Verscheidenheid zonder eenheid

Over de eenheid van Indonesië valt niet te onderhandelen, is het credo waarmee president Soekarnoputri het militaire optreden tegen opstandige provincies rechtvaardigt....

Atjeeërs zingen luidkeels Indonesia Raya, het Indonesische volkslied. Dat is geen alledaags tafereel. De Indonesische televisie zendt het daarom uitgebreid uit. Hoeveel Atjeeërs er zingen valt moeilijk te zeggen. De tv-beelden suggereren dat het er veel zijn, maar je ziet er nooit meer dan tien tegelijk. Hoe hard de Atjeeërs zingen, is ook niet waar te nemen. Zij zijn omringd door vriendelijk lachende Indonesische soldaten, die eveneens zingen. Eén Atjeeër komt steeds in beeld, omdat hij zo fanatiek staat te zingen dat het bijna gênant is. Indonesische vlaggen worden gehesen, Atjeese vlaggen – de vlaggen van de 'separatisten' – worden in brand gestoken. Ook dat is geen alledaags verschijnsel.

Hoe spontaan de Atjeese betuiging van trouw is aan het 'merah-putih', het roodwit van de Indonesische vlag, valt van de televisie niet af te lezen. De Indonesische media staan onder zware censuur als het over Atjeh gaat. Wie in Atjeh is geweest weet dat het roodwit niet overal even spontaan wappert. In Noord-Atjeh en in de bergen van Centraal-Atjeh zijn streken waar voor elk huis de Indonesische tweekleur wappert. De bewoners vertellen daar – als niemand meeluistert – hoe het 'apparat' ze dwingt de vlag uit te steken. 'Apparat' is het woord waarin leger en politie worden samengevat. Niemand durft uit te vinden wat er gebeurt als ze weigeren. Als het 'apparat' zegt: hang de vlag uit, dan hangen ze de vlag uit. Zegt het: 'zing', dan zingt Atjeh.

Het 'apparat' is het werktuig dat Indonesië dezer dagen bij elkaar houdt. Veertigduizend manschappen van het 'apparat' voeren sinds mei in Atjeh een grootscheepse militaire actie uit om de laatste aspiraties tot afscheiding van de provincie de kop in te drukken. Op Ambon en in Papoea (voorheen Irian Jaya) gebeurt op kleinere schaal hetzelfde.

'Over de eenheid van Indonesië valt niet te onderhandelen', is het credo waarmee de huidige president, Megawati Soekarnoputri, het militair optreden tegen opstandige provincies rechtvaardigt. De eenheid van Indonesië is meer dan een heilig goed. Megawati's vader Soekarno, de stichter en eerste president van de republiek, heeft die eenheid op 1 juni 1945 verankerd in de 'Pancasila', de vijf grondregels die het fundament vormen van het nieuwe Indonesië: Indonesië kent één God, één president, één natie en één volk, een volk dat leeft in een democratie en sociale gerechtigheid.

Soekarno's oproep uit 1945: 'Plant de Pancasila in je hart!' wordt na 58 jaar nog steeds trouw uitgevoerd. De Pancasila wordt nog altijd elke maandagochtend op elke school in Indonesië gereciteerd, na het zingen van Mengheninkan Cipta het loflied op de 'helden van de revolutie', en vóór het zingen van Indonesia Raya.

In Blitar, de plaats waar 'Bung Karno' begraven ligt, vieren ze elk jaar op 1 juni de 'geboorte' van de Pancasila alsof het de Tien Geboden zijn die op die dag uit de hemel zijn neergedaald. Bung Karno's geboortedag (6 juni) wordt in dezelfde week gevierd. Dit jaar met een wajangspel door Ki Mantep Sudarsono, de beroemdste wajangspeler van Indonesië. Een avond lang duurt het speciaal voor de gelegenheid geschreven spel, waarin Bung Karno de strijd aanbindt met demonen en andere vijanden.

De 'proklamator', de 'stichter' van de republiek en de held van de revolutie heeft deze avond maar één missie: iedereen ervan te overtuigen dat Indonesië één natie is, met één volk. Merdeka!!! roept de ceremoniemeester voor het spel begint. Het publiek roept het hem na. Merdeka!, en balt de vuist alsof het nog steeds 1950 is.

De ceremoniemeester is oud-burgemeester Haryono Koesoemo, tevens voorzitter van de 'vereniging van mensen die houden van Bung Karno'. Veertig miljoen zijn dat er, zegt hij. Veertig miljoen mensen die Soekarno's erfenis bewaren en wachten op het moment dat Soekarno een waardige opvolger krijgt. Koesoemo: 'Indonesië heeft weer een leider als Bung Karno nodig.' Die is er niet. Ook Soekarno's eigen dochter schiet ernstig te kort, zegt Koesoemo. 'Zij heeft niet het lef van haar vader.'

Als Megawati de 'eenheid van Indonesië' belijdt, doet ze dat louter defensief, en niet, zoals haar vader, vanuit een visie. Ze doet het om recht te praten dat ze het leger naar Atjeh heeft gestuurd. In Blitar is er overigens niemand die haar tegenspreekt. Niemand twijfelt eraan dat die eenheid in gevaar is. Indonesië lijdt aan een 'Oostbloksyndroom': men is ervan overtuigd dat het land net als Rusland uit elkaar zal vallen als de gebeurtenissen op hun beloop worden gelaten. Oost-Timor is in 1999 gevallen, en als nu ook Atjeh valt, zullen Ambon en Papoea volgen, en daarna – wie weet – Noord-Sulawesi, Flores, West-Timor. . .

Ook als het niet een echte overtuiging is, dan is het in ieder geval een handig argument om militair ingrijpen, een noodtoestand, of 'speciale bevoegdheden' voor overheid en 'apparat' te rechtvaardigen. Zelfs het buitenland gaat hierin mee. Unaniem benadrukken de Europese Unie, de Verenigde Staten en landen als Zweden (waar GAM-leiders hun toevlucht hebben gezocht) dat zij 'de territoriale integriteit van Indonesië' respecteren, voordat zij ook maar een mild woord van kritiek op de militaire operatie in Atjeh durven te uiten. Het overwegend islamitische Indonesië is een te belangrijke bondgenoot in George Bush' kruistocht tegen het terrorisme.

Soekarno geloofde in Indonesië als een nieuwe internationale macht, die tussen de oude machten van Oost en West zijn eigen, leidende plaats zou innemen. Alleen wat omvang betreft was het land al niet de minste. Zijn Indonesië strekte zich uit 'van Sabang tot Merauke' – van het puntje van Atjeh in het westen tot het uiteinde van Papoea in het oosten), over twee tijdszones.

Nederland had al die eilanden vooral met geweld bijeengehouden. De idealist Soekarno wilde het volk verenigen door de Pancasila, die volgens hem 'beter (was) dan het Communistisch Manifest en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring'. Ook Soekarno schuwde overigens het geweld niet. Toen op Ambon in 1950 de Vrije Republiek der Zuid-Molukken (RMS) werd uitgeroepen, stuurde hij een invasiemacht die korte metten maakte met de afscheidingsbeweging daar. Opstanden op Java, Sumatra en Sulawesi werden de kop ingedrukt. Uiteindelijk werd ook Nieuw-Guinea ingelijfd, toen Nederland in 1962 onder internationale druk afstand deed van dit laatste stukje Nederlandsch-Indië.

Indonesië had vóór Soekarno nooit bestaan. Het was een schepping van de Nederlanders: een losse verzameling eilanden en eilandjes die slechts bij elkaar werd gehouden door het Nederlands gezag. Het was geen land, maar een lappendeken van eilanden, vorstendommetjes, sultanaten, koninkrijken en stamgebieden. De Nederlanders speelden die vorsten en stamhoofden als het van pas kwam met grote vaardigheid tegen elkaar uit.

Soekarno had een grotere, ideologische eenheid voor ogen. De Pancasila was daarvan het fundament, wederzijds respect moest de verdere samenhang bieden. 'Eenheid in Verscheidenheid' is het motto dat hij voor de nieuwe republiek bedacht. Soekarno zelf was de verpersoonlijking van deze eenheid in verscheidenheid: door zijn grootouders kreeg hij de oude Javaanse cultuur met de paplepel ingegoten. Hij kende de mythen, de sagen en legenden van Javaanse goden en helden, hij kende de Balinese dansen, hij kende de verworvenheden van het communisme, hij was thuis in alle godsdiensten. Van huis uit was hij moslim, maar in het christendom, het hindoeïsme en het boeddhisme voelde hij zich eveneens op zijn plaats.

In het Volkscongres (MPR) kregen alle delen van het eilandenrijk ('Tanah Air Kita', 'Ons Waterland') en alle geledingen van de maatschappij een plek. Op papier was zijn Indonesië een sociaal paradijs, waar plaats was voor alle culturen. In werkelijkheid verliep het anders. Soekarno schakelde het parlement uit omdat hem te zeer bekritiseerde en dwars zat, en voerde de 'geleide democratie' in, een 'democratie' waarin de president vrijwel absolute bevoegdheden had, en de rol van het parlement tot vrijwel nul werd gereduceerd.

Daarmee effende hij ongewild het pad voor Soeharto, die hem in 1965 op omstreden wijze opzijschoof om zijn eigen, dictatoriale bewind te installeren. Een van de eerste daden van Soeharto was de 'verscheidenheid' opsluiten in een reservaat: aan de rand van Jakarta bouwde hij 'Taman Mini', een Madurodam op ware grootte, waar alle culturen van alle provincies werden uitgebeeld. Dat was zijn laatste bijdrage aan de volkscultuur, en het startsein voor een heel andere cultuur: die van de corruptie.

Soeharto gunde het lucratieve Taman Mini-project aan zijn echtgenote. Het was het eerste openlijke, schaamteloze voorbeeld van zelfverrijking die de rest van zijn bewind zou kenmerken. Het parlement accepteerde het en maakte zichzelf daarmee medeplichtig. Een parlementariër: 'Vanaf dat moment wisten we dat wij twee dingen konden doen: meedoen, of eruit stappen.' De affaire-Taman Mini was het begin van Soeharto's systeem van smeergeld, zwijggeld, gunsten en voordeeltjes waarin ten slotte de legertop, de regering, de politieke elite, de bestuurders en het hele bestuursapparaat verweven raakten.

Onbekende winsten op olie, hout en mijnbouwproducten stroomden uit de provincies in de zakken van de elite in Jakarta. Gewesten als Atjeh (gas) en Papoea (goud, olie, hout) zagen niets van hun rijkdom terug. Het 'apparat' hield, waar nodig, door intimidatie en terreur de bevolking koest.

De verscheidenheid deed Soeharto geweld aan door honderdduizenden Javanen vanuit het overvolle Java over te planten naar andere eilanden. Deze 'transmigratie' (die overigens ook al door de Nederlanders was toegepast) legde de grondslag voor tal van latere, en mogelijk toekomstige etnische conflicten.

Na de val van Soeharto, in 1998, zou alles anders worden. Een 'reformasi' ('hervorming'), zou Indonesië van dictatuur omvormen tot een democratisch land. Habibie, de opvolger van Soeharto, maakte daarmee een hoopgevend begin. Hij veranderde ondemocratische wetten, hief de censuur op, en zette projecten op om het leven in de provincies te verbeteren.

In Atjeh liggen de resten van zo'n project: de spoorlijn die Lhokseumawe met de hoofdstad Banda Atjeh zou gaan verbinden. Stukken spoordijk en stukken rails die van nergens naar nergens gaan, liggen te verzakken in de grond. Habibie kreeg de tijd niet om het af te maken. Hij was amper een jaar president. Hij was nog niet weg, of het project werd stilgelegd en vergeten.

Wat Indonesië zich van Habibie herinnert is de doodzonde die hij beging: een zonde tegen de Pancasila. Habibie 'gaf Oost-Timor weg'. Soeharto had de voormalige Portugese kolonie in 1976 met geweld veroverd. Habibie maakte die inlijving ongedaan: hij schonk de Timorezen een referendum waarin zij in grote meerderheid kozen voor onafhankelijkheid. Het Indonesische leger en pro-Indonesische milities ontketenden een golf van geweld die het halve landje in de as legden, maar zij konden het tij niet keren. Australische VN-troepen ontzetten het landje, en Oost-Timor werd onafhankelijk.

De afsplitsing van Oost-Timor was een schok voor de Indonesiërs. Indonesië bleek ineens niet onaantastbaar. In Atjeh en in Irian Jaya begonnen activisten hun eigen referendum voor te bereiden. In de eerste dagen van de 'reformasi' leek dat een taak voor de nieuwe democratie. Toen in Atjeh in november 1999 honderdduizenden mensen de straat opgingen om een referendum te vragen, kregen zij zelfs steun uit Jakarta: Abdurrahman 'Gus Dur' Wahid, de opvolger van Habibie, liet zich ontvallen dat de Atjeeërs net zoveel recht op een referendum hadden als de Timorezen. 'Waarom niet?', opperde de nieuwe president. Van nu af zouden in Indonesië alle conflicten langs democratische weg worden opgelost. Gus Durs vice-president, Megawati, verklaarde met tranen in haar ogen 'nooit meer soldaten naar Atjeh' te zullen sturen.

Gus Dur moest zijn belofte snel weer inslikken, vermoedelijk onder druk van de militairen die na een korte adempauze hun greep op de politiek in Jakarta begonnen te hernemen. Het leger speelde even later, in juli 2000, een dubieuze rol in de val van Gus Dur. Megawati werd president. Met lange tanden tekende haar regering een vredesverdrag met GAM, dat na een paar maanden spaak liep op wederzijdse onwil van rebellen en leger. Megawati riep – vermoedelijk ook onder druk van de legertop – de staat van beleg uit en zond duizenden extra manschappen naar de provincie.

Soekarno-vriend Koesoemo: 'Onder Bung Karno zou het nooit zover zijn gekomen. Bung Karno zou zelf naar Atjeh zijn gegaan en de mensen rechtstreeks hebben gevraagd wat ze wilden. Megawati durft dat niet.' Megawati is wel in Atjeh geweest. Maar ze heeft daar niet echt met het volk gesproken. Toen een student haar interrumpeerde reageerde ze furieus. Sindsdien heeft ze het niet meer op demonstranten. Wie haar portret bezoedelt gaat de gevangenis in. Cynisch wordt zij wel 'Soehartoputri' genoemd, dochter van Soeharto, omdat haar beleid meer lijkt op dat van de ex-dictator dan op dat van haar vader.

Megawati heeft Atjeh 'speciale autonomie' aangeboden, in plaats van onafhankelijkheid. Op papier is het aanbod genereus. De provincie krijgt 70 procent van de opbrengst van het gas dat daar wordt gewonnen, geld dat voorheen naar Jakarta verdween, de provinciale regering krijgt meer beleidsruimte, en de streng islamitische provincie mag de moslimwetgeving invoeren.

Maar in de praktijk staat het er met die autonomie voor als met Habibies spoorlijn: hij is er, maar hij is er niet. De islamitische rechtbank is werkeloos, wat er met het vele extra geld gebeurt weet niemand, en de oude, Jakarta-getrouwe regering zit er ook nog. De bevolking merkt van de autonomie vooralsnog slechts dat er nog meer militairen zijn dan voorheen. Het lijkt erop dat dit voorlopig zo blijft. De legertop heeft al laten weten dat zes maanden – de tijd waarvoor de staat van beleg geldt – niet genoeg zal zijn om GAM op te ruimen. Dat wordt een kwestie van 'jaren', erkent een legerwoordvoerder in Banda Atjeh.

Het zal nog veel langer duren voordat de Atjeeërs alle ellende zullen zijn vergeten, en van harte het Indonesia Raya zullen zingen. Als die tijd ooit zal aanbreken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden