Vermenging van zin en waanzin

Vaslav Nijinski ligt in bed. De telefoon rinkelt maar hij neemt niet op. Hij heeft sowieso een hekel aan de telefoon, en zeker als hij in zijn schriften schrijft....

Vanavond is er heel wat te schrijven. Nijinski heeft gedanst, voor het eerst sinds lang. Niet op een echt podium, maar in het Suvretta-hotel in Sankt Moritz. Hij had zich grondig voorbereid, zijn darmen geledigd, zijn maag rust gegund. En hij had dure kleren aangetrokken zodat iedereen zou denken dat hij een rijk man is.

Daarna had hij gedanst. Niet L'après-midi d'un faune of Jeux of een marionettendans uit Petroesjka, maar nieuwe, grillige solo's over oorlog en bloed en hoererij had hij uitgevoerd.

Nijinski ligt op bed en noteert in zijn schrift wat hij heeft ervaren: 'Het publiek begreep mijn dansen, want het wilde ook dansen. Ik danste slecht, want ik viel op de vloer, toen dat niet moest. Het kon het publiek niet schelen, want ik danste mooi. Het publiek begreep mijn grappen en vermaakte zich. Ik wilde nog verder dansen, maar God zei me: Genoeg zo.'

God was de hele avond dicht bij hem geweest, schrijft hij. 'Hij had mij lief. Ik had hem lief. We werden in de echt verbonden. Ik zei in het rijtuig tegen mijn vrouw dat het vandaag de dag was van mijn echtverbintenis met God.'

Het is februari 1919. Vaslav Nijinski is veruit de beroemdste danser van zijn tijd. Na zijn triomfen aan de zijde van Diaghilev met de Ballets Russes in Parijs had hij de hele wereld aan zijn voeten gekregen. Hij was ontslagen en weer aangenomen door Diaghilev, enkel en alleen omdat de Amerikanen om zijn komst smeekten, hij was getrouwd met Romola, was een groot deel van de Eerste Wereldoorlog bij zijn schoonouders in Hongarije 'geïnterneerd' geweest en had daarna andermaal de beide Amerika's veroverd. En nu was de grote Russische danser met vrouw en dochtertje in Sankt Moritz om uit te rusten van alle vermoeienissen.

Tussen de Zwitserse bergen raakt Nijinski al snel het zicht op de werkelijkheid kwijt. Hij bezoekt dokter Fränkel om met hem over de stormen in zijn hoofd te praten. Hij traint wat, hij tekent veel, hij wandelt in de bergen en praat met merkwaardige types, hij denkt na over uitvindingen waar de mensheid baat bij kan hebben: een vulpen die niet vlekt en geen vouwen in je vingers maakt, een brug die de oceaan kan overspannen.

Maar bovenal schrijft hij. Die weinig geletterde danser, opgeleid aan de Keizerlijke balletschool van de tsaar om met zijn lichaam te schitteren en niet met zijn geest, begint als een bezetene te schrijven. Hij krijgt kramp in zijn handen, maar Nijinski schrijft door. Alles wat door zijn hoofd raast probeert hij in woorden te vangen, al die gedachten van een verdwaasde Rus die al zo lang geen rust meer heeft noteert hij. In anderhalve week schrijft hij vier schriften vol, zonder aarzeling, bijna zonder doorhaling, écriture automatique. Hij schrijft in een ademloze opeenvolging van korte zinnen in alinea's die vele pagina's omvatten.

Hierarchie brengt hij niet aan, de gedachten schieten als kometen door zijn verhitte brein. De ene associatie roept meteen de volgende op. Beroemde tijdgenoten komen langs: Lloyd George, Wilson, Clemenceau ('Ik houd van Clemencaeau omdat hij een kind is'), Stravinsky ('een goede componist, maar hij schrijft niet naar het leven'), Diaghilev ('Diaghilev is een begraafplaats, en daarom is hij een omgekeerde wandelstok'), Nietzsche ('Ik houd van Nietzsche. Hij zal mij niet begrijpen, want hij denkt'), Dostojevski, Tolstoj én Leonid Massine, de nieuwe oogappel van de Ballets Russes ('Een heel goed mens, alleen saai').

Over alles en iedereen heeft Nijinski zijn oordeel klaar. Als een keizer verdeelt hij de wereld in goed en kwaad, maar nooit op rationele gronden ('Ik denk weinig en daarom begrijp ik alles wat ik voel'). Houden van - dat is zijn geliefde werkwoord. Hij houdt van gebochelden, van joden met kort haar, van mensen die werken. Maar een vliegtuig is een verschrikkelijk ding, net als een likdoorn. En Zwitsers, zo meldt hij al op de eerste bladzij, zijn hem te droog. 'Zwitserland is ziek, want het ligt helemaal in de bergen'. Zo wordt het hele land door hem naar het Kurort vwerwezen. Maar pas op, Nijinski verwisselt zijn meningen zoals een ander zijn jas. De liefde voor Amerika, armen, vulpotloden of zijn vrouw kan drie regels verder al weer bekoeld zijn.

Veel van die overtuigingen worden hem rechtstreeks ingegeven door God, of god ('Ik schrijf God weer met een hoofdletter, want God wil het, maar ik verander het weer, want het is gemakkelijker om het met een kleine te schrijven'). Dat is geen kwestie van influisteren, nee, God spreekt tot hem met stemverheffing, tijdens wandelingen, als hij danst of als hij op bed ligt. God/god vertelt hem dat hij vandaag tegen zijn gewoonte in vlees moet eten, dat hij met de pen moet schrijven, of juist met een klein potlood. Allengs gaan de danser en God/god steeds meer samenvallen. Het tweede schrift ondertekent hij al als God Nijinski.

Ook over het schrijven zelf hebben God/god en Nijinski allerlei opvattingen. Nijinski vindt dat zijn schriften niet in druk moeten worden uitgegeven. De drukkers zullen moeten huilen tijdens hun arbeid, en dat leidt tot slecht drukwerk. Zijn voorkeur gaat daarom uit naar fotografische reproductie. Ook wil hij dat zijn boek gratis wordt gepubliceerd.

De Waterman's Ideal Fountain Pen waarmee hij schrijft wekt zijn argwaan. Hij vermoedt dat de heer Waterman zich wil verrijken door slechte pennen in de handel te brengen. 'Ik blijf met die vulpen schrijven zolang God het wil, Ik voel een vermoeidheid in mijn hand. Op de pen staat Ideal en mijn vulpen is niet ideaal. Ik houd van idealen, maar van idealen waarover men niet spreekt. Ik ben een ideaal. Mijn vulpen is geen ideaal. Een ideaal is een volmaakt ding. Ik heb een methode gevonden voor een ideale vulpen, en ik ga veel geld verdienen.'

Veel geld verdienen, ook daardoor is de danser geobsedeerd. Nijinski wil zelfs - aangemoedigd door God - op de beurs speculeren, maar niet om er zelf beter van te worden. Dat geld zou hij aan de armen geven, zo had hij bedacht. Maar de armen te bereiken, dat is nog niet zo gemakkelijk. Nijinski bedenkt een list. Hij zal zich stervende houden, waarna een arme hem in zijn nederige hut zal noden, zodat hij hem alsnog het geld kan overhandigen.

Arme Nijinski. Zo raast hij door, tweehonderd pagina's lang, in een fascinerende vermenging van zin en waanzin. Het is alsof een sonde je een ongefilterde blik gunt in de hersenpan van een begaafd kunstenaar. Telkens weer staan er zinnen waarin de genialiteit sluimert, telkens weer loopt daarna al snel het spoor dood.

Rijk is hij nooit geworden. Na die ene keer in het Suvretta heeft hij ook niet meer gedanst. De laatste dertig jaar van zijn leven verbleef hij in allerlei psychiatrische inrichtingen. Hij stierf in 1950 in Arundel, een dorpje aan de kust van Sussex.

Al in 1936 gaf zijn vrouw de dagboeken vrij, maar in een danig gekuiste versie. De vele aanmerkingen op haar en haar familie waren goeddeels geschrapt, alsmede de passages waarin hij vrijelijk schrijft over zijn gewoonte om te masturberen, over hoerenloperij, over dat hij op sommige dagen wel vijf keer neukte (de letterlijke term die hij gebruikte) of over hoe na het eten van vlees de darmen langs zijn anus zijn lichaam dreigden te verlaten. Dat gekuiste dagboek verscheen in het begin van de jaren zeventig bij de Bezige Bij in de Kwintessens-reeks, een serie met in kleurpotlood uitgevoerde psychedelische omslagen, waarin bijvoorbeeld ook Herman Hesse figureerde.

Van zijn vier balletten is weinig meer bewaard gebleven dan de muziek, wat foto's en de ooggetuigeverslagen van het tumult dat ze bij hun première veroorzaakten. Wat verspreide tekeningen en notities zijn het enige wat nog van zijn creatieve werk rest. Dankzij zijn dochters, die vorig jaar de complete in het Russisch geschreven schriften vrijgaven, kunnen daar nu deze Dagboeken aan worden toegevoegd. Ze vormen de laatste eruptie van een waarachtig en gekweld kunstenaar die heel veel begreep wat hij net niet kon bevatten.

'Ik weet dat velen zullen zeggen: 'Waarom praat Nijinski altijd over God? Hij is gek geworden. Wij weten dat hij een balletdanser is en verder niets.' Ik begrijp al die spotternijen. Ik ben niet boos om die spotternijen. Ik huil en huil.'

Ariejan Korteweg

Nijinski: Dagboeken. UIt het Russisch vertaald door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes (met inleiding van Rudi van Dantzig). Ambo, ¿ 49,50. ISBN 90 263 1394 2

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden