Vernieuwing parlement moet van bevlogen jongeren komen

De regeringsfracties worden door het tweede garnituur geleid, menen Jos de Beus en Jouke Turpijn. Dat gaat ten koste van het gezag van de Tweede Kamer....

Onlangs belegde de Tweede Kamer een conferentie over zichzelf. In een in juli 2007 aangenomen motie wilde Jan Schinkelshoek (CDA) een parlementair antwoord geven op aanhoudende kritiek vanuit de samenleving. Schinkelshoeks geesteskind, de stuurgroep Parlementaire Zelfreflectie, hoopt met haar recent verschenen rapport een verandering te veroorzaken van de parlementaire cultuur. Het rapport is rijk en bevat nuttige adviezen. Maar het werkt bij voorbaat aan een hopeloze missie.

Parlementaire culturen zijn onmogelijk te veranderen met onderzoeken en conferenties. Dat kan alleen bij een bedrijf. Het parlement is echter geen bedrijf, maar een kwetsbare groep vertegenwoordigers van het volk. Zij vertegenwoordigen volgens de Grondwet wat in de samenleving leeft door wetten te bedenken en ministers te controleren.

In die Grondwet staat echter niet wat een parlement precies is en hoe je daar aan politiek moet doen. Dat moeten Kamerleden echt helemaal zelf ter plekke bedenken. Een parlementaire cultuur kan louter veranderen door leden die in de praktijk met vallen en opstaan het spel uitvinden.

In de jaren sinds Fortuyn wordt deze praktijk op twee manieren gevormd: door expressieve populisten en introverte monisten.

De populisten vinden zichzelf leuk. Deze oppositiepartijen zoeken de randen van de regels op, door veel moties voor te stellen (Partij voor de Dieren), over alles een andere mening te hebben en in debat te gaan (D66), door nooit toe te geven (SP) of ritueel te vertrekken als de Kamer niet de hunne is (PVV). PvdD-aanvoerder Marianne Thieme presenteert dergelijke tactieken als de volgende stap in een parlementaire evolutie.

Dat klinkt mooi, maar is onjuist. Obstructie door veelpraterij, ritueel vertrek uit de vergaderzaal, instrumenten gebruiken tot iedereen gek van je wordt; het is allemaal eerder gedaan en bedacht in de 19de eeuw; een aantal keer herhaald en verfijnd in de 20ste eeuw. Alle keren gebeurde dat door partijen die niet lang bleven. Hoewel deze resultaten uit het verleden geen garanties voor de toekomst bieden, is Thiemes creativiteit in ieder geval bedrieglijk.

De oppositiepartijen blijven vaak weg bij belangrijke debatten en ook bij de parlementaire zelfreflectie haakten PVV, Verdonk en PvdD halverwege af. Daarmee verlies je op den duur geloofwaardigheid. Het argument dat de kleine fracties te klein zijn om overal aan mee te doen is onzin, want de twee SGP-ers zijn wel overal.

Het argument dat oppositiepartijen geen tijd hebben voor beraad over beleid tot achter de komma is eveneens onredelijk, want zij maken deel uit van het parlement, of ze het nou leuk vinden of niet. Al zet je een stagiair in; je doet wel mee met het parlement want anders hoor je niet bij het parlement.

Deze strenge woorden hadden niet van ons, maar van de grote partijen moeten komen en daar zien we de tweede praktijkinvulling van de Kamer in terug. De coalitiepartijen nemen zichzelf ernstig als waardige oudere broers en zusters. Ze gedragen zich als het hogere, want meeregerende deel van de Kamer, zoals bij hun verdediging van het beleidsakkoord van het kabinet-Balkenende IV.

Noch het CDA noch de PvdA noch de ChristenUnie durfde te zeggen: de totstandkoming van het crisisplan van het kabinet was onparlementair, maar dat was nodig om zo snel mogelijk uit de crisis te geraken. Regeringspartijen reageren soms een beetje boos op die lastige oppositielui, maar spelen het spel nooit hard en proberen tegengeluiden te negeren.

De huidige Kamermeerderheid heeft veel weg van de Kamerleden die onder koning Willem I louter in het parlement zaten om ja te knikken. Deze naar binnen gekeerde monisten zijn gemakkelijke prooien voor dubieuze lobbyorganisaties en hebben de neiging willoos mee te regeren.

Door deze twee bewegingen (feller populisme en koppiger monisme) raakt het parlement verscheurd. De zorgen van Frank Ankersmit en Leo Klinkers – twee actieve oudleden van de Nationale Conventie uit 2006 – over de neergang van de parlementaire praktijk zijn daarom begrijpelijk. Helaas zien zij de oplossing vooral in het terugdraaien van de tijd. De Kamer moet bevolkt worden door doorgewinterde oude mensen en het parlement moet terug naar de tijd van voor de beleidsnota’s.

Interessant genoeg zien drie belangrijke externe adviseurs van de stuurgroep zelfreflectie die allen ook rondom de nieuwe pensioengerechtigde leeftijd leven (Van den Berg, De Beaufort, Schutte) wel mogelijkheden voor innovatie.

Toch laten ook zij een belangrijk middel liggen. Uiteindelijk moet verandering van Kamerleden komen die in de bloei van hun leven zijn en het volksvertegenwoordigerschap bevlogen invullen. Als jonge Kamerleden boven de partijen uitstijgen en met ervaren parlementaire docenten de ruimte krijgen plannen te bedenken, dan zouden die plannen – wetgeving, controle of parlementaire hervorming – ook wel eens degelijk en uitvoerbaar kunnen zijn.

Deze ruimte kunnen jonge Kamerleden alleen krijgen als ze bazen met gezag hebben. En daar ligt het probleem van de Kamer van vandaag. De vervangers van Bos, Rouvoet en Verhagen zijn vaardig, maar genoten bij hun aantreden geen breed gezag in de Kamer.

Dat zouden Bos en de andere ministers ook niet prettig hebben gevonden. Maar als het parlement inderdaad gekozen wordt door een volk dat de besten wil als volksvertegenwoordigers, dan moeten die besten tussen de vertegenwoordigers zitten en niet allemaal op het pluche.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden