Verliefd op alzijn aankopen

Door

Liefde. Vraag Joop van Caldenborgh te schrijven over het diepste motief waarom hij verzamelt, en hij levert je het woord 'liefde'. Sterker, 'liefde op het eerste gezicht'. Maar ook de verliefdheid die beklijft na een nacht slapen. Want ja, verliefd moet je, volgens Van Caldenborgh, natuurlijk zijn op elke aankoop die je doet, maar ook nog the morning after.


Het staat te lezen in het voorwoord dat de Rotterdamse collectioneur en eigenaar van chemiebedrijf Caldic voor de catalogus heeft geschreven. Het omvangrijke boekwerk verschijnt bij de tentoonstelling I promise to love you, die vanaf morgen in de Kunsthal in Rotterdam is te zien. De tentoonstelling is een dwarsdoorsnede van werken die Van Caldenborgh de afgelopen tien jaar heeft gekocht.


Liefde dus. Een 'heel primair gevoel', schrijft Van Caldenborgh. Voor kunstwerken die kunnen ontroeren, verwarren, verrassen en bevragen. Maar waarover weinig te zeggen is. Omdat het volgens de verzamelaar onmogelijk uit te leggen is wat liefde is. Reden waarom hij de beroemde zinsnede van Ludwig Wittgenstein aanhaalt: 'Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.'


De uitspraak staat er zwart op wit, maar ook in levende lijve wijkt Van Caldenborgh - zwarte koltrui, casual jasje, uitbundig grijs haar, frisse oogopslag, snelle stem - er niet van af. Praten over zijn keuze in de Kunsthal doet hij niet. Hij wil alles openlaten. 'Ik verzamel in verschillende richtingen, omdat de kunst zich in verschillende richting ontwikkelt. Ik word er zenuwachtig van als ik maar een stroming zou volgen. Ik ken een verzamelaar die alleen landschappen van Mesdag koopt. Ik word er zeeziek van als ik het zie.'


Van Caldenborgh (1939) begon met Jan Schoonhoven en andere kunstenaars uit het minimalisme. En kocht daarna ook figuratieve kunst. 'Ze hebben elkaar niet verdrongen.' Inmiddels behoort hij tot de Big Boys onder de Nederlandse privéverzamelaars. Wellicht is hij nu zelfs The Boss. Maar anders dan zijn overleden collega's Martin Visser en Frits Becht, of de nog springlevende Martijn Sanders is er niet een duidelijke voorkeur die hij wil benadrukken.


Visser kocht werk in verschillende perioden aan, aanvankelijk van Cobra-kunstenaars, later van Francis Picabia en was ook een van de eersten die werk van Anselm Kiefer aanschafte. Becht kreeg bekendheid door zijn verzameling nationale en internationale pop art. Sanders blaast graag de loftrompet over Kiefer, Armando en Anton Henning. Natuurlijk is het ook deels beeldvorming. Maar als het toch beeldvorming is, dan nog geeft Van Caldenborgh niet prijs waar zijn voorkeuren liggen. En al helemaal niet wat de verzameling over de verzamelaar zelf zegt. Hij zou het niet weten. Of wil het niet zeggen.


Negen jaar geleden had hij ook al eens een expositie van zijn collectie, in het Museum Boijmans Van Beuningen. Chris Dercon, destijds daar directeur, had hem er voor uitgenodigd. Dercon wilde het groots aanpakken en maakte een keuze van van maar liefst achthonderd werken. Van Caldenborgh: 'Hij zocht naar een soort rode draad. Wilde een psychologisch beeld van de verzamelaar achter de collectie geven. Maar de tentoonstelling was achteraf toch te veel een Wunderkammer om daarin duidelijkheid te krijgen.'


En dus blijft er voor de bezoeker in de Kunsthal niets anders over dan te kijken, en zelf te bepalen waarnaar de liefde van Van Caldenborgh hem heeft geleid. Een tegenstrijdige ervaring. Want zo terughoudend als hij over zijn keuzes is, zo dwingend is de tentoonstelling. De Kunsthal is op aanwijzingen van de verzamelaar tot een strak parcours omgebouwd. Als door een vestiging van de IKEA word je door de kleine zaaltjes geleid.


Aan het begin hangt de neonreclame van Tracey Emin - I promise to love you - als een beginselverklaring. Ook voor de rest heeft Van Caldenborgh zijn expositie duidelijk georkestreerd, niet langs kunsthistorische lijnen, maar in sferen. Soms op uiterlijk, soms met een licht thematische inslag. Zo is er een zaal waarin het 'hergebruik' centraal staat, met glazen Thonetstoelen van Rita McBride, een schilderij van Robert Zandvliet naar een landschap van Breitner, Delfts blauw beschilderde cirkelzagen en gasflessen van Wim Delvoye. Verderop zijn aanwinsten te zien die het verleden verbeelden: een vitrine met dode vissen van Damien Hirst, lp's van Andy Holden beschilderd met souvenirs uit Parijs, Londen en India, een gereconstrueerde groepsfoto van Stan Douglas uit 1955. Halverwege de expositie heeft Van Caldenborgh de bont gekleurde foto van Thomas Ruff gehangen naast een al even kleurige pierrot-beeld van Folkert de Jong, een abstract geschilderij van Thomas Scheibitz met fluorescerend geel en rood.


Het algemene beeld is van een vrolijke, althans niet verontrustende verzameling. Van Caldenborgh heeft niet de rafelranden van de kunst opgezocht. Het is prettig toeven op de expositie. De presentatie moet een feest zijn voor het oog, geen drammerig engagement. Grote namen zijn er genoeg. Met bekend en atypisch werk. Maar als dit allemaal uit liefde is gekocht, dan heeft Van Caldenborgh vele maîtresses - is hij een promiscue verzamelaar.


Of de tentoonstelling recht doet aan de collectie die Van Caldenborgh in veertig jaar heeft opgebouwd? Eigenlijk niet. De zeventig werken die uiteindelijk de zalen van de Kunsthal hebben gehaald - hij had er aanvankelijk honderd uitgekozen, maar besloot tijdens het inrichten er dertig thuis te laten - zijn maar een fractie van de hoeveelheid die hij bezit. Hoeveel? Ook daarover wil de collectioneur liever zwijgen. Een paar duizend, klinkt het diplomatiek na enig aandringen. En over de laatste tien jaar, enkele honderden.


Een klein deel hangt in zijn Wassenaarse villa. Sommige sculpturen staan in de tuin. Een wat groter deel staat op de Caldic-kantoren, verspreid over de hele wereld. En de rest zit in opslag. Hij heeft er nog niet zo lang geleden een speciale loods voor laten bouwen. Het gaat om ongeveer tachtig procent van het totaal. Omdat hij eenvoudigweg te veel heeft aangekocht, omdat het te groot is of te ingewikkeld om op te stellen. Je vraagt je af waarom iemand het überhaupt koopt. Zelf ervan genieten is er veelal niet bij. Het omvangrijke schilderij van Kiefer, dat koop je niet voor de huiskamer. De zaalvullende video-installatie van Tayler-Wood, na de aanschaf nooit meer bekeken.


Hoe dat zo is gekomen? Van Caldenborgh: 'In het begin koop je voor boven de bank. Daarna voor op kantoor. Nu voor nergens. Niemand.' Het is volgens hem een kip-of-het-ei-verhaal: koop je kunst omdat je er toch de ruimte voor hebt, of maak je ruimte omdat je zoveel hebt? Een ding is zeker: ophouden met verzamelen is er niet bij. Zeker niet nu hij met pensioen is.


Vroeger combineerde hij galerie- en museumbezoek met zijn werk. Liet hij zijn secretaresse wat ruimte maken tussen de zakenafspraken, als hij toch in New York was. Zijn assistenten vroeg hij een lijst samen te stellen van tentoonstellingen die de moeite waard waren. Nu kan hij full time met kunst, en het aankopen ervan, bezig zijn. 'Anderen kijken op mijn leeftijd naar de tv of gaan naar de film. Ik ga kunst bekijken en lees er een boek over. Een week heeft zeven dagen, en ik sta vroeg op. Tijd zat.' Gaat hij in de Londense wijk Chelsea alle galeries af die er zijn. Het liefst incognito, als de eigenaar achter in zijn kantoor zit. Hoewel dat steeds moeilijker wordt. 'Grote kans dat ik dan iets koop.' Meer kans bestaat er als hij een afspraak met een kunstenaar maakt. 'Dat is gerichter. Ik weet waarom ik die afspraak heb gemaakt.'


Blijft de vraag waartoe zijn collectie zal leiden. Aankopen en opslaan is één, maar het tonen is een ander verhaal. Wordt het niet tijd om ergens een permanent onderkomen te zoeken voor alles wat hij in veertig jaar bij elkaar heeft gekocht? Een eigen museum. Of een schenking aan een bestaande instelling.


Zelf heeft hij nooit geprobeerd zijn verzameling bij een ander museum onder te brengen. En tot nu toe is hij maar een keer daarvoor benaderd, door het Gemeentemuseum Den Haag. 'Precair', vindt hij dat, omdat hij bij het Haagse museum ook voorzitter van de raad van toezicht is. Komt bij, dat een schenking aan een museum, volgens Van Caldenborgh, ook een 'dilemma' is. Want: wat blijft er van over? 'Nu kan ik er zelf nog mee stoeien. Dan niet meer. Niet dat ik zal zeggen: alles moet aan de muur. Je weet dat veel van de verzameling in het depot zal verdwijnen. Dat gebeurt nu ook.'


Blijft over de andere variant. Natuurlijk denkt hij na over een Caldic Museum. Hij heeft er eigenlijk al wel een concrete voorstelling van, legt hij uit. Dat het vanuit drie delen moet worden opgezet. Met een permanante opstelling, bijvoorbeeld van de videoinstallatie van Taylor-Wood en het immense beeld van Richard Serra. Een tweede afdeling met onderdelen van zijn verzameling die eens in de zoveel tijd zullen wisselen. En dan nog de tijdelijke tentoonstellingen, die al dan niet thematisch worden opgezet, bijvoorbeeld rond de gigantische hoeveelheid fotografie die hij bezit.


Van Caldenborgh laat zich niet verder uit de tent lokken. Negen jaar geleden was het nog een resoluut 'Nee', als je over zijn eigen museum begon. Nu wil hij binnen twee jaar een beslissing maken. Langer wachten is er niet bij. 'Ik ben ook de jongste niet meer.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.