Versie van de waarheid

Donderdag dient de zaak tegen Marcel T., de verdachte van de moord op Louis Sévèke. Schrijver ‘AFTh’ zal erbij zijn in Arnhem....

Zijn grootvader, een al lang en breed vervaagde klompenmaker uit Sint Oedenrode, trok hem van de ene op de andere dag de zaak Louis Sévèke in.

Zelf had Adri (A. F. Th.) van der Heijden de schaar opgeborgen. Niet weer in kranten knippen en de stukjes op grote vellen plakken, met een speciale lijmkwast.

Hij wilde niet weer een grote actuele, politieke, culturele gebeurtenis verwerken tot een aanzwellend epos, of een nieuwe weg inslaan in zijn vele gangen tellend en alom geprezen oeuvre.

Nadat op dinsdagavond 15 november 2005 om even over negenen Louis Sévèke op de hoek van de Van Welderenstraat en Eilbrachtstraat in de Nijmeegse binnenstad met twee schoten werd omgebracht, had Van der Heijden allerlei gedachten, waarmee hij niet eens literair wat hoefde.

Hij dacht: godverdomme, wat verschrikkelijk voor die nabestaanden. Wat is die krakerswereld toch verhard, sinds hij er laatstelijk in Advocaat van de hanen, eind jaren tachtig, over had geschreven. Dat er nu moorden worden gepleegd, er dus slachtoffers vallen in die stadsguerrillaoorlog, terwijl het kraken ooit als een lieflijke daad van verzet was ontstaan.

Hij dacht ook dat de aanslag een Nijmeegse equivalent was van de moord op Theo van Gogh. Iemand had het voor Rita Verdonk opgenomen die door onder meer Sévèke, werd aangepakt vanwege haar illegalenbeleid.

Ook dwarrelde in zijn geest Gretta Duisenberg voorbij, alsof de zaak iets met de Palestijns-Israëlische kwestie van doen had, aangezien Sévèke altijd een Palestijnensjaal om zijn nek droeg. En er waren natuurlijk wat losse herinneringen uit zijn Nijmeegse studentenjaren (1971-1976) die mee wapperden in de wind.

De schaar bleef in de hoes, daar kwam het op neer.

Totdat hij in maart 2007 in de Volkskrant las dat de in Spanje aangehouden Marcel T., verdacht van bankovervallen en de moord op Sévèke, zich voor de aanslag had gemeld als ‘Edmund Dantes’. Onder dit pseudoniem stuurde hij e-mails aan Sévèke met de mededeling dat hij een oud-BVD’er was die tot inkeer was gekomen en hem wilde ontmoeten.

BAF! Daar ging AFTh.

Edmund Dantes – hoofdfiguur uit de roman van Alexandre Dumas, De Graaf van Monte Christo – stond in directe verbinding met zijn familiegeschiedenis. Dumas was de held van zijn grootvader die dit boek uit de bibliotheek haalde en uit zijn hoofd had geleerd.

Op het ziekbed van zijn grootmoeder droeg hij het voor, en de kinderen, onder wie Van der Heijdens vader, zaten erbij. Dus toen Adri 10 was, werd hij geconfronteerd met de orale traditie van de familie. Ook zijn vader vertelde hem zijn versie van het verhaal van de kapitein die ten onrechte wordt vastgezet, vrij komt, rijk wordt en als De Graaf van Monte Christo wraak neemt.

Nu was daar ineens de 21ste-eeuwse, anarchistische versie van de graaf, Marcel T. Hij kreeg wat hij als schrijver gezichtsvernauwing noemt. Waar was de schaar! Hij moest knippen en plakken.

Het was alsof hij nu iets voor zijn grootvader en vader zou kunnen terugdoen. Toen hij laatst van zijn vrouw de eerste Nederlandse uitgave van De Graaf van Monte Christo kreeg, en het jaartal van de uitgave zag, 1923, raakte hij dan ook ontroerd: ‘Dit moet de versie zijn geweest die mijn grootvader heeft gelezen.’

Hij wilde alles weten van Marcel T. Zo’n pseudoniem kiest iemand niet voor niets, meende hij, dit is een romanpersonage. Er ontstond een voorzichtige opzet, een globaal idee waarin zijn personage tot het uiterste toe wraak wil nemen en er een spel met de politie van maakt om niet – of juist wel – opgepakt te worden.

Uiteindelijk wist hij dat deze zaak het slotdeel moest worden van De Tandeloze Tijd, de duizenden pagina’s dikke cyclus rond Albert Egberts en Ernst Quispel. De werktitel van dit slotakkoord was er snel: De Oprotpremie.

Zijn hoofdfiguren zouden elkaar – en Sévèke en T. – ontmoeten op een vergadering in een Nijmeegs kraakpand. Daar zou worden gesproken over een oprotpremie van een projectontwikkelaar om een kraakpand te verlaten. In het echte leven wilde T. tien jaar geleden werkelijk zo’n premie pakken, en Sévèke was verklaard tegenstander.

Ten slotte, verwijst de titel naar het einde van de cyclus: tijd om op te rotten uit De Tandeloze Tijd, voor de lezer, en ook voor AFTh.

‘Ik heb alleen nog geen naam voor de wreker, maar die dient zich vanzelf aan. Die kies ik altijd uit een rouwadvertentie.’

De echte Marcel T. zit sinds zijn aanhouding in zijn cel in Arnhem, waar hij ook door het Bamboeteam werd verhoord. Op 4 juli 2007 verscheen hij voor het eerst in de rechtbank. De zaak wordt na onderzoek in het Pieter Baan Centrum komende donderdag en vrijdag vervolgd.

Ook T. heeft zijn eigen geschiedenis opgeschreven, zij het minder breedsprakig dan Van der Heijden. Zijn verbeelding werd gevoed door anarchistische- en wereldliteratuur, muziek van Bob Dylan en speelfilms als Heat met Al Pacino en Robert de Niro in de hoofdrol.

Vanuit zijn flat boven café Boven de Wet in Antwerpen had hij in 2006 het 156 pagina’s lange in het Engels geschreven levensverhaal verzonden naar Lulu.com, een Amerikaanse website voor manuscripten.

Dit boek had hij geschreven onder het pseudoniem Carter McCoy en de titel was Thank you, see ya!’, in het Nederlands ‘Bedankt en tot ziens’. De Carter McCoy aan wie hij zijn naam ontleed, was de hoofdfiguur uit de gangsterfilm The Getaway (1972), en werd gespeeld door Steve McQueen. Carter McCoy heette zijn versie van de mislukte, veel gezochte bankovervaller. Hij doodde zijn oude roversmaten, om geluk te vinden met zijn geliefde.

Het boek van T. gaat over een eenzame man die op zoek is naar vrijheid, geluk en liefde. Hij overvalt banken om zich zo aan het systeem te kunnen onttrekken, en leeft met zijn prinses. Toch mislukt de ex-anarchist in de liefde, en stort zich op drank en hoeren.

Het boek van T. kreeg in ieder geval één recensie van een zekere ‘thomasw’ op de Duitse internetsite Literatur und Bankraub. Niet eerder las ‘thomasw’ zulke goede beschrijvingen van bankovervallen. Daarom noemt hij Carter McCoy een betere bankovervaller dan schrijver; zijn versie van de waarheid is beter dan zijn literaire verbeelding.

Opmerkelijk is dat deze recensie twee maanden voor de aanhouding van T. al te lezen was op internet. Een week later meldde ‘thomasw’ zich weer op Literatur und Bankraub. Hij schrijft dat hij Opsporing Verzocht heeft gezien en dat daarin een bankovervaller voorkomt die na elke daad ‘Bedankt en tot ziens’ zegt. Het kan niet anders, denkt thomasw: Carter McCoy en de bankovervaller zijn dezelfde.

Wie zich achter thomasw verschuilt, is onduidelijk. Hij meldt zich niet meer, ondanks herhaaldelijk verzoek. AFTh zou het niet verbazen dat het Marcel T. zelf zou zijn – hetgeen zou passen in zijn verhaallijn. De wreker als de man die her en der sporen achterliet voor de politie.

Niet alleen thomasw herkende T. tijdens deze aflevering van Opsporing Verzocht. Ook zijn ouders identificeerden op de getoonde videofilms van de overvallen in Leiden hun zoon. Nog diezelfde avond werd het politiekorps Hollands-Midden gebeld. Niet veel later maakte de politie op aangeven van de familie een kluis in Rottterdam open. Daar vonden ze zware explosieven en T.’s laptop, met daarin de autobiografische geschriften. Na zijn aanhouding bekende T. behalve de overvallen en aanslagen, de moord op Sévèke, zijn voormalige medekraker.

Ooit was Van der Heijden ook een kraker, maar niet in Nijmegen. Hij woonde eind jaren zeventig in Amsterdam in De Pijp in een door de gemeente gestripte etage. ‘Ik was een laffe kraker, een kraker zonder principe’, zegt hij. ‘Ik maakte elke maand geld over aan de gemeente, al werd dat telkens teruggestort.’

In zijn cyclus De Tandeloze Tijd wordt de ontwikkeling van de kraakbeweging opgetekend, met de rellen rond de kroning van koningin Beatrix en de dood in een politiecel van kraker Hans Kok. Van der Heijden was er een beetje bij geweest, tenminste bij de krakersrellen in de Vondelstraat. Een fotograaf met perskaart trok hem mee de barricaden op met de woorden: ‘Hij moet mee – hij moet het allemaal opschrijven.’

Maar toen de rellen op 30 april 1980 uitbarstten, lag hij op het strand van Positano, ten zuiden van Napels. ‘Ik ben meer iemand die het op afstand volgt. Net als Pierre uit Tolstojs Oorlog en Vrede.’

Maar als donderdag en vrijdag T. voor de Arnhemse rechtbank verschijnt, staat hij niet langer langs de zijlijn. AFTh zal er zijn tijdens de behandeling van de zaak, en hoopt ook een glimp van de verdachte op te vangen.

Ook is er voorzichtig contact gelegd met de nabestaanden van Sévèke. Zijn mededogen is groot, en niet gespeeld, moeten ze weten. Hij is bang dat zij zullen denken dat hij na de moord een juichkreet heeft losgelaten, alsof hij blij was met nieuwe stof voor zijn boek.

Hij wil ze vertellen dat de moord op Sévèke tot de moderne geschiedenis behoort. Dat hij de moderne geschiedenis, de vaderlandse geschiedenis en zijn eigen geschiedenis samen wil laten vallen in zijn literatuur.

Dat is zijn opdracht – daar gaat het hem om. ‘Ik ben geen journalist, of iemand die op zoek is naar de juridische waarheid. Het is een roman en daarin wil ik een universele menselijke waarheid naar boven halen. De innerlijke logica van het kwaad die altijd weer in varianten toeslaat.’

Na de dood van kraker Hans Kok, die hij in Advocaat van de hanen vereeuwigde, waren alle feiten verstild. De zaak was achter de rug. Er waren geen nabestaanden met wie hij hoefde te overleggen of een verdachte die hem hogelijk fascineert en die hij voor zijn ogen zal zien bewegen.

‘Dit is allemaal nieuw voor me’, zegt hij. ‘Nu volg ik als het ware mijn roman, en wel in levende lijve. Ik zit middenin mijn eigen boek. Alleen heb ik niet de regie.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden