'Vermoeden van kindermishandeling klopt vaak'

Kindermishandeling liep als een rode draad door zijn regeerperiode. Nieuw onderzoek heeft demissionair minister André Rouvoet ervan overtuigd dat het zin heeft om gevallen te melden....

Aimée Kiene en  Anneke Stoffelen

In elke schoolklas zit een kind dat slachtoffer is van mishandeling. Vanaf het moment dat minister Rouvoet (Jeugd en Gezin) dit schokkende gegeven onder ogen kreeg, liep het als een rode draad door zijn regeerperiode.

In 2007 bleek voor het eerst uit onderzoeksrapporten dat het aantal mishandelde kinderen veel groter is dan altijd werd gedacht. Niet 50 duizend tot 80 duizend kinderen zijn slachtoffer, maar minimaal 107 duizend.

Minister Rouvoet: ‘Dat zijn kinderen met blauwe plekken, maar ook kinderen die geestelijk of emotioneel worden verwaarloosd, of zonder ontbijt naar school gaan. En kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zoals een vader die zijn vrouw slaat, zijn ook slachtoffer van kindermishandeling. We hanteren in Nederland een brede definitie van het begrip kindermishandeling, het gaat niet alleen om kinderen die klappen krijgen. Dat zeg ik niet om het te relativeren. Integendeel. Er is zoveel verborgen leed, dat kunnen we niet accepteren.’

Onderzoeksbureau Motivaction heeft onderzoek gedaan naar de vraag of omstanders kindermishandeling herkennen en of ze weten wat ze dan moeten doen. Waarom nu dit onderzoek?

‘In de zomer van 2007 ben ik begonnen met een actieplan voor de bestrijding van kindermishandeling. We werken aan de invoering van een meldcode voor professionals die veel kinderen zien, zoals huisartsen, tandartsen en fysiotherapeuten. Maar om kindermishandeling echt aan te pakken, moet je de awareness en de actiebereidheid niet alleen bij professionals verbeteren, dat moet je ook doen bij de omstanders, bij familie, vrienden, buren, opa’s en oma’s. Je kunt natuurlijk geen protocol maken voor opa’s en oma’s. Die proberen we te bereiken met een campagne die nu anderhalf jaar loopt. Door middel van dit onderzoek evalueren we de effecten van die campagne.’

Wat is de belangrijkste uitkomst van het onderzoek?

‘Het blijkt dat bij zes van de tien meldingen die omstanders doen van een vermoeden van kindermishandeling, er ook daadwerkelijk sprake is van mishandeling. Het werkt dus, het heeft betekenis om te melden. Daarnaast denkt het overgrote deel van de ondervraagden dat kindermishandeling in hun eigen kring niet voorkomt. Dat is opmerkelijk, want als gemiddeld één kind in iedere schoolklas slachtoffer is, dan is dat statistisch niet mogelijk. Het is dichterbij dan gedacht.’

Is kindermishandeling een taboe?

‘Het is een moeilijk onderwerp. Ik denk dat het goed is dat we de campagne voeren, om het bewustzijn groter te maken. Natuurlijk moet niet iedereen elkaar gaan verdenken van kindermishandeling, maar het komt te vaak voor om het te laten rusten. Ik heb me erg bewust bemoeid met de toon en de boodschap van de campagne. Eerder maakten we wel spotjes met angstige kinderen in de hoek van de kamer. Nu zijn kinderen in beeld in heel normale situaties. Een jongetje wordt bij zijn opa en oma opgehaald door een stel ongeïnteresseerde ouders. Op straat ligt de tekst: ‘was je maar nooit geboren’. De boodschap van de spotjes is: wees alert op bijzondere signalen in doodgewone situaties. Als ouder kun je best eens tegen je kind zeggen: ‘Ik heb zo genoeg van jou, ga jij maar even buiten afkoelen.’ Maar als dat structureel gebeurt, als een kind elke week in z’n eentje op straat wordt gestuurd, dan kan er sprake zijn van verwaarlozing.’

Stel dat mensen zoiets bij hun buren zien gebeuren. Wat moeten zij doen?

‘Ze moeten niks, laat ik dat voorop stellen. Maar het zou goed zijn als ze bij zichzelf te rade gaan of er een reden is om zich zorgen te maken. Zo ja, dan kunnen ze de ouders aanspreken, of de huisarts inseinen. Ze kunnen zich met hun vragen en twijfels ook altijd wenden tot het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, het AMK. Uit het onderzoek blijkt dat een aandachtspunt te zijn: mensen kennen het AMK vooral als meldpunt, en weten niet dat het ook een plek is om advies te vragen. Dat moeten we duidelijk gaan maken, want dat verkeerde idee van het AMK maakt de stap om contact op te nemen nu misschien nog groot. Ook omdat mensen het gevoel hebben achter de rug van buren of familie over hun kinderen te praten.’

De kritiek is dat er vanuit het ministerie te veel nadruk wordt gelegd op de risico’s. Als ouders er steeds maar op worden gewezen wat ze fout doen, raken ze in opvoedstress.

‘Het is onvermijdelijk dat je soms het negatieve benadrukt. Als justitie een campagne voert tegen vandalisme, betekent dat natuurlijk niet dat alle kinderen vandalen zijn. Maar beleid is nu eenmaal voor de dingen die niet goed gaan. De overheid bepaalt uiteraard niet wat een goede opvoeding is, dat bepalen ouders zelf. Als het niet goed gaat, willen we ouders wel een steuntje in de rug geven. Maar zoiets als verplichte opvoedondersteuning, waar vanuit de Tweede Kamer soms om wordt gevraagd, daar ben ik héél terughoudend in.’

Bestaat het gevaar dat de alertheid doorslaat en dat ouders ten onrechte beschuldigd worden van kindermishandeling?

‘Ik snap de aarzeling, het kan gebeuren dat omstanders een vermoeden hebben van kindermishandeling, en dat dat uiteindelijk niet zo blijkt te zijn. Dat is natuurlijk heel pijnlijk, en ik begrijp dat ouders het gevoel hebben: hoe kun je dat nu van ons denken? Maar ruim 100 duizend kinderen gebeurt het wel. Daarom kunnen we niet achterover leunen. We moeten zoeken naar een balans tussen voorzichtigheid en alertheid.’

Kan het aantal mishandelde kinderen nog dalen?

‘Dat denk ik wel, maar er is een grens aan wat de overheid kan doen. Wij kunnen niet voorkomen dat het fout gaat in het gezin. We kunnen er wel voor zorgen dat ouders hulp krijgen als het een keer niet lukt. Maar we weten niet precies wat zich in de huiskamers afspeelt.

‘Begin volgend jaar komen er nieuwe cijfers over kindermishandeling naar buiten. Ik weet niet of het aantal dan al lager zal liggen. Ik hoop het vurig. Elk kind dat niet meer mishandeld wordt, is er één. Maar het kan best dat er nog sprake is van een dark number, omdat we nog niet van alles op de hoogte waren. Als er meer gemeld wordt, komen er ook meer gevallen van kindermishandeling aan het licht. Dat is ook wat ik wil: het aantal meldingen moet niet omlaag, dat moet omhoog. Ik neem geen genoegen met een schijndaling.’

Plan voor andere jeugdzorg
ChristenUnie-leider André Rouvoet (48) was de eerste en vermoedelijk voorlopig laatste minister van Jeugd en Gezin. Bij zijn aantreden in het kabinet-Balkenende IV in 2007 was het doel van het aparte ministerie het versnipperde beleid voor de zorg voor kinderen onder te brengen bij één persoon. Hoogstwaarschijnlijk zal een nieuw kabinet het ministerie weer opheffen.

‘Dat zou mijn keuze niet zijn’, zegt Rouvoet daar zelf over. ‘Er is veel enthousiasme over de samenwerking die is ontstaan tussen bijvoorbeeld hulpverleners en politie. Dat is een gevolg van de samenwerking tussen de ministeries in Den Haag.’

Het meest zichtbare resultaat van zijn ministerschap zijn de centra voor Jeugd en Gezin in elke gemeente. Hoewel er ook kritiek is op wat deze centra werkelijk bereiken, is Rouvoet nog steeds een warm voorstander van laagdrempelig opvoedadvies dicht bij ouders in de buurt. ‘Veel gemeenten zijn enthousiast, en ik ben daarom ook niet bang dat de centra snel zullen verdwijnen als het ministerie van Jeugd en Gezin verdwijnt.’

De meeste kritiek oogstte Rouvoet vanwege zijn onmacht om de bureaucratie en wachtlijsten in de jeugdzorg aan te pakken.

Toch heeft hij de moed niet opgegeven: nog na de val van het kabinet presenteerde hij een plan om de hele organisatie van de jeugdzorg te veranderen. Niet de provincies, maar de gemeenten zouden in de toekomst verantwoordelijk moeten worden voor alle zorg ten behoeve van jongeren en kinderen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden