Column

Vernieuwde academische pabo: welkome brug tussen basisschool en universiteit

'Volgens Kees Vernooy, expert in lees- en taalonderwijs, is 3 tot 5 procent van de leerlingen dyslectisch, de rest zijn 'pseudo-dyslecten'.

Goed nieuws: er komt een universitaire opleiding voor leerkrachten in het basisonderwijs, aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Onderwijsminister Bussemaker heeft haar zegen gegeven. Maar die 'academische pabo' was er toch al? Enkele hogescholen en universiteiten bieden al acht jaar een gecombineerde opleiding aan, de ALPO, de gewone pabo én een universitaire bachelor pedagogie of onderwijskunde ineen. In de nieuwe studie is het hele programma van academisch niveau en toegespitst op de basisschool, en ze duurt een jaar korter.

De ALPO's vinden het een slecht idee, begrijpelijk, want ze zien potentiële studenten weglopen. Hogeschool HAN, die samen met dezelfde Radboud Universiteit een ALPO aanbiedt, heeft al protest aangetekend. Dat is afgewezen, en terecht, want deze bachelor is een aanwinst.

Een groot deel van de ALPO-studenten studeert nu verder voor een masterdiploma en zal nooit lesgeven. Hopelijk trekt de nieuwe studie wél vwo'ers die voor de klas blijven. Dat zou helpen tegen een dreigend groot lerarentekort. Tenminste, als dit echte meesters en juffen zullen zijn, die de ambitie hebben om goed onderwijs te geven, en niet lesgeven als een opstapje beschouwen.

Meer academici, dat kan ook helpen - mits het salaris meegroeit - om het aanzien van het basisonderwijs te verbeteren. Het is goed om variatie te hebben op een school: mbo-onderwijsassistenten, hbo-leerkrachten en academici. Die variatie bestaat ook onder de kinderen; een deel ervan zal naar het vwo en de universiteit gaan. Veel ouders zijn hoogopgeleid; misschien laten academisch opgeleide leerkrachten zich wat minder snel intimideren.

Er is nog een belangrijk argument voor leerkrachten van de universiteit: uitwisseling tussen theorie en praktijk. Veel onderwijsonderzoekers kijken zelden rond in een klaslokaal en veel leerkrachten weten weinig van wetenschappelijk onderzoek, terwijl ze er veel plezier van kunnen hebben.

Dyslexie

Hoezeer het mis kan gaan tussen wetenschap en praktijk bleek toen er onlangs een hoop gedoe was over dyslexie. Drie hoogleraren die zich bezighouden met dyslexie-onderzoek brachten naar buiten dat de groei van het aantal gevallen van dyslexie - 8 procent van de basisschoolleerlingen; 15 procent van de vmbo'ers - te wijten is aan slecht spelling- en leesonderwijs. Meer oefenen en herhalen zou het aantal diagnoses omlaag kunnen brengen.

Niet zo'n heel gekke gedachte: hoe onderscheid je 'echte' dyslexie van de gevolgen van slecht onderwijs? Dat is handig om te weten, want het oplopende aantal diagnoses en behandelingen kost veel geld, dat beter naar (taal)onderwijs kan gaan. Ook zou die kennis de wildgroei kunnen stoppen van bureautjes waar je makkelijk een dyslexieverklaring kunt krijgen, mét bijbehorende, vergoede behandeling.

Volgens Kees Vernooy, expert in lees- en taalonderwijs, is 3 tot 5 procent van de leerlingen dyslectisch, de rest zijn 'pseudo-dyslecten'. De tweede hoogleraar, Ben Maassen, gaat uit van een vergelijkbaar percentage. Maar de derde hoogleraar, Anna Bosman, overtroefde hen triomfantelijk met: 'Ik vraag me af of dyslexie wel bestaat.'

Die opmerking veroorzaakte loeiende verontwaardiging in het land. Mensen laten zich niet zomaar hun diagnose afpakken. 'Ik ben dyslectisch' kan iemands identiteit bepalen. Waren zij soms leugenaars of aanstellers? Wat dacht die hooggeleerde mevrouw wel! Ze zou het zelf moeten hebben! Ouders boos, leerkrachten beledigd, belangenverenigingen woedend. De wetenschappers legden uit dat het ook een kwestie van definitie is. Wanneer 'bestaat' een kwaal? Als zij in de hersenen aantoonbaar is, als prestaties afwijken van het gemiddelde? Als er een aanwijsbare oorzaak is? Het hielp niet.

Adviezen

Jammer dat het zo liep. De zinnige boodschap van de hoogleraren: het aantal zwakke lezers en spellers, dyslectisch of niet, kan worden teruggedrongen door meer oefening en herhaling, werd overstemd door emoties.

Leerkrachten laten dyslectische kinderen nu vaak minder lezen en schrijven. Ze krijgen de lesstof aangeboden op de iPad, in beeld en geluid, omdat het anders zo zielig is. Maar daar worden het zwakkere lezers van. Zo versterkt de diagnose zichzelf; dat is verschrikkelijk.

Scholen kunnen hun voordeel doen met zulke adviezen. Maar dan zouden wetenschappers ze wel wat handiger naar buiten mogen brengen. Wat werkt wel, en wat niet? Wat is aangetoond, wat is nepkennis of wensdenken - dat wil je toch weten? Daarover gaat het, als het goed is, op de universiteit. Deze jonge, academische leraren, niet behept met vooroordelen, kunnen die kennis doorgeven en in praktijk brengen.

Aleid Truijens is schrijfster, literatuurrecensente en biografe. Reageren? opinie@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden