Veronique Branquinho

Mysterieus, melancholiek, nostalgisch. Omschrijvingen voor de kleding van Veronique Branquinho (34) zijn talloos. Ongetwijfeld omdat haar ontwerpen even ongrijpbaar zijn als de Belgische ontwerpster zelf....

Haar collecties zijn haar dagboeken, zegt Veronique Branquinho (34). Ze zijn verweven met haar leven op het moment dat ze de kleren ontwierp. ‘Het zijn nooit alleen de kleren. Het gaat net zo goed om hoe ik me voel.’

Soms zijn haar shows daarom uitgesproken opgewekt en licht, soms melancholiek, op het sombere af. Maar altijd zijn haar kleren rustig, draagbaar en elegant. Elke keer zitten er wel wat vage verwijzingen in naar films, muziek, romanheldinnen en het modeverleden, aanknopingspunten die ervoor zorgen dat ‘iedereen ze kan lezen’. Maar te letterlijk worden die nooit, er blijft iets mysterieus, ongrijpbaars om Branquinho’s ontwerpen hangen.

En dat moet vooral zo blijven. Niet alleen vindt ze het lastig mode in woorden te vangen (‘Een schrijver schrijft, een schilder maakt een doek, ik druk mij uit met mode’), ze houdt er ook niet van om haar kleren door en door te duiden. Ze wordt nu nog ‘achtervolgd’ door de inspiratiebronnen voor haar eerste twee collecties – meisjesschooluniformen uit 1900 en de fotografie van David Hamilton – ‘terwijl ik sindsdien achttien andere collecties heb laten zien. En wat is ertegen iets aan de verbeelding over te laten? Mysterie is een onderschatte waarde. Ik hou van de films van David Lynch. Ik begrijp ze niet altijd, maar dat maakt niet uit, want ze kloppen wel.’

Nog terughoudender dan over haar kleren, is ze lange tijd over zichzelf geweest. Vanaf het moment dat ze in 1997 in één keer beroemd werd met haar kuise, maar erotisch geladen vrouwenkleren heeft ze zich zoveel mogelijk op de achtergrond gehouden. ‘Al die aandacht beangstigde me. Ik was bang dat ik een hype zou worden en dat dat tegen me zou gaan werken. Iedereen wilde opeens weten waar ik uitging en wat mijn favoriete parfum was. Ik kan het nu wat meer relativeren, maar toen vond ik dat totaal niet relevant. Kijk naar mijn werk, dacht ik.’

Branquinho’s vijf verdiepingen tellende winkel en werkruimte aan de Nationalestraat in Antwerpen ademt de sfeer van late jaren zestig en vroege jaren zeventig: stenen vloeren of witte vloerbedekking, houten muren of muren van witgeschilderde baksteen en op de begane grond een zwartgespoten rotan Emmanuelle-stoel.

‘Een eigen winkel wilde ik alleen in dit pand. Het voelde helemaal goed, met die mooie architectuur en al die natuurlijke materialen; ik heb er weinig aan hoeven doen. Er zat een juwelier in, die het in 1969 zelf had laten bouwen. Ik ging af en toe naar binnen. In het begin zag ik hem kijken: wat doet dat meisje hier? Maar na anderhalf jaar mocht ik gaan zitten en kreeg ik koffie aangeboden. En op het moment dat hij ’t wilde verkopen, mocht ik het hebben.’

Zelf woont ze in een ‘witte James Bond-bungalow’, in een berkenbos ergens tussen Antwerpen en Brussel en ingericht in dezelfde modernistische sfeer als haar winkel. Het is een stijl waar ze als kind maar af en toe een glimp van opving. Ze groeide op in de jaren zeventig en tachtig in Vilvoorde, een industriestad in de buurt van Brussel. Het ouderlijk huis was van onder tot boven volgestouwd met poppen, beeldjes en andere snuisterijen. De enige ruimte die afweek, was de kamer van Veronique. ‘Daar kwam helemaal niets aan de muur.’

Haar moeder was verpleegster, haar vader een Portugese boerenzoon die op reis was gegaan na onenigheid met zijn vader over de bedrijfsvoering van diens boerderij. Ze ontmoetten elkaar toen hij met een gebroken been in het ziekenhuis terechtkwam. Nadat ze waren getrouwd, werd hij fabrieksarbeider. Veronique, de jongste van twee kinderen, had al vroeg ‘het gevoel dat ik iets miste. Ik wist dat ik niet op mijn plaats was, ik zocht naar een uitweg, manieren om me uit te drukken.’

Ze ging op ballet, volgde cursussen tekenen en schilderen. Toen ze op haar 14de in een krantenbijlage kennismaakte met de Zes van Antwerpen, de eerste generatie Belgische modeontwerpers die internationaal doorbrak, wist ze waar haar bestemming lag. ‘Ieder meisje kijkt natuurlijk naar mode. Maar het bleef tot dan toe ver weg. Thierry Mugler, Claude Montana, Jean Paul Gaultier, dat waren toen de grote namen. Heel veel glitter, heel veel show. Maar bij de Zes was het helemaal anders. Die spraken een taal die ik begreep.’

Na de modeafdeling van de Academie voor Schone Kunsten werkte ze twee jaar voor commerciële merken als Natan. ‘Dat vond ik moeilijk, ik had geen zin me in te leven in het beeld van een ander. Ik was natuurlijk ook nog jong – 21, 22, niet een leeftijd waarop je je geroepen voelt compromissen te sluiten.’ Ze woonde in die tijd samen met mannenontwerper Raf Simons, met wie ze vijf jaar een relatie zou hebben. ‘Hij was verder dan ik, hij had net zijn eerste collectie getoond in Milaan. Hij heeft me gestimuleerd om voor mezelf te beginnen.’

Maar samenleven met een andere modeontwerper was ook zwaar. ‘Het ging bij ons altijd over mode, altijd zat een van ons wel op een piek te werken, we moesten alles nog zelf doen. Een sociaal leven hadden we niet, ik ben vijf jaar lang nauwelijks buiten geweest.’

Branquinho is even mooi, maar stoerder, toegankelijker en aardser dan je op grond van haar reputatie en de gestileerde zwart-wit foto’s die ze van zichzelf laat verspreiden, verwacht. Ze is lang en slank, een moderne kruising tussen Jane Birkin en Chrissie Hynde in een twee jaar oud, driedelig krijtstreeppak van eigen merk. Op haar gezicht geen spoor van make-up. De lange, slanke vingers houdt ze tijdens het gesprek in het kantoor boven haar winkel rustig in elkaar gevouwen.

In het MoMu, het modemuseum van Antwerpen, opent 12 maart een grote tentoonstelling over haar werk, Moi, Veronique. Branquinho TOuT NUe. Die titel verwijst naar hoe ze zich elke keer weer voelt als ze haar collecties toont. Als je alleen de hoofdletters leest, duidt hij aan dat het vooral niet om een retrospectief gaat. ‘Dat is zo fin de carrière.’

Aanleiding voor de tentoonstelling is het tienjarig bestaan van het merk Veronique Branquinho. In oktober presenteerde ze haar 21ste vrouwencollectie, voor zomer 2008, die ‘de cirkel rond heeft gemaakt. Ik heb het gevoel dat ik aan een nieuw hoofdstuk kan beginnen.’

Er zitten typische Branquinho-klassiekers in, zoals lange rokken, lange capes, lange jurken, smokings, hooggesloten blouses en plissérokken, maar ze hebben door de felgekleurde, lichte stoffen een opvallend vrolijke uitstraling. ‘Het is een collectie die terug- en vooruitkijkt. Een optimistische collectie. Ik heb nieuwe dingen toegelaten, bijvoorbeeld lichte katoen voor een lange rok. Die lange rokken waren bij mij tot nu toe meestal heel streng, maar ik vond het belangrijk om ze toegankelijker te maken, dat je er wat nonchalanter mee kunt omgaan. Je kunt ’m zelfs in de wasmachine stoppen.’

Haar eerste Parijse presentatie, in oktober 1997, omvatte niet meer dan een rek met kleren, een tafeltje en aan de wand grofkorrelige zwart-wit foto’s van een jonge vrouw in een lange witte jurk die door een bos rende. Branquinho hoopte destijds dat ze drie klanten zou krijgen, zodat ze een bedrijfje zou kunnen beginnen.

Maar behalve de belangrijke warenhuizen Barneys New York en Colette uit Parijs plaatsten nog 25 winkels bestellingen. ‘Ik stond zelf alle orders te noteren.’ Een half jaar later hield ze haar eerste show. De kleren daaruit staan nog altijd op het netvlies van modeliefhebbers: lange, zwarte rokken, hooggesloten truien, leren plooirokken.

Ze kreeg er de Amerikaanse Vogue VH1 Fashion Award voor meest veelbelovende nieuwe ontwerper voor. Nog geen jaar nadat ze haar eerste presentatie had gehouden, dronk de toen 25-jarige ontwerpster thee bij Anna Wintour thuis en stond ze op het podium met Madonna. ‘Ik deed het allemaal gewoon, maar besefte nauwelijks wat er allemaal gebeurde. Ik zat helemaal in de rush van het moment.’ Dat besef is er nu wel. ‘Het was de tijd van John Galliano en Alexander McQueen. Kleren die vrij agressief waren, campagnes waarin modellen eruitzagen alsof ze net waren verkracht. Ik denk dat er behoefte was aan een warmer, vrouwelijker, humaner beeld.

‘Ik vind het belangrijk dat een vrouw in de eerste plaats zichzelf kan zijn: een vrouw. Dat ze niet een jurk kiest voor het merk, of omdat iets dat seizoen een hot item is, maar dat ze iets kiest waarin ze zich goed voelt, waarin ze mooier wordt. Een mooi kledingstuk om te dragen. Kleren zijn pas interessant als ze deel worden van een persoonlijkheid.’ Dat er op de catwalks nog steeds karikaturale vrouwbeelden worden neergezet die eigenlijk ‘antivrouw’ zijn, vindt ze onbegrijpelijk. ‘Het is eigenlijk zo ouderwets om daarover te praten. Maar er zijn nog steeds zo veel vrouwen die zich laten indoctrineren, en er daarom niet uitzien.’

Ze wordt meestal in een adem genoemd met andere Antwerpse ontwerpers als Ann Demeulemeester en Dries van Noten, die net als zij trouw blijven aan hun eigen stijl en altijd een waardige, volwassen vrouw neerzetten. En ze wordt vergeleken met Coco Chanel. ‘Iedereen bleef dat maar herhalen, dus ja, ik heb de biografie inmiddels gelezen. Ik heb veel bewondering voor haar. Een selfmade vrouw die koppig haar eigen weg zocht, en altijd respectvol was tegenover vrouwen. Iedereen kent haar van die pakjes, maar ze heeft zo veel meer gedaan. Ze was de eerste die comfortabele stoffen uit de mannengarderobe gebruikte voor vrouwen. Ze drong vrouwen nooit een onnatuurlijk silhouet op.’

Ook op een basaal niveau komt de visie van Branquinho overeen met die van Coco Chanel, die ooit heeft gezegd dat er geen lelijker lichaamsdeel is dan een vrouwenknie: bij Branquinho is nooit een bloot bovenbeen te zien. En waar andere ontwerpers de klassieke smoking vervrouwelijken door er hooguit een laag uitgesneden hemdje onder te laten dragen, combineert zij hem met een coltrui. Alleen de armen en de rug willen bij haar nog weleens bloot zijn. Ze vindt het simpelweg niet mooi om ‘de waren uit te stallen’. Maar seksloos wordt het nooit – er zit altijd iets broeierigs in de kleren van Branquinho, die dol is op klassieke erotische films als Emmanuelle, Bilitis en Histoire d’O. ‘De contouren zijn zichtbaar. Ik wil dat je getriggerd wordt meer te willen zien, te willen uitpakken.’

En hoe zit dat met haar mannenmode, die ze sinds 2003 maakt? ‘Daar ga ik speelser en luchtiger bij te werk. Ik kan bij mannen gewoon denken: wat vind ik sexy, hoe vind ik dat een man eruit moet zien? Ik vind een man sexy als hij eruitziet alsof hij met andere dingen bezig is dan met mode. De ontwerpen voor vrouwen komen echt uit mijn onderbuik. Het móét eruit, en dat is niet altijd gemakkelijk. Bij mannen kan ik denken: dat ziet er wel goed uit zo, daar wil ik best naast lopen.

Haar eerste vijf vrouwencollecties waren ‘een verwerking van mijn eigen adolescentie’. Maar in haar zesde, die voor de winter van 2000-2001, brak ze radicaal met het jonge, melancholieke, donkere beeld dat ze tot dan toe had laten zien: ze maakte een volwassen, klassieke, bijna helemaal in camelkleur gehouden collectie. Die werd even hard bejubeld als haar eerste en bleek even invloedrijk.

Sindsdien lijkt het rustiger geworden rond Branquinho. In het begin werd ze nog gezien als een net zo grote modevernieuwer als Nicolas Ghesquière, de ontwerper die Balenciaga nieuw leven inblies en een enorme invloed heeft op het internationale modebeeld. Dat geluid is nu verstomd, en het aantal verkooppunten van Branquinho’s kleren is de laatste jaren niet spectaculair toegenomen.

Was er dan toch sprake van de door haar zelf gevreesde hype? En heeft ze de belofte niet ingelost? ‘Ik vind wat Nicolas Ghesquière doet heel goed, maar je kunt mij niet met hem vergelijken. Ik heb niet voor de mainstream gekozen. Ik heb geen groot conglomeraat achter me, geen marketing- en publiciteitsmachine.

Dat zijn allemaal wapens die ik niet heb. Ik wil ook helemaal de strijd niet aangaan met de grote merken. En ik wil ook niet, zoals veel ontwerpers doen, elk seizoen iets nieuws neerzetten. Ik heb een andere aanpak. Ik bouw iets op en ga daarmee door.

‘Mijn kracht is juist dat ik niet voor iedereen ben. Ik ben klein en specifiek. Een alternatief bieden, dat is mijn drijfveer.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden