy Stardust of The Thin White Duke, verklaarde hij het dood en kwam hij met een nieuw alter ego op de proppen. Natuurlijk, hij was een rockster, hij schreef en bracht muziek, maar zijn belangrijkste materiaal was toch zijn eigen leven. En nu haalde hij ten slotte zijn allerbeste streek uit. Hij ging voor ons onverwacht dood, terwijl hij vlak daarvoor een plaat had uitgebracht waarop hij zijn eigen dood aankondigde.

Hij had dus niet alleen controle over zijn leven, maar zelfs over zijn dood. Arnon Grunberg schreef in zijn Voetnoot: 'Ik heb nooit de controle verloren' (I never lost control) zingt Bowie. De beschaafde mens is nergens banger voor dan controleverlies, maar hoe kun je leven zonder ooit je controle te verliezen? Alleen de doden hebben alles onder controle.'

Beeld afp

Grunberg heeft gelijk. In elk leven gebeuren dingen die je niet kunt voorzien, of die je liever niet zou willen, zoals de dood. Ivo van Hove, regisseur van de door Bowie geschreven musical Lazarus, was als een van de weinigen op de hoogte van Bowies naderende dood. Hij vertelde dat Bowie zich, sinds hij wist dat hij kanker had, krampachtig aan het leven vastklampte. Volgens producer en vriend Tony Visconti had hij al vijf nummers opgenomen voor een nieuw album, ná Blackstar, en had hij kort voor zijn dood nog de studio in gewild. Alleen al hieruit blijkt dat ook Bowie slechts de schijn van totale beheersing kon wekken, maar die nooit daadwerkelijk had. Waarschijnlijk was zijn beste en meest constante personage de Bowie die de indruk wist te wekken altijd controle te hebben. Daarin was hij zo goed geslaagd dat zelfs zijn eigen dood door hemzelf geregeld leek.

Lange haren

Suggesties wekken, dat was zijn specialiteit. Zijn vader was pr-medewerker en leerde hem al vroeg de kneepjes van het vak. Toen het zijn zoon maar niet lukte om bekendheid te vergaren met zijn muziek, bedacht de vader een andere manier om aandacht op hem te vestigen. Hij richtte het Genootschap ter Voorkoming van Wreedheid tegen Langharige Mannen op.

Een geslaagde actie, want op 12 november 1964 mocht David met z'n lange haren in een BBC-programma namens het genootschap vertellen hoe vervelend het was om lang haar te hebben. 'Ik ben al tientallen malen weggestuurd uit bars en pubs', merkte hij droogjes op. 'Iedereen maakt grappen over me als ik op de bus sta te wachten, en het is een hel om langs een stel bouwvakkers te lopen. Ze noemen me schatje en vragen of ze mijn tasje mogen dragen. Dit moet ophouden.' Een paar jaar later, toen hij inmiddels beroemd was geworden, besloot hij zijn lange haren af te knippen en rood te verven.

Seksualiteit

Hij bestudeerde aandachtig de tactieken van zijn managers, zodat hij wist wat hij moest zeggen tegen de pers om belangstelling te wekken. Zo kreeg hij flinke aandacht met de uitspraak dat hij biseksueel was, later genereerde hij nog meer ophef door in een interview te laten weten dat hij homoseksueel was en ten slotte verraste hij iedereen door te verklaren dat hij zijn hele leven al alleen op vrouwen viel. Over zijn seksuele geaardheid is altijd onduidelijkheid blijven bestaan. Wel is bekend dat hij met iedereen die hem van dienst kon zijn het bed in dook, zowel mannen als vrouwen, maar aanvankelijk vooral mannen. In de Britse popscene van de jaren zeventig maakten homoseksuele mannen de dienst uit. Ze vielen als een blok voor de mooie androgyne jongeling.

Suggestie was ook het geheim achter zijn doorbraak. Tony DeFries, de manager die hem eindelijk groot maakte, stuurde Bowie naar de Verenigde Staten om een platencontract binnen te slepen. Hij wist de grote maatschappij sterrenstof in de ogen de blazen door Bowie, die nog geen arrivé was, wel zo te presenteren: hij omringde hem met bodyguards en liet de stad volhangen met posters van Bowie. Het werkte. Bowie kreeg zijn contract.

Bowie met zijn Edison, welke hij kreeg voor zijn LP 'Ziggy Stardust', Amstel Hotel, 1974. Beeld anp

Maar terwijl Bowie bekender werd met de personages die hij verzon, raakte hij in diezelfde personages verstrikt. De controle die hij suggereerde, was in werkelijkheid vaak ver te zoeken. Het was voor hem zelf ook niet meer duidelijk waar Bowie eindigde en Ziggy Stardust begon. De enorme hoeveelheden cocaïne die hij opsnoof, zullen daar niet bij hebben geholpen, hij werd er paranoïde van.

Er is veelvuldig op gewezen dat Bowie door zijn uitlatingen over zijn seksuele geaardheid en door zijn extravagante outfits heeft bijgedragen aan de acceptatie van homoseksuelen, transgenders, travestieten en alle andere mogelijke genderidentiteiten die afwijken van de heteroseksuele norm. Menigeen durfde door Bowie uit de kast te komen, of zich extravagant te kleden. Hij wordt gevierd als een held voor outcasts, voor iedereen die 'anders' is. Zo ontstond dus een eigenaardige paradox: hoe wonderlijker de personages die Bowie speelde, des te meer hij zijn fans destijds de mogelijkheid gaf 'zichzelf te zijn'.

Maakbare rollen

Net als Bowie lijken we ons inmiddels heel erg bewust geworden van het feit dat we verschillende rollen spelen naar de buitenwereld en dat we die rollen kunnen vormgeven, dat ze maakbaar zijn. Misschien is het zelfs wel een verplichting geworden om dat te doen. De sociale media hebben het veel gemakkelijker gemaakt om met je identiteit te spelen. In de tijd van Bowie had je een manager en een platenmaatschappij met veel geld nodig om jou op een kunstzinnige manier te laten fotograferen, daar vervolgens posters van te maken en die in de stad op te hangen. Nu hebben wij een app op onze telefoon waarmee we effecten aan onze foto's kunnen meegeven, die we vervolgens kunnen publiceren op Instagram. Zo zijn we allemaal levenskunstenaars met ons eigen leven als materiaal.

En net als Bowie weet menigeen daarom nu hoe lastig dat is. Want onvermijdelijk kom je op de onmogelijke existentiële vraag: wie ben ik echt? Ook wij raken verknoopt in de verschillende rollen die we spelen. De verplichting om je eigen leven vorm te geven, geeft juist geen controle, maar stress en een gevoel van controleverlies, terwijl we voor de buitenwereld blijven pretenderen alles in de hand te hebben.

Beroemdheid

Bowie wilde koste wat kost beroemd worden. Volgens een enquête onder vijfhonderd kinderen van 11 tot 17 jaar van de Stichting Mijn Kind Online wil 61 procent van de kinderen in Nederland dat later ook. Waarschijnlijk hebben de meesten niet het talent van Bowie of in ieder geval niet zijn doorzettingsvermogen, maar we kunnen moeilijk terug. Het is als met verloren onschuld. We zijn tegenwoordig doordrongen van de Bowieaanse wetenschap dat de manier waarop je iets brengt, doorslaggevend is.

Zelfs politici zijn verplicht zich te gedragen als pophelden. Jarenlang konden ze wegkomen met kurkdroge politiek correcte volzinnen. Nu heeft elke politicus mediatraining gehad en geleerd in pakkende oneliners te spreken. Hij weet dat hij met extreme uitspraken, of ze nu waar zijn of niet, de aandacht kan trekken. Steeds meer mensen zijn gewend om voor een camera te spreken, bijna elke student kan een perfecte presentatie geven, al is die inhoudelijk misschien niet zo sterk, hele studierichtingen en onderzoeksprogramma's zijn erop gericht om mensen of dingen aantrekkelijk te presenteren.

Of we het nu willen of niet, Bowie zit diep in ons en hij komt er niet zo gemakkelijk meer uit. Mede door Bowie zijn we ons bewust van de macht en de kracht van de manier waarop we onszelf presenteren en daardoor worstelen we met de rollen die we spelen en vooral de vraag of er wel zoiets is als onszelf.

Frank Meester (1970) is filosoof en schrijver. Van zijn hand verscheen Zie mij. Filosofie van de ijdelheid. Hij is verbonden aan het Lectoraat Filosofie en Beroepspraktijk van de Haagse Hogeschool.

David Bowie, 1983. Beeld afp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden