Verslavend epos over Iers platteland

De vuurtoren verspreidt onheilspellend licht over het donkere water. Op de rotsen zit Girleen over de zee te turen, met naast haar de pastoor....

Girleen is het jongste personage uit De Leenane Trilogie, een toneelmarathon naar drie stukken van de Ierse schrijver Martin McDonagh, die dit weekend in première ging in een coproductie van Zuidelijk Toneel Hollandia en Het Toneelhuis uit Antwerpen. Johan Simons regisseert dit overdadige, enerverende, messcherpe en verslavende epos van het moderne plattelandsleven.

Met hem is ook de herdershond weer terug in het theater. In het begin van zijn loopbaan regisseerde Simons vele boerendrama's in desolate Noord-Hollandse schuren en daar kwam regelmatig een opgezette herdershond aan te pas, als symbool voor plattelandse waakzaamheid en trouw.

De herdershond in De Leenane Trilogie behoort toe aan Valene Connor (Fedja van Huêt) en heeft geen oren meer. Die zijn afgesneden door Valene's broer Coleman (Wim Opbrouck) - zo maar voor de lol, zoals er in het dorpje Leenane wel meer voor de lol gebeurt: hamsters worden levend in de oven gestopt, tirannieke vaders doodgeschoten, moeders de hersens ingeslagen. Er wordt gezopen en verkracht, degenen die daar tegen kunnen overleven, de anderen lopen de zee in.

A Skull in Connemare, The Lonesome West en The Beauty Queen of Leenane zijn de drie stukken die samen deze trilogie vormen. McDonagh schreef ze in de jaren negentig als een moderne streekroman in dramavorm. Ze werden voor het eerst gespeeld in hun natuurlijke omgeving: het plaatselijke theater in het stadje Galway, aan de westkust van Ierland, waar ook het door god en gebod verlaten gehucht Leenane ligt.

Een dorpsgemeenschap ingeklemd tussen turfmolm, landbouwplastic, de begraafplaats en de zee, bewoond door kwijlende katholieke inteelt. Behalve de onlosmakelijke band tussen de broertjes Connor - vadsig, dom, elkaar voortdurend als dolle honden in de rode haren vliegend - beschrijft McDonagh even minutieus het ellendige leven van Mag Folan (Frieda Pittoors) en haar ongetrouwde dochter Maureen (Betty Schuurman).

Moeder is eigenlijk toe aan het bejaardenhuis maar heeft zich met duivelse overmacht vastgeklonken aan haar dochter. Ze kankert over de klonters in de pap en leegt haar pispot in de afwasteil.

Aan dit vrouwenhuis gaan de mannen meestal voorbij. Behalve de patserige charmeur Pato Dooley die misschien Maureens redding zou kunnen zijn en zelfs een nachtelijk dansje met haar waagt. Maar Pato vertrekt naar Amerika, de lieve brief die hij aan haar stuurt wordt door de moeder onderschept en in de kachel gegooid. Zo gaan er steeds meer mensen weg en worden steeds meer dromen gesmoord. De pastoor, de politieman, de doodgraver, de getroebleerde jongen en het zielige meisje vervolgen ieder hun doodlopende weg.

Johan Simons moet met gezonde weerzin ook ontiegelijk van deze mensen houden en hij brengt zijn liefde in een ritmisch verbluffend knappe voorstelling over op zijn publiek. Simons is in dit soort theater op zijn best: geen kunstzinnige fratsen als beeld- of geluidsdecors, gewoon een sterk verhaal, hard en meedogenloos verteld, met flarden van ontroerende sympathie.

In zijn regie schuwt hij het realisme, voor de hand liggend volkstoneel wordt vermeden. Het is heftig en confronterend theater, gevat in koud licht, zwartgrauwe kleuren en sjofele kleding, maar met een warm kloppend hart. Met een voor Simons buitengewoon frivole regievondst: uit de radio klinken songfestivalliedjes, van Puppet on a String tot J'aime la vie, en zelfs die titels zijn feilloos gekozen.

De Leenane Trilogie duurt bijna vijf uur en daarin zitten zeker ook een paar mindere momenten. Vooral in het begin en helemaal aan het eind, als de mannen al te luidruchtig en halfdebiel van hun aanwezigheid blijk geven. Jammer is bovendien dat acteurs als Van Huêt, Opbrouck en Stefan Perceval ook hier weer dubbelrollen spelen, wat tot onnodige vervreemding leidt. Waarom kan bij dit soort zwaar gesubsidieerde groepen niet elke rol optimaal door een eigen acteur bezet worden?

De rondborstige Wim Opbrouck en Fedja van Huêt zijn als koddig-gevaarlijke broertjes zeer aan elkaar gewaagd. Beide acteurs hebben de neiging tot overacting, maar houden elkaar hier fraai in balans. Tussen hen in is Pieter van der Sman als de jonge priester een ontdekking. Met een aan perfectie grenzende overtuiging geven Frieda Pittoors en Betty Schuurman gestalte aan die gruwelijke moeder-dochter relatie, soms op de rand van een zenuwinzinking, soms aandoenlijk klein.

Pittoors is flemend en doortrapt, met lepe blik en snerpende stem; Schuurman bewijst zich als de ideale vertolkster van die unieke Hollandia-speelstijl waarin inleving, afstand en inzicht op voorbeeldige wijze hand in hand gaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden