Verre familie van Karel de Grote

De gevoelstemperatuur van het begrip familie kan van lichte verhoging oplopen tot hoge koorts. Het vreemde is dat degene die het dichtst bij je staat, je vrouw of je man, geen familie is.

Het heeft een tijdje geduurd voor ik wist wat het woord 'familie' betekende. Ik lag in de wieg, werd eruit getild en weer in teruggelegd. Tegen degene die dat deed leerde ik 'mamma' zeggen. Aan haar hand deed ik mijn eerste wankele passen. Dat 'mamma' familie was, mijn regelrechtste zelfs, wist ik nog niet.


Door haar vak was mijn moeder vaak van huis. Ze liet zich dan vervangen door een huishoudster, die me met dezelfde moederlijke zorgen omringde. Op haar arm gezeten keek ik naar buiten en zag de meeuwen boven de stille Haagse gracht. Zij keek naar iets anders: het Italiaanse restaurant aan de overkant. Zij was verliefd op de wildbesnorde eigenaar ervan. Helaas was hij getrouwd en in bezit van een omvangrijke familie. Families konden in de weg zitten.


Ik had veel ooms en tantes, die geen échte ooms en tantes waren, maar vrienden en vriendinnen uit mijn moeders toneelfamilie. Tot ver in mijn volwassenheid bleef de acteur en regisseur Ton Lutz voor mij oom Ton, de liefste tante de actrice Mimi Boesnach, de directeur van het toneelgezelschap waarbij mijn moeder onder contract stond, Guus Oster, oom Guus. Zo komt het dat ik collega-columniste Annemarie Oster als een lieftallig nichtje beschouw.


Mijn moeder was enig kind, dus van die kant van de familie geen ooms of tantes. Mijn vader beschikte wel over broers en zussen, maar mijn vader... Van Dale geeft als eerste betekenis van het woord familie 'gezin als bestaande uit bij elkaar wonende leden, huisgezin van een bepaald persoon'.


Mijn vader verliet het huisgezin toen ik drie jaar was en daarna zag ik hem nog slechts vier of vijf keer. Er was me gezegd dat hij mijn vader was, maar voor mij bleef hij bij die weinige ontmoetingen een 'bepaald persoon', die me, als ik hem zag, geurend naar tabak en alcohol, vluchtig kuste. Voor hij uit kon groeien tot vader en misschien wel vriend, was hij dood.


Zijn broers en zussen kende ik nauwelijks. Ze hadden voor het merendeel hun heil gezocht in Nederlands-Indië en ze speelden geen rol in mijn leven. Na de oorlog keerden ze terug en hun oom- en tanteschap nam ik voor kennisgeving aan. Ik had vrienden gevonden en dacht het wel zonder familie te kunnen stellen.


De familie van mijn moeder had oudere banden met ons Indië. Mijn overgrootmoeder werd geboren in Padang (Sumatra) en trouwde daar in 1871, achttien jaar oud, met een kapitein der genie, die in 1902 overleed. Ze verliet haar geboorteland en kwam in Den Haag te wonen. Als jongetje bracht mijn moeder me vaak naar haar toe. Ze was een pittig Indisch dametje met, ondanks haar hoge leeftijd, nog altijd glanzend zwart haar. In haar huis steeg een heerlijke geur op uit de potten en pannen, die de hele dag op het fornuis stonden. Ze leerde me een kaartspelletje en tikte me met korte Indische geluidjes op de vingers, als ik een blunder beging. We speelden om halve centen. Intussen at ik mijn buik rond aan spekkoek, kroepoek en pisang goreng.


Ze had haar kinderen meegenomen naar het verre Negeri Belanda. Een ervan was mijn grootvader, geboren in 1877 in Batavia, die in Den Haag een gevierd roman- en toneelschrijver werd. Mijn vader en mijn grootvader schreven; ik heb het van niemand vreemd. Als mijn grootvader, die ik oops noemde, op me moest passen gebeurde dat in zijn werkkamer. Stil in een hoekje keek ik naar hem, terwijl hij aan zijn bureau met een kroontjespen vellen vol zat te krassen. Wat schrijven was wist ik voor ik begreep wat je ermee kunt doen. Ik zag oops voor het laatst in 1947, toen hij op zijn sterfbed lag. Mijn moeder, die erbij was, straalde een ijzige koude af. Wat hiervan de oorzaak was weet ik niet zeker, maar ik geloof dat ze hem de vroegtijdige dood van haar moeder verweet, die ik nooit gekend heb. Later schreef ik het gedicht De Stervende Grootvader, waarin de regels : 'O mijn dochter, rouw en berouw, breken in mijn ogen aan'.


De gevoelstemperatuur van het begrip familie kan van lichte verhoging oplopen tot hoge koorts. Erfeniskwesties hebben ijlen tot gevolg. Vaak heeft familie een streepje voor. Beschouw je familie als mensen met wie je je tot aan het verste twijgje van de stamboom hecht verbonden voelt, dan spreken we van familieziek. Het vreemde is dat degene die, als het goed is, het dichtst bij je staat, je vrouw of je man, geen familie is. Hoe hoog de gevoelstemperatuur ook is, mijn vrouw mag om ongeluk te voorkomen geen familie zijn, althans niet van al te nabij. Ik leef met iemand die geen familie is, terwijl het toch zo voelt.


Door toedoen van mijn vrouw ben ik in het bezit gekomen van Amerikaanse schoonfamilie. Schoonfamilie is een hoofdstuk apart. Het woord heeft iets onaangenaams. Schoonmoeder en schoondochter: berg je maar. Het huwelijk met mijn vrouw zorgde voor stiefkinderen, zodat ik tot stiefvader werd gebombardeerd. Ter verzachting noem ik mezelf 'stiepa'. Dat klinkt vlot. Stiepa, haren in de wind, doet nog volop mee.


Mijn Amerikaanse schoonfamilie wordt gevormd door een schoonvader, een schoonmoeder, twee schoonzussen en twee zwagers. Toen ik mijn pas verworven schoonfamilie voor het eerst met mijn vrouw bezocht kwam men naar Massachusetts (waar de ouders van mijn vrouw woonden) aangevlogen uit Vermont, Illinois en Florida. Amerikanen wonen door hun hele land heen. Eén zwager ontbrak op de familiereünie. Over hem werd gezwegen. Hij bleek het zwarte schaap van de familie te zijn. Elke familie kent haar zwarte schaap.


In de omgang met grote gezelschappen ben ik niet op mijn best. Ik kan twee of drie mensen aan. Zijn het er meer dan heb ik de neiging om me terug te trekken in de periferie van het gezelschap en daar op te lossen in onzichtbaarheid. Zo ook bij deze gelegenheid, waarbij de familieleden, die elkaar niet dagelijks zagen, elkaar veel te vertellen hadden. Herinneringen werden opgehaald, inside-story's opnieuw verteld, oude amateurfilmpjes vertoond waarop iedereen nog erg jong was. Men verstond elkaar met een half woord. Hoewel ik hartelijk bejegend werd, voelde ik me er toch niet bijhoren. Een schoongrootmoeder, die de reünie had bijgewoond, vroeg na afloop dan ook aan mijn schoonmoeder: 'Elizabeth, who was that German boy?'


Op een dag plofte er een dikke envelop bij mij in de bus, die de genealogie van mijn vaders familie bevatte. Een me onbekende verre achterneef had een en ander grondig uitgeplozen. De meisjesnaam van mijn grootmoeder bleek een schatkelder te zijn van maar liefst 41 generaties diep. Via familiale sluipwegen als Duco Gerrold Rengers (geb. 1750, baron, heer van Farmsum), Arnold van Egmond (geb. 1410, hertog van Gelre), Maria van Constantinopel (geb. 1202, gravin van Vlaanderen) en Boudewijn III van Henegouwen (geb. 1087) kwam ik ten slotte terecht bij (schrik niet) Karel de Grote (geb. 742, keizer).


Misschien is het toch zo gek nog niet om familieziek te zijn.


Remco Campert (1929) is dichter, schrijver en columnist van de Volkskrant.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden