Verstokte reli-zappers GODSDIENSTSOCIOLOGIE GEEFT VERKEERD BEELD VAN RELIGIEUS LEVEN

HOE RELIGIEUS is Nederland? Die vraag blijkt niet eenvoudig te beantwoorden. En dat is de schuld van de vaderlandse godsdienstsociologen - de deskundigen bij uitstek op dit terrein - die hun werk niet goed doen....

Kort samengevat is de kwestie deze. Wie blind vaart op de resultaten van godsdienstsociologisch onderzoek naar de religieuze staat van Nederland, wordt ten onrechte tot de slotsom geleid dat het pleit definitief in het voordeel van het atheïsme is beslecht (op, uiteraard, wat rituele schermutselingen in Staphorst en op de Veluwe na, waar naar verluidt een enkele geïsoleerde verzetshaard nog actief schijnt).

Deze conclusie kan niet kloppen. Was dat wel zo, dan zou Nederland danig uit de pas lopen met de stormachtige ontwikkelingen elders in de wereld, waar het religieuze vuur niet uitdooft, maar juist feller dan ooit opvlamt. Van Harskamp wijst ter illustratie op de snelle 'religionisering' van het voormalige Oostblok, op de explosieve groei van de evangelisatie in Afrika, Azië en, vooral niet te vergeten, het ontwikkelde Amerika. Hij wijst bovendien op een soortgelijke expansie van de islam op dezelfde continenten.

Zou Nederland echt de enige uitzondering zijn op deze mondiale ontwikkeling? Wie er de rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau of het eind 1997 verschenen verslag van het vervolgonderzoek 'God in Nederland' op naslaat, zou het waarachtig gaan geloven. Deze toonaangevende specimina van godsdienstsociologisch onderzoek laten geen andere conclusie toe dan dat ons voormalig domineeslandje gidsland is in het ontkerkelijken en ontkerstenen en wereldkampioen seculariseren bovendien.

Het is de halve waarheid, vindt Van Harskamp. De verantwoordelijke godsdienstsociologen zijn bijziend. Met hun vragenlijsten en statistische rekenmethoden hebben zij slechts oog voor de religieuze praktijken die zich tussen de vier muren van de - inderdaad slinkende - traditionele kerkverbanden afspelen. Wat daarbuiten gebeurt, telt voor deze empirische cijferaars en hun enquêterende handlangers niet mee. Geen wonder, aldus Van Harskamp, dat je dan de bulk van wat er vandaag de dag aan eigentijdse religiositeit zoal te koop is, over het hoofd ziet.

Hij doet in zijn betoog een willekeurige greep uit het overvloedige, rijk gevarieerde aanbod. De oerschreeuw- en regressietherapieën mogen zich in een snel toenemende populariteit verheugen. De neopaganistische magie, en de Jomanda's en Ratelbanden idem dito. Maar ook het weergaloze succes van De Celestijnse belofte van psychotherapeut Redfield spreekt boekdelen. En wat te denken van de opmars van allerhande New Age-centra? Het liefst doet de religieuze consument zich te goed aan een mix uit dit aanbod, want de moderne afnemer blijkt voor alles een verstokte 'reli-zapper'.

Er is ook in Nederland dus wel degelijk sprake van een levendig vraag- en aanbodspel op de markt van religie, zingeving en spiritualiteit. Maar het valt allemaal buiten de antwoordmogelijkheden op de voorgestructureerde vragenlijst van de godsdienstsocioloog, die dit soort noviteiten gemakshalve afdoet als 'alternatieve' bewegingen die tot de 'paracultuur' behoren en die in sociaal opzicht van geen belang zijn, omdat zij slechts betekenis hebben voor het persoonlijke leven van het individu.

Dank je de koekoek, luidt vrij vertaald Van Harskamps commentaar op deze uitvlucht. Waar anders zou religie betekenis moeten hebben dan in het persoonlijk leven? Godsdienstsociologen weten zich gewoon geen raad met religiositeit die niet in cijfers is uit te drukken, maar die voor velen een essentiële 'ervaringswaarde' bevat, schrijft hij. Zij weten zich geen raad, vervolgt hij, 'met de hoop en de verbeelding, en met de angsten en obsessies die mensen in onze postmoderne cultuur naar het religieuze doen verlangen'. Er is in zijn ogen eigenlijk maar één manier om aan die nieuwe religieuze veelsoortigheid - de 'ruis' waarvan in de titel van dit boek sprake is - recht te doen en dat is de Nederlanders te vragen naar hun persoonlijk geloof en niet, zoals tot nu toe gebruikelijk was, naar hun eventuele kerklidmaatschap.

Het is wat flauw dat de twee godsdienstsociologen die werden uitgenodigd om in de bundel op Van Harskamps boutade te reageren, hun invitatie niet gebruiken om de handschoen op te nemen. Sterker nog: ze zijn het er eigenlijk wel mee eens.

Meerten ter Borg, praktiserend godsdienstsocioloog van de Leidse universiteit, heeft daarvoor een goed excuus. Hij behoort sowieso niet tot het gewraakte gilde der rekenmeesters. Hij oefent zijn vak doorgaans uit met het schrijven van prachtige essays over precies datgene waar Van Harskamp zich sterk voor maakt: menswetenschappelijke aandacht voor de wijze waarop het geloof der vaderen uitwaaierde tot een breed scala aan maatschappelijke verschijnselen die de geseculariseerde, maar daarom niet minder virulente behoefte aan zingeving bevredigen.

Die behoefte is net zo authentiek en onvervreemdbaar menselijk als die aan seks, slaap en eten, vindt Ter Borg, die nog wel een stap verder durft gaan dan Van Harskamp. Hij stopt niet bij de deur van Oibibio, maar ziet ook het adoreren van popsterren en voetballers en het pogen de sterfelijkheid te bestrijden door middel van medisch onderzoek waarvan het nut niet steeds aantoonbaar is, als bevrediging van diezelfde behoefte.

Voor Joep de Hart, de andere godsdienstsocioloog die in de bundel reageert, kan dit excuus niet gelden. Hij is als onderzoeker medeverantwoordelijk voor de door Van Harskamp vanwege hun beperktheid gewraakte rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De Hart bekent in zijn 'Beste-Anton'-reactie dat er inderdaad te weinig alledaags leven bruist door zijn dorre godsdienstsociologische gecijfer, maar voert ter verontschuldiging aan dat ook hij maar twee handen heeft en dus slechts een deel van de religieuze werkelijkheid kan bestrijken.

Behalve in het essay van Van Harskamp vloeit er kortom geen bloed in de bundel. Ook niet in de overige bijdragen, die voor een deel zijn geschreven door auteurs die eigenlijk niet of nauwelijks reageren op dat essay, maar gewoon hun eigen religieuze ruis produceren. Bijziendheid blijkt geen mankement dat alleen godsdienstsociologen treft.

Gert J. Peelen

Anton van Harskamp en anderen: De religieuze ruis in Nederland - Thesen over de versterving en de wedergeboorte van de godsdienst.

Meinema; 132 pagina's; * 22,50.

ISBN 90 211 3729 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden