Verliefd op de meisjes van Metsu

Een honderd-procentscore heeft conservator Adriaan Waiboer. En daar is hij trots op. Honderd-procentscore in een schilderijententoonstelling, dat betekent dat alle stukken die hij wilde laten zien, zijn toegekend. Ook de stukken uit particuliere collecties. En daar zit 'm de kunst.


Want om bij kunstbezitters een werk uit de keuken of de huiskamer te vragen, vereist nogal wat. Vermogend zijn ze, tuurlijk, de kunstbezitters. De koningin van Engeland zit erbij, en de Rothschilds. Maar het is meestal niet als in een museum, dat er, for the time being, even een ander schilderijtje uit depot kan worden gehaald voor die lege plek aan de muur.


Een schilderij in persoonlijk bezit is een schilderij waarmee de eigenaar een relatie heeft. Waar hij vaak, soms elke dag naar kijkt. Waar hij zich niet zomaar van losmaakt. 'Het zelfportretje van Gabriël Metsu hangt bij koningin Elizabeth in het vertrek naast de eetkamer. En bij een Deense familie moesten we naar de badkamer en de slaapkamer om de Metsu's te zien', zegt Waiboer.


Tien jaar geleden werd de Nederlandse Waiboer (1972) ingewijd in het ritueel van kunstkenner-kunstbezitter-verhoudingen. Door zijn hoogleraar in New York, Egbert Havekamp-Begemann. Waiboer begon een promotieonderzoek naar de schilder Gabriël Metsu. Het onderzoek heeft geleid tot een dissertatie en een overzichtstentoonstelling in The National Gallery of Ireland, waar hij inmiddels conservator is. Vanaf volgende week, 16 december, is die tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam te zien.


Als je tijd hebt, moet je Gabriël Metsu als onderwerp nemen, had de professor tegen Waiboer gezegd. 'Want als je iemands oeuvre onder de loep neemt, moet je álles van hem zien.' Waiboer reisde de wereld af. De schilderijen van Gabriël Metsu, 17de-eeuws alleskunner, hangen in collecties van San Diego tot Moskou.


Het vereist nogal wat diplomatie, de omgang met rijke mensen die veel kunst bezitten, zegt Waiboer. Dit contact is een van de dingen die deze wereld draaiende houdt. Een van de eerste lessen die hij kreeg van Havekamp-Begemann: 'Je moet ze met fluwelen handschoenen behandelen. Er zijn regels over wat je wel en niet zegt, als je het huis van een particulier binnenkomt.' Zoals? 'Je geeft je mening pas over een schilderij als dat je gevraagd wordt. Want je wil de familie niet tegen je in het harnas jagen.' Dat lijkt misschien voor de hand te liggen, maar loop maar eens naar een schilderij zonder er meteen iets van te vinden, als kenner. Wat je wel doet: 'Je uit je dankbaarheid dat ze je binnenlaten. Het is hun domein. Dan ontstaat er een win-win-situatie: ik ben dankbaar dat ik het kan zien, zij zijn dankbaar dat het gezien wordt.'


'Mijn God, je denkt toch niet dat ik mijn leven ga wijden aan meisjes die brieven schrijven?', was zijn eerste gedachte na het voorstel van zijn professor. Maar Waiboer is om: hij is gevallen voor Metsu. 'De menselijkheid van de figuren', zegt de conservator, daar zit het 'm in. 'Komt in de buurt van die van Jan Steen. Maar ik word niet verliefd op de vrouwen van Jan Steen. Wel op die van Metsu.'


Maar er is meer met Metsu. Natuurlijk, de schilders van de Gouden Eeuw stonden bekend om hun alledaagse voorstellingen. Het doe-maar-gewoon op zijn best. Waar in andere landen de upperclass nog van de schilderijen afstraalde, de dramatiek werd opgevoerd en de religieuze symboliek in de kunst uit zijn voegen barstte om de kijker maar tot devotie te bewegen, bleven de Hollanders lekker nuchter.


Althans, zo willen we het graag geloven, en verkopen. Jan Steen, Vermeer, Avercamp, De Hooch, Van Ruisdael, Van Goyen, het is hun romantiek-van-het-gewone die maar blijft trekken. Het Sint Nicolaasfeest of een middagje op het ijs. Een eenvoudige molen of bleekvelden waar linnen ligt te drogen. Het meisje dat een kan melk uitschenkt. Zoals je kunt genieten van mensen die zich onbespied wanen en bezig zijn met hun eigen dingen: een man die een boek leest in de trein, een meisje dat met haar telefoon speelt. Die subtiele schoonheid van het alledaagse heeft de Hollandse kunst gemaakt, en er valt zelfs te argumenteren dat dat van Piet Mondriaan tot aan Marijke van Warmerdam en Rineke Dijkstra zichtbaar is.


Maar de dingen zijn ook weer niet altijd zoals ze lijken. En als er één is die dat laat zien, was het de schilder Gabriël Metsu. Neem het zieke kind, uit het Rijksmuseum. Alles in het schilderij is erop gericht het sentiment van de kijker aan te spreken. Het kindje kijkt ons aan met haar (of zijn) bleke koppie, de moeder richt al haar concentratie en liefde op het kind. Ze draagt oorbellen en een mooie hoofdkap, maar dat is dan ook de enige weelde. Ze is alledaags, ze is iedere moeder, het kind is ieders kind.


Toch is het de vorm die verraadt dat Metsu niet zo maar een moeder heeft geschilderd. Iedereen die wel eens in een Italiaanse kerk is geweest, kan het zien: Metsu's moeder is een Maria, het zieke kind is Christus.


Althans, de schilder dringt de associatie aan je op. Door de houding van de moeder, haar blik op het kind. Het kind, slap hangend in de armen. Metsu heeft gewoon een Pietá geschilderd: het iconische beeld van Maria met het hangende lijf van haar levenloze zoon op schoot, als was het nog haar baby.


Bij Metsu leeft het kind nog (net), en zuigt je naar zich toe. Het is bijna té, maar het werkt als een tierelier. Zoals Maria voor de katholieken iedere moeder is, en Christus iedere zoon, zo zijn Metsu's moeder en kind voor de Hollandse protestanten iedere moeder en ieder kind.


Het is de fexibiliteit van Metsu, waarin hij zich onderscheidt, zegt Waiboer. Niet het ongekende talent voor huiselijke stilte, zoals bij Vermeer, of juist voor huiselijk rumoer, zoals bij Steen.


'Alles wat hij deed, ging met souplesse', zegt hij. 'Hij wisselde zo makkelijk van onderwerp, stijl en techniek. Neem de kunstenares, ster, het zieke kind en de brieflezende vrouw. Dat zijn drie volledig verschillende stukken in onderwerp, techniek en stijl. Hij beheerste ze allemaal.'


Dat maakt het er overigens niet makkelijker op om een echte Metsu te herkennen. Hij geeft toe; er zijn evenveel Metsu's als niet-Metsu's in omloop. 'Waarschijnlijk iets meer niet-Metsu's'.


Hij heeft het er soms moeilijk mee gehad. 'Zoals bij het stilleven. Als die niet was ondertekend had ik het nooit opgemerkt.' Maar ook een handtekening moet je wantrouwen, die kan zijn vervalst. 'Je denkt: hoe ga ik in godsnaam ooit Metsu's penseelstreek herkennen in een dooie haan? Nu kan ik het, maar in het begin...' Alleen dateren lukt niet met deze schilder, zegt hij: 'je kunt niet vergelijken, daar zijn de schilderijen te divers voor.'


Een beetje 'geekie' moet je wel zijn, om je tien jaar op zo'n schilder te storten, geeft Waiboer toe. 'Mijn vrouw noemt me ook zo. Je bent steeds in je eentje enthousiast. De rest van de wereld zal 't zouten wat ik doe.'


Gelukkig is daar wat verandering in gekomen. De tentoonstelling in Dublin is deze week afgebouwd, en kan sluiten met goede bezoekcijfers. 'Metsu is een verteller. En dat zijn de Ieren ook, verhalenvertellers. Het sprak ze aan.' De reacties waren goed, ook aan Waiboer persoonlijk. Het deed hem goed toen hij hoorde dat de tentoonstelling mensen verlichting bood: 'Dit land is zwaar in crisis. Het is mooi dat mensen in Metsu een prettige afleiding vonden.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden