Verslingerd aan het welzijnswerk

Jos van der Lans is een fan van opbouwwerkers. Hij meent dat het welzijnswerk de negatieve klank die het had, allang heeft overwonnen....

Eind 2005 verscheen van de links georiënteerde, met het welzijnswerk vergroeide cultuurpsycholoog een boek over de erfenis van de jaren zestig en zeventig met als laatste hoofdstuk een opstel onder de opgewekte titel ‘Waarom Mark Rutte deugt’.

Dat meende je, geloof ik.

Jos van der Lans: ‘Ik meen het nog steeds. Ik was met hem mee geweest op werkbezoek in IJmuiden en Hoorn. Rutte was staatssecretaris voor Sociale Zaken. In Hoorn ging het over de omstreden wet Werk en Bijstand. Ze hadden de rode loper voor hem uitgerold in de schouwburg. Vijf toespraken kreeg hij te verwerken. Na de eerste toesprak stond hij op en zei hij: ‘Sorry, maar zo gaan we niet verder. Ik heb die wet gemaakt, ik vind het een goeie wet, we hebben ook gezegd: we gaan de gemeenten helpen als ze er problemen mee hebben, dus ga ik nu maar voor u staan en zeg ik: komt u maar, zeg het maar.’

Was je onder de indruk?

‘Ik vond het geweldig. Dat boek waarin dat hoofdstuk over Rutte voorkomt, Koning Burger, zegt onder meer dat politici voor hun zaak moeten staan en dat ze zelf iets moeten willen met de samenleving. Dat was precies wat Rutte daar in Hoorn liet zien.

‘Hij heeft een heel open stijl, en hij is zeer communicatief.’

Rutte deugt dus.

‘Mijn kornuiten uit GroenLinks hebben gevraagd: je gaat dat verhaal toch wel herschrijven? Ik heb gezegd: geen sprake van. Ik was een paar jaar geleden gecharmeerd van Rutte, en volgens mij ben ik dat nog steeds.

‘Ik zou het toejuichen als hij het land ging leiden, zeker in een combinatie van links en rechts. Hij heeft inmiddels van alle walletjes gegeten: hij kan een fractie leiden, hij heeft ervaring als bestuurder, hij kent het bedrijfsleven, werkte voor Unilever. Ik denk dat we in hem een geweldige minister-president zouden krijgen.’

Jos van der Lans is 56. Hij gaat al een kwarteeuw mee in de markt van welzijn en geluk. Hij publiceert, adviseert en visiteert. Er is veel te doen. ‘Er zijn altijd wel mensen die zeggen: meneer Van der Lans, kunt u eens met ons meedenken. Zeker op gemeentelijk niveau is men op zoek naar een nieuw verhaal over het welzijnswerk.’

Hoe komt het dat jij je leven verslingerd hebt aan het welzijnswerk, niet alleen in de hoogtijdagen, maar ook nu het verguisd is?

‘Ik weet het niet. Ik weet ook niet hoe diep jij in mijn psyche wilt duiken.’

Oké, vertel over je ouders.

‘Ik kom uit zo’n nest, dat is wel waar. We woonden in Den Haag, in de bomen- en plantenbuurt, mijn vader was sportinstructeur bij het gevangeniswezen. Hij heeft de eerste sportvereniging voor gevangenen opgericht, de SOS, Sport en Ontspanning Scheveningen. Mijn vader kreeg het voor elkaar dat een tafeltennisteam van gevangenen mocht meedoen aan de nationale tafeltenniscompetitie. Er konden natuurlijk alleen maar thuiswedstrijden worden gespeeld. Daarvoor gaf de bond dan toestemming. Ze waren heel erg goed, ze hadden vrij veel tijd om te trainen, dus ze mepten elke tegenstander van de tafel.

‘Mijn vader was een verenigingsmens, en dat ben ik ook. Ik ben altijd bezig mensen bij elkaar te brengen, verbindingen te maken en zo.’

Wat is daar zo fijn aan?

‘Mijn vader zei altijd: het is gezellig en het is nuttig.’

En wat zeg jij?

‘Dat het gezellig is en nuttig. Ik woon tegenwoordig in een klein, maar opmerkelijk gebiedje in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam. Het is het enige stukje dat mensen met elkaar hebben ontwikkeld, zestig huishoudens. Vergaderen, vergaderen, vergaderen en dan bouwen. Het is een verhaal van twaalf jaar geleden, maar de gemeenschap van toen bestaat nog steeds. Het is een omgeving die vertrouwd is en waar je van op aankunt.’

We kunnen tegenwoordig heel goed op onszelf leven.

‘Dat vraag ik me af. Dat geloof ik niet. Mijn kinderen kunnen altijd bij de buren terecht. Gezellig en nuttig. Anders moet je bij de staat om kinderopvang gaan bedelen.’

Staat er niet een prijs tegenover, namelijk hinderlijke sociale controle?

‘Wat een onzin. Welke moderne buurten kennen nog de sociale controle van de verzuiling? Geen enkele toch?’

Zouden de buren niet teleurgesteld zijn als jij je vriendin zou verlaten?

‘Absoluut. Maar wat is daar mis mee? Dat is toch mooi? Het betekent dat je op elkaar betrokken bent. Er zijn ook in ons buurtje echtscheidingen. Ik schrik daar elke keer weer van. Ik zal er mensen niet op veroordelen, maar ik vind het wel heftig. Dat heb ik vele malen liever dan dat het mij onverschillig zou laten. Het is een goed teken om daarvan te schrikken.’

De Nederlandse samenleving is versplinterd, er is geen gemeenschappelijk gevoel van identiteit, het klimaat is depressief – wie zit nog te wachten op welzijnswerk?

‘Oké, dat is de diagnose. Des te krachtiger is de noodzaak. Of wil je adviseren om het er maar bij te laten?

‘Juist nu heb je welzijnswerk nodig. Niet in de vorm zoals we die hebben leren kennen. Er is een nieuwe start nodig. Maar ik vind het een publieke verantwoordelijkheid nu veel aandacht te schenken aan sociaal buurtwerk.’

In het hoogtij van het welzijnswerk, in de jaren tachtig, moest alles kunnen. Is niet uitgerekend het welzijnswerk verantwoordelijk voor het uit elkaar vallen van de verbanden?

‘Het is waar, het welzijnswerk vormde in de jaren tachtig de keurtroepen van het moderne sociaal-agogische wereldbeeld. Dat je jezelf moest zijn, dat je de ruimte moest laten, dat je mensen niet kon dwingen, het was het klimaat van moet toch kunnen. Dat wereldbeeld is dominant gebleven tot in de yuppenjaren negentig.’

Heb je er zelf enthousiast aan meegedaan?

‘Ik ben onderdeel van dat wereldbeeld. Ik heb in een van mijn boeken beschreven dat ik met een paar honderd studenten college krijg over de therapie van Rogers, de vader van het totale spiegelen, van de identificatie met de cliënt, dat de cliënt de bron van waarheid is, dat de therapeut eigenlijk niets anders is dan iemand die ruimte schept. In die beschrijving van me kun je wel een soort twijfel herkennen. Ik weet nog dat ik heel erg moest lachen in dat college.

‘Ik ben in die hele softe wereld altijd gefascineerd geweest door één type hulpverlener, en dat is de opbouwwerker. Daar herken ik mijn vader in. De opbouwwerker brengt mensen bij elkaar. Die pakt problemen aan. Die gaat mensen mobiliseren en laat het vervolgens de mensen zelf doen. Hij spreekt mensen ook tegen. Hij is geen doetje, hij heeft niets met Rogers, hij vloekt en tiert, hij is doortastend en kordaat. Het is iemand die dingen voor elkaar krijgt die niet van nature tot stand komen, en daar ontzettend creatief in is.’

Bestaan ze nog?

‘Jawel, ze bestaan nog, maar je moet ze wel zoeken. Ze worden niet opgeleid.’

Welzijnswerk was een begrip dat in de jaren zeventig in progressieve kringen rond het kabinet-Den Uyl in gouden letters werd geschreven. We droomden van de emancipatie van de massa. De welzijnswerker maakte een onstuimige opgang door.

Van der Lans: ‘Je kreeg een generatie die ging sleutelen aan de samenleving, en aan zichzelf. Een soort zelfbevrijding van mensen die uit de verzuiling voortkwamen, die, anders dan hun ouders, hadden gestudeerd, die droomden van de maakbare maatschappij, maar tegelijkertijd zelf nog heel veel moesten ontdekken. Ze moesten de seksualiteit nog ontdekken, ze moesten het huwelijk opnieuw definiëren, ze moesten op allerlei manieren experimenteren.‘

Waarom vertel je dit?

‘Omdat het de achilleshiel van de welzijnswerker bleek te zijn. Hij was niet een klassieke professional. Het was iemand die bezig was zichzelf te ontdekken. Welzijnswerk was niet een ambacht, het was een beweging, een golf. Men klooide maar wat aan, met alle goede bedoelingen. Wij klooiden allemaal maar wat aan. De hele jaren zeventig is één groot festival van aanklooien geweest.’

Jan Blokker maakte er gehakt van in zijn columns.

‘En waar kwam zijn kritiek op neer? Die ging natuurlijk over dat wollige, dat jezelf kwetsbaar opstellen om kwetsbare mensen te helpen.

‘Er zat in de samenleving, ook onder liberale denkers, een wantrouwen tegen deze aanstormende beweging. Het werd niet reëel gevonden. Wat stoorde was het ongebreidelde narcisme en het wegpoetsen, het ontkennen van misstanden zoals criminaliteit. Dat hele wereldbeeld, dat programma van mensen bij de hand nemen en er vooral niks kritisch over zeggen, maakte het welzijnswerk verdacht.’

Begin jaren tachtig, toen de economie stagneerde en de vraag opkwam of de verzorgingsstaat al die zorg wel kon verdragen, was het gauw gebeurd met de jubel over het welzijnswerk. Maar nu moet het terugkeren, meent hij. Hij heeft er een nieuw boek over geschreven. Eropaf! heet het. Het pleit voor een nieuwe, andere start van het sociaal werk.

Van der Lans: ‘Waar je echt niet meer mee hoeft aan te komen zijn praatjes dat je toch begrip moet hebben voor die arme allochtonen die zo gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt. De begripvolle, agogische benadering is helemaal passé.

‘Er is veel onbegrip in die buurten: waarom gebeurt er niets aan die etterbakken verderop in de straat, die vanwege hun drugsverslaving de hele buurt verzieken? Hoe vaak hebben ze niet geklaagd? En evenzoveel keren is er niets gebeurd.

‘Ik denk dat zolang het welzijnswerk niet de ideologie van het goedpraten hanteert, het een redelijk normale professie wordt gevonden. Ik doe voor het ministerie van VROM visitaties in de Vogelaarwijken. Daar zie je juist waardering voor professionals die in die buurten actief zijn.’

Heeft het niet toch zijn tijd gehad, alleen al door de afkeer die het in het verleden heeft opgeroepen?

‘Dat is de afkeer van de intellectuele smaakmakers. Dat zijn doorgaans niet de mensen die aan het front staan. Wat ik tegenkom in de buurten, zijn opbouwwerkers, maatschappelijke werkers met een enorme passie. Anders dan vroeger praten ze niks goed, ze zijn streng, maar tegelijk proberen ze de buurtbewoners te laten zien dat het de moeite waard is om in elkaar te investeren, elkaar de hand te reiken.’

Het klinkt bijna religieus.

‘Het is misschien ook wel moderne religie. Wat is daar mis mee? Tel je zegeningen als ook burgers, vrijwilligers, de draad gaan oppakken. Je ziet bijvoorbeeld dat ouders met steun van het welzijnswerk een jaar lang een gezin begeleiden dat moeite heeft met opvoeden. Het zijn mensen die in hun directe omgeving op een informele wijze iets willen betekenen voor hun buurt.

‘In het oude denken gaat het als volgt. Een gemeentelijke dienst krijgt van een consultatiebureau te horen dat er ouders zijn die de greep op hun kinderen hebben verloren. Ha, tijd voor een structuur van interventie en hulpverlening!

‘We weten dat het niet werkt. Want die ouders denken: dikke reet, daar gaan we niet aan meedoen, ze pakken m’n kind af. Maar maak je als maatschappelijk werker in de betrokken buurt een andere verbinding, zonder die justitiële dreiging, een verbinding die gebaseerd is op gemeenschappelijkheid en vertrouwen, dan blijkt het vaak genoeg een heel effectieve aanpak.’

Misschien dat er hier en daar een ziel gered kan worden

‘Nee hoor, zo erg als je nu suggereert, is de toestand nog lang niet in Nederland. Er zijn gezinnen die het niet redden, er is een armoedeprobleem. Maar je mag niet suggereren dat er in Nederland sprake is van totale ontwrichting.

‘Er is een heel interessant onderzoek van de sociologe Lilian Linders in een wijk in Eindhoven, niet een heel slechte wijk, ook niet een goeie. Ze wilde weten wat de mensen uit de buurt nu voor elkaar betekenden, en ze kwam tot de conclusie dat er tussen die buurtbewoners drie soorten verlegenheid bestaan. De eerste verlegenheid is die van het vragen; heb jij een probleem, hoe overwin je je schaamte en hoe breng jij dat naar buiten? De tweede verlegenheid zit bij mensen die graag iets willen doen, maar algauw denken dat ze zich opdringen en dus niet weten hoe ze hun bereidheid om te helpen moeten aanbieden. De derde verlegenheid ligt in het accepteren van hulp; ook daar spelen schroom en schaamte een voorname rol.

‘Ik vind het een hartstikke interessant onderzoek. Ze laten je de culturele mechanismen zien van een moderne samenleving. Je zult me vast een ideoloog van het sociaal werk vinden, maar ik denk dat de maatschappelijk werker die weet heeft van die soorten verlegenheid, een prachtige, bemiddelende rol kan spelen. Vervolgens laat je het de mensen zelf opknappen.’

De ondertitel van je boek luidt: De nieuwe start van het sociaal werk. Wat is er nieuw aan?

‘Vooral de erkenning dat je in een samenleving met een geïndividualiseerde cultuur uitzendbureaus nodig hebt, sociale uitzendbureaus die heel concreet kansen voor buurtopbouw aangrijpen. Dat vergt veel creativiteit. Het heeft geen zin daar weer een instituutje van te maken. Het moet slimmer, dichter bij mensen.’

In je publicaties kom je vrij vaak het woord toewijding tegen.

‘Dat vind je een katholiek woord zeker.’

Het is een behoorlijk katholiek woord.

‘Ik gebruik het woord graag. Ik gebruik het als het tegenovergestelde van de bureaucratische hulpverlening die gevangen zit in allerlei regelgeving en controlemechanismen. Ik zou zeggen: zorg voor eenvoudige platforms, blijf weg van indicatiestellingen en behandelplannen, van dat loodzware, ineffectieve, lamlendige institutionele systeem.

‘Een opbouwwerker heeft niet vanwege het systeem voor zijn vak gekozen. Hij heeft voor zijn vak gekozen uit toewijding aan de zaak van lotsverbetering van groepen mensen die in de knel zitten. Je hebt in onze verbrokkelde samenleving eigenlijk permanent idioten nodig die vol toewijding aan het vliegwiel slingeren. Iedereen kan het. Eigenlijk kan jij het ook. Als we het eenvoudig houden, dicht bij mensen, en als we dat bemiddelende werk met vasthoudende toewijding doen, blijken bewoners toch weer heel veel samen te kunnen. Dat is in feite wat ik de nieuwe start van het sociaal werk noem.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden