Verslingerd aan het dichten, met dank aan Kaváfis

Auteurs en publicisten over de vijf boeken van hun voorkeur. Deze week Hagar Peeters.1. Nescio- Titaantjes en De Uitvreter..

1. Het familieverhaal gaat dat in de figuur van Bekker, een van de Titaantjes, elementen van mijn overgrootvader Hendrik Bovenkerk zitten. Hij was bevriend met meneer Grönloh, schrijversnaam Nescio. En hij was van de blauwe knoop, de beweging die zich tegen alcoholisme bij de arbeiders keerde. Mijn overgrootvader ging in cafés op de tafeltjes staan om de glaasjes weg te schoppen.

Titaantjes en De Uitvreter las ik op de middelbare school voor mijn literatuurlijst. Erna had ik Couperus op de lijst staan, De stille kracht, maar na het lezen van Nescio kon ik die gezwollen taal niet meer verdragen, en ook geen enkel ander boek. Het duurde even voor ik daartoe weer in staat was, ik kwam in tijdnood met mijn leeslijst. Later schreef ik het gedicht ‘Ook wij, Titaantjes’, om het herkenbare levensgevoel van deze groep jongens.

2. Een andere literaire geliefde van mijn middelbare schooltijd. Mijn leraar Nederlands, de onovertroffen Ben Visser, gaf mij voor mijn vijftiende of zeventiende verjaardag een fotokopie met daarop het gedicht ‘September 1903’, dat zo’n diepe indruk op mij maakte, dat ik voorgoed aan het dichten verslingerd ben geraakt. Hij had er in zijn priegelige lerarenhandschrift overigens een naam onder geschreven die ik niet anders kon ontcijferen dan als ‘Karafys’. Pas na een jarenlange odyssee langs ontelbare boekenschappen hervond ik mijn geliefde dichter, die Kaváfis bleek te heten.

3. Tijdens mijn eerste Nacht van de Poëzie in 1997 hoorde ik de jonge Vlaamse dichteres Jo Govaerts voorlezen uit haar vertaling van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska, die zojuist de Nobelprijs had ontvangen. Zij las het gedicht ‘Loflied op mijn zuster’, wier schrijverschap bestaat uit elk jaar een kaartje van vakantie, waarin zij belooft bij thuiskomst ‘alles, maar dan ook alles’ te vertellen. Sindsdien sjouw ik Uitzicht met zandkorrel met mij mee naar elke vakantiebestemming, om daar vandaan mijn eigen kaartjes, gedichtjes, te kunnen schrijven.

4. Tijdens mijn eerste studiejaar filosofie werd ik verliefd op een natuurkundestudent die mij De ondraaglijke lichtheid van het bestaan uitleende met de woorden dat dit het mooiste was wat hij ooit had gelezen. Ik bezorgde het van hem geleende exemplaar niet terug, maar spoedde mij naar de boekhandel om een nieuw exemplaar aan te schaffen, dat ik hem gaf. Het geleende hield ik in eigen bezit. Hij merkte het verschil niet op. Ik wel, ik bladerde nachtenlang door de bladzijden in de zoete wetenschap dat zijn vingers precies die bladzijden hadden aangeraakt.

De mooiste passage is die waarin beschreven wordt hoe je nooit kunt weten of je wel het juiste leven leidt, omdat je maar één leven hebt en dus niet kunt vergelijken. Hoe verantwoordelijk ben je dan? Hoeveel keuzevrijheid heb je? Wat houdt die vrijheid in? Later zette die gedachte mij aan tot het schrijven van het gedicht ‘Lamento van een mogelijkheid’.

5. Het boek Genesis uit het Oude Testament waarin mijn naamgenote Hagar figureert. Het verhaal van de Egyptische slavin die door Abraham wordt bezwangerd en weggezonden de woestijn in, heeft mij altijd verbaasd en boos gemaakt. Ik heb er mijn nieuwe dichtbundel op gebaseerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden