Versterving is in strijd met eisen van zorgvuldigheid

Als klopt dat versterving in verpleegtehuizen alom wordt geaccepteerd, plegen de betrokken artsen valsheid in geschrifte. Het gaat hier volgens Chris Rutenfrans om een niet-natuurlijke doodsoorzaak die behoort te worden aangemeld....

AL GERUIME tijd is bekend dat veel demente patiënten in Nederlandse verpleeghuizen overlijden doordat hun een levensreddende medische behandeling wordt onthouden of doordat zo'n behandeling wordt beëindigd.

Naar aanleiding van een aantal aangiften van poging tot moord tegen het Groningse verpleeghuis 't Blauwbörgje is onlangs bekend geworden dat demente patiënten ook vaak sterven doordat zij geen voedsel en vocht meer krijgen. Dat wordt 'versterving' genoemd.

In bureaucratische termen wordt er 'ten aanzien van deze patiënten een uitdrogingsbeleid gevoerd.' Om de feitelijke gang van zaken nog verder aan ons oog te onttrekken omschrijft hoogleraar klinische geriatrie Sipsma dit proces liever als 'mensen die bezig zijn hun leven te voltooien.'

Aan demente patiënten die niet in de stervensfase verkeren wordt voedsel onthouden wanneer zij zelf voedsel weigeren. Ze krijgen dan geen kunstmatige voeding via een sonde, hoewel deze gemakkelijk in het lichaam kan worden aangebracht zonder dat de patiënt daarvan enige hinder ondervindt.

Uit de krantenverslagen blijkt echter dat voedsel óók wordt onthouden wanneer de patiënt door een tijdelijke bijkomende ziekte niet in staat is op een normale wijze te eten en te drinken. Voedsel wordt onthouden op initiatief van de arts die daartoe al dan niet heeft overlegd met de familie.

In Nederland mag een arts het leven van een patiënt niet beëindigen. Doet hij dat toch dan moet hij dat melden aan een lijkschouwer die vervolgens het Openbaar Ministerie (OM) op de hoogte stelt. Het OM besluit of de arts al dan niet vervolgd wordt.

Vervolging dient plaats te vinden als de arts niet heeft voldaan aan een of meer zorgvuldigheidseisen. De artsen die nu om het hardst roepen dat 'versterving' in verpleeghuizen een veel voorkomende doodsoorzaak is die alom wordt geaccepteerd, zijn, voor zover zij daarbij persoonlijk betrokken zijn geweest, allen schuldig aan valsheid in geschrifte.

Versterving kan immers moeilijk een natuurlijke doodsoorzaak worden genoemd en moet daarom gemeld worden bij de lijkschouwer. Dat gebeurt niet. Wanneer dat wel zou gebeuren, zou het OM elk geval moeten vervolgen. Er wordt bij versterving immers niet voldaan aan de belangrijkste zorgvuldigheidseis, namelijk dat de levensbeëindiging moet hebben plaatsgevonden op het herhaalde en nadrukkelijke verzoek van een patiënt die zijn situatie volledig kan overzien en zich daarover een redelijk oordeel kan vormen.

Bij de 'versterving' van demente patiënten wordt aan deze eis in de verste verte niet voldaan. Iemand die dement is, is niet in staat zijn wil te vormen. Juridisch gezien is hij handelingsonbekwaam. Hij kan bijvoorbeeld geen huis kopen. Doet hij dat toch, dan kan de koop onmiddellijk ongedaan worden gemaakt.

Mensen die niet in staat worden geacht zakelijke transacties te verrichten, kunnen natuurlijk onmogelijk in staat worden geacht de meest ingrijpende beslissing te nemen die denkbaar is; de beëindiging van hun eigen leven. De uitspraak van verpleeghuisarts Woudstra in deze krant dat bij 'versterving' 'de wil van de patiënt voorop staat' is dan ook buiten alle proporties.

In het vorig jaar verschenen rapport van de hoogleraren Van der Wal en Van der Maas over de praktijk van medische levensbeëindiging in Nederland, is een aparte categorie gereserveerd voor mensen wier leven door artsen is beëindigd zonder dat die mensen daar zelf om hebben gevraagd. In 1995 waren er dat naar schatting 950. Het aantal demente verpleeghuispatiënten dat overlijdt door 'versterving' moet bij die 950 worden opgeteld. Dat zal, ook volgens de meest conservatieve schatting, in elk geval een verdubbeling betekenen van het aantal gevallen van onvrijwillige medische levensbeëindiging.

Wanneer een verpleeghuisarts meent dat zijn patiënt zo ernstig lijdt dat hij werkelijk niets anders kan doen dan die patiënt te doden, dan moet dat in alle openheid gebeuren. Dat betekent dat vooraf uitvoerig en zorgvuldig overleg moet plaatsvinden met collega's en familie, waarbij geen informatie mag worden verzwegen.

Aan straffeloze medische levensbeëindiging wordt de eis gesteld dat er geen andere mogelijkheden meer zijn om het lijden van de patiënt te verminderen. Verzwijging tegenover de familie van de mogelijkheid om de patiënt met een interne sonde te voeden, is een schending van die eis.

Na het leven van de patiënt te hebben beëindigd, dient de arts de lijkschouwer hiervan op de hoogte te stellen. En wanneer niet voldaan is aan de zorgvuldigheidseisen moet het OM altijd overgaan tot vervolging, opdat de rechter het geval kan beoordelen.

Dat mag pijnlijk zijn voor de verschillende betrokkenen, het is de enige manier om te voorkomen dat patiënten zijn overgeleverd aan de altijd subjectieve opvattingen van artsen en familieleden over de 'kwaliteit van het bestaan' van mensen die aan hun zorgen zijn toevertrouwd.

De heersende praktijk van 'versterving' is in flagrante strijd met één van de meest fundamentele principes van de rechtsstaat; het beginsel dat de waarde van het leven van mensen niet bepaald mag worden door maatschappelijke of persoonlijke criteria.

Aanvaarding van de levensbeëindiging van een bepaalde categorie mensen op grond van de willekeurige oordelen van anderen, betekent dat die groep vogelvrij wordt verklaard. Hun leven wordt niet strafrechtelijk beschermd.

Chris Rutenfrans is criminoloog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden