Verleidelijke bedrieger

De Franse filmster Alain Delon maakte prachtige films en heeft toch een slechte naam. Hij is de bad boy van de cinema....

Ze stonden voor hem in de rij: Visconti, Antonioni, Clément, Melville, Losey. De beste regisseurs van de jaren zestig en zeventig wilden met Alain Delon werken. De jonge acteur met zijn knappe gezicht en mysterieuze charme veroverde vanuit het niets de filmwereld. Zonder opleiding of acteerervaring – zijn enige getuigschrift was een slagersdiploma – werd hij binnen een paar jaar tijd een van Europa’s grootste sterren.

Hij was de goedhartige Rocco in Rocco e i suoi fratelli (Luchino Visconti, 1960), de kille moordenaar Ripley in Plein soleil (René Clément, 1960) en de adellijke Tancredi in Il gattopardo (Visconti, 1963). Helderblauwe ogen, lange donkere wimpers, stoïcijnse blik; zowel vrouwen als mannen vielen als een blok voor Delon. Dankzij zijn verloving met Romy Schneider werd zijn privéleven voorpaginanieuws. Hollywood wilde hem hebben, in Japan werd hij vereerd. Alain Delon was een fenomeen.

In de zeventig is hij nu, en volgens de roddelbladen leidt hij een eenzaam bestaan. In de steek gelaten door zijn tweede vrouw, de Nederlandse Rosalie van Breemen, zou hij zich verschanst hebben in zijn villa in Genève. Acteren doet hij nog maar zelden. Wel is hij een druk zakenman, die in de loop der jaren parfums, zonnebrillen, horloges en andere luxegoederen onder zijn naam op de markt bracht. Alain Delon is een merk geworden.

Een merk dat kampt met een matig imago. Want ondanks zijn rijke oeuvre – dat een tiental klassiekers omvat, een aantal verborgen schatten, en een groot aantal solide genrefilms – is Delon niet erg geliefd onder vakgenoten. Weinig acteurs kunnen bogen op zijn staat van dienst, en toch werd hij zelden geëerd met een prijs, een overzichtprogramma of een ander cinematografisch eerbetoon.

Ook nu het Filmmuseum Delon deze zomer centraal stelt in een omvangrijk retrospectief, lijkt dat gepaard te gaan met twijfel. ‘The Man You Hate to Love’ heet het programma, een titel waarin de tweestrijd doorklinkt. Aan zijn werk kan dat niet liggen: voor filmliefhebbers wordt het retrospectief een feest, met prachtige titels als L’eclisse (Michelangelo Antonioni, 1962), Le samouraï (Jean-Pierre Melville, 1967), La piscine (Jacques Deray, 1968), Le cercle rouge (Melville, 1970) en Monsieur Klein (Joseph Losey, 1976). Waaraan dankt Delon dan toch zijn slechte naam? Het antwoord ligt in zijn privéleven, waaraan het Filmmuseum een aparte tentoonstelling wijdt.

Op die expositie zijn portretfoto’s, affiches en film- en televisiefragmenten te zien, die naast zijn onmiskenbare schoonheid ook Delons donkere kant belichten. Want een lieverdje is de acteur niet. Nooit geweest ook; als kleine jongen wil hij al niet deugen. Zijn gescheiden ouders weten niet wat ze met hem moeten beginnen, op school voert hij niets uit. Op zijn zeventiende besluit hij het leger in te gaan, waar hij twee jaar dient tijdens de oorlog in Indochina.

Die ervaring tekent hem. Hij houdt er een voorliefde voor wapens en overtuigd rechtse politieke standpunten aan over. Terug in Frankrijk begeeft hij zich in criminele kringen. Hij staat op goede voet met Mémé Guerini, hoofd van een tak van de maffia in Marseille, en rekruteert zijn beste vrienden en vertrouwelingen uit de onderwereld: Joegoslaven, Corsicanen, allemaal met een strafblad. Het brengt hem later in flinke problemen.

In zijn filmrollen kan Delon veel van zijn jongensachtige branie en liefde voor het criminele milieu kwijt. De Patricia Highsmith-verfilming Plein soleil betekent zijn grote doorbraak als acteur, en het is Delon zelf die voorstelt om de slechterik te spelen. Regisseur Clément ziet de knappe acteur liever als saaie playboy, maar gaat overstag. Als de jaloerse Ripley is Delon een ijskoude schurk; zijn imago als verleidelijke bedrieger is geboren.

In de media verschijnen geruchten over Delon als hartenbreker – hij verlaat Romy Schneider na een verloving van vijf jaar – en als arrogante ster. Zijn zelfverzekerdheid maakt deel uit van zijn aantrekkingskracht, maar na een aantal succesvolle films lijkt hij het wel erg hoog in de bol te krijgen. Berucht wordt een interview in de New York Herald Tribune uit 1964, waarin hij de Amerikaanse verslaggeefster op de hoogte stelt van zijn plannen om de wereld te veroveren. ‘De Amerikanen hebben mij nodig’, zou Delon gezegd hebben. En: ‘In Frankrijk zijn het allemaal amateurs. Ze houden niet van mij, ik ben te onafhankelijk.’

Delon heeft de uitspraken altijd ontkend, maar bevestigt in latere interviews het beeld van een ster met een flink ego. Zijn gewoonte om hoog van de toren te blazen en om over zichzelf te praten in de derde persoon, wordt later genadeloos op de hak genomen in de televisiesatire Les guignols de l’info. Daarin maakt een imitatie-Delon zich met hoogdravende uitspraken belachelijk: ‘Alain Delon is zeer populair in Siberië, hij is een God in Japan, zijn naam is het synoniem voor mannelijkheid in Birma.’

In 1968 brengt een geruchtmakende affaire Delons banden met de onderwereld aan het licht. Het lichaam van Stefan Markovic, Delons vriend, stand-in en incidentele bodyguard, wordt gevonden op een vuilstortplaats buiten Parijs. De Joegoslaaf, een scharrelaar die regelmatig in de gevangenis belandde, had zijn dood voorzien en in een brief Delon beschuldigd. Politieonderzoek naar Delons betrokkenheid bij de moord levert niets op, maar de zaak brengt een stroom geruchten op gang, waar ook president Pompidou en diens vrouw in worden betrokken. Het blijkt grotendeels valse informatie. Voor Delons carrière zou de affaire dodelijk kunnen zijn, maar het omgekeerde gebeurt: fans omarmen hem als de enige echte ‘bad boy’ van de cinema.

De lieveling van de Europese avant-garde blijft intussen spelen in gewaardeerde artfilms als La prima notte di quiete (Valerio Zurlini, 1972), maar verlegt zijn terrein steeds meer naar de harde misdaadfilm. Melville – de Franse Hitchcock – en Deray regisseren Delon in een reeks ‘policiers’ waarin hij afwisselend een misdadiger of een getroebleerde agent speelt. Als de huurmoordenaar Jeff Costello in Le samouraï bereikt Delon een hoogtepunt in onderkoeld acteren: een film lang zegt hij nauwelijks een woord, zijn strakke blik en gecontroleerde bewegingen vertellen het verhaal.

Tegen het eind van de jaren zeventig brokkelt zijn status af. Delon heeft de nouvelle vague aan zich voorbij laten gaan – pas in 1990 neemt hij zijn eerste film op met Jean-Luc Godard – en de jonge regisseurs die in Frankrijk de boel opschudden, zien hem als tanend icoon van een ouderwets soort cinema. Daar komt bij dat zijn rechtse opvattingen hem niet bepaald geliefd maken bij de culturele elite. Verhalen over agressie, een buitenechtelijk kind dat hij niet wil erkennen en betrokkenheid bij schimmige zakendeals doen zijn reputatie ook geen goed.

Steeds meer richt Delon zich op zijn zakenimperium. Hij ontpopt zich als producent, regisseur (van de politiefilm Pour la peau d’un flic, 1981), promotor van bokswedstrijden, kunstverzamelaar en raspaardenfokker. Over het gebrek aan waardering in kunstkringen voor zijn werk toont hij zich in interviews bitter. Tegen het filmtijdschrift Cahiers du cinéma, dat pas in april 1996 voor het eerst met de acteur spreekt, zegt hij: ‘Succes kweekt geen sympathie’. En: ‘Ik ben altijd ongenaakbaar geweest. Dat wordt me niet vergeven.’

Volgens Delon is de pers hem zelden gunstig gezind. ‘De eerste jaren was ik knap, maar een klootzak. Daarna moesten de journalisten iets anders verzinnen. Het is verbazend hoeveel misverstanden over mij de ronde doen.’ De meeste van die misverstanden zijn gemakkelijk te weerleggen. Zo zou hij steeds hetzelfde personage spelen: een zwijgzame eenling, rondrennend met een pistool. Een blik op zijn filmografie leert dat dat type rol regelmatig terugkeert, maar niet overheerst.

Hardnekkig zijn ook de geruchten dat hij, door zijn arrogantie, moeilijk is om mee te werken. Uit de biografie Les mystères Delon, verschenen in 2000, komt een ander beeld naar voren. Schrijver Bernard Violet kreeg geen medewerking van Delon, die hem zelfs voor de rechter sleepte om publicatie te voorkomen, nog voordat er een letter was geschreven. Toch werd het een evenwichtig boek, dat Delons lastige en sterke kanten belicht.

Een macho is hij, met een hang naar gevaar. Een blaaskaak en een vrouwenverslinder. Maar ook een trouwe vriend met zachtaardige trekjes, een consequent denker, en bovendien: een natuurtalent. De achtentwintig films in het programma van het Filmmuseum bewijzen het, en laten daarnaast zien waar zijn grootste kracht ligt. Niet in het gezicht met de mooie trekken, maar in de beheersing van zijn lichaam. Alain Delon is een meester van de beweging.

Het is het best te zien in Plein soleil. Behalve een sterke thriller is de film ook een documentaire over de souplesse van de jonge Delon, die zich met dierlijke intuïtie verplaatst. Zijn handelingen zijn zowel secuur als nerveus, met een ingehouden agressie die in latere films terugkomt, en die wel moet voortvloeien uit Delons karakter. In zijn beste films is hij een charmant roofdier: gevaarlijk, maar fantastisch om – van veilige afstand – naar te kijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden