Verlangens die niet ingelost worden

Het werk van Henrik Ibsen ademt een tijd die voorbij is. Dat neemt niet weg dat zijn stukken zich heel goed laten opvoeren....

Videocamera’s, alleenstaande vaders en The Velvet Underground doen niet direct denken aan het werk van de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen. Toch duiken ze op in twee ensceneringen van zijn werk die dit weekend tegelijkertijd in première gaan. Arie de Mol regisseert Vijand van het volk (1882), zijn eerste voorstelling bij het nieuwe Toneelgroep Maastricht. En Mirjam Koen en haar Onafhankelijk Toneel maken Drenkeldode, een adaptatie van Kleine Eyolf (1894).

Zoals de verandering van de titel al doet vermoeden, heeft Koen het toneelstuk stevig bewerkt. Hetzelfde geldt voor De Mol, die zijn stuk heeft ‘verbouwd tot bruisende voorstelling waarin muziek, humor en gewetensvragen hand in hand gaan’, aldus het persbericht. Ook dat klinkt niet als de aloude Ibsen met zijn realistische huiskamers, ingewikkelde plots en Scandinavische neerslachtigheid. Waarom willen deze theatermakers Ibsen zo graag bewerken?

Arie de Mol, die Ibsen een van de slimste toneelschrijvers noemt, vindt dat je diens werk niet meer integraal kunt opvoeren. ‘Dan moet je door een enorme modder van ouderwetse omgangsvormen en gezagsrelaties heen’, zegt hij in Theater Heerlen, waar hij de laatste hand aan zijn voorstelling legt. ‘Mannen en vrouwen, burgemeesters en onderdanen; men ging toen anders met elkaar om. Mensen hadden dokters nog hoog in het vaandel staan. In de gezagsverhoudingen ademt Ibsens werk een tijd die voorbij is.’

Problematisch is Ibsens veel verguisde realisme. In 1877 schreef hij met Pijlers van de samenleving zijn eerste van een reeks van twaalf realistische stukken. Hij wilde maatschappelijke problemen dramatiseren. Daarbij hoorden volgens hem het dagelijkse taalgebruik en een herkenbaar huiskamerdecor.

Zo wordt Ibsen niet meer gespeeld. Ivo van Hove situeerde zijn Hedda Gabler in een minimalistische New Yorkse loft. Regisseur Erik Whien liet zijn acteurs Pijlers van de samenleving opvoeren in een kantoorruimte, als een soort groepstherapie. Ook Koen, die repeteert in haar eigen Rotterdamse OT Theater, wil geen historisch document laten zien: ‘Dan moet ik naar de BBC proberen te gaan, waar ze dat wel doen. Met mooie jurken. Nee, daar ben ik helemaal niet mee bezig.’

De kwestie van Ibsens gedateerde stijl speelt al veel langer. Aan het begin van 20ste eeuw ageerde theatervernieuwer Bertolt Brecht tegen Ibsens realistische methode. Hij vond het werk van de Noor leugenachtig en oninteressant, omdat het volgens hem een valse afbeelding van de werkelijkheid gaf. Niet veel later, met de komst van het absurdistische theater van Beckett en Ionesco, raakte het huiskamerrealisme, waar Ibsen onderhand een icoon van was geworden, helemaal uit de gratie.

Opvallend is dat Ibsen aan het einde van zijn carrière ook zelf voorzichtig afstand nam van zijn typerende stijl. De handeling vond opeens niet meer in gedetailleerd beschreven huiskamers plaats, maar in de buitenlucht. De personages waren geen ‘burgemeester’, ‘dokter’ of ‘pastoor’ meer. En steeds vaker doken er raadselachtige figuren op.

Hoogtepunt daarvan is het rattenvrouwtje in Kleine Eyolf. Bij Ibsen is zij een oud heksachtig vrouwtje, dat volgens een van de personages een penetrante lijklucht afgeeft. In slechts één scène duikt ze op om Eyolf, het zoontje van Rita en Alfred Allmers, de fjord in te lokken. Eyolf verdrinkt. De dood van hun kind doet het echtpaar in een heftige existentialistische crisis belanden. In Drenkeldode, de bewerking van Mirjam Koen, is de rol van het rattenvrouwtje aanzienlijk vergroot.

Koen ziet het stuk vooral als een sprookje. ‘Er wordt wel gezegd dat Ibsen alleen maar puur realistische stukken schreef. Dat is niet waar. Neem Kleine Eyolf, daar zit iets mythisch en magisch in. Rita Allmers wenst in een onbewaakt ogenblik haar kind dood. Die wens komt meteen uit. Eigenlijk is dat heel ongeloofwaardig en kort door de bocht. Maar dat is het materiaal van een goede schrijver als Ibsen. Die zegt: stel dat.’

In eerste instantie was Koen niet van plan een rigoureuze bewerking te maken. Ze wilde met een tweeluik komen. Een enscenering van Kleine Eyolf, en een eigen voorstelling die aan dezelfde thematiek raakt. ‘Mijn gedachten daarover begonnen bij de constatering dat we leven in een tijd waarin de droom van een maakbare samenleving is verdwenen. Hoe nu verder? Het antwoord is vaak cynisme of cultuurrelativisme. Er worden geen morele keuzes meer gemaakt. Je mag het woord tegenwoordig niet eens meer uitspreken. Maar dat komt ook door het moralistische geneuzel van zo’n Balkenende.’

De thema’s waarover Koen het wilde hebben, vond ze onverbloemd terug in Kleine Eyolf: de verantwoordelijkheid van de mens, de bijna existentiële eenzaamheid en inkijkjes in pijnlijk onvermogen. Ze besloot de twee geplande voorstelling in elkaar te voegen, Ibsens stuk te doorsnijden met zelf gemaakte scènes.

Alle personages in Kleine Eyolf lopen rond met verlangens die niet ingelost worden. De centrale figuur is filosoof Alfred Allmers. De man is al tijden bezig aan een veel te ambitieus boek dat De menselijke verantwoordelijkheid heet. Langzaam beseft hij dat het nooit af zal komen. Al die tijd heeft hij zich afgesloten van zijn vrouw Rita. Zij heeft een enorme behoefte aan erotiek waar ze niets mee kan. De schuld daarvan geeft ze aan hun zoon Eyolf. Na de onverwachte dood van het kind volgt een lange discussie over de zin en absurditeit van het leven.

De eigen scènes ertussendoor zijn ontstaan uit improvisaties tussen Beppie Melissen en de andere acteurs. Melissen speelt het rattenvrouwtje. Zij is er om de andere personages te confronteren met hun tekortkomingen. Koen heeft er een hoofdrol van gemaakt. ‘Ze is het stemmetje in je hoofd dat zegt: waarmee ben je eigenlijk bezig?’ De regisseuse ziet deze scènes, die op het toneel live op camera worden opgenomen, als innerlijke dialogen die deze personages voeren.

‘Beppie is perfect voor deze rol. In haar voorstellingen bij Carver laat ze zien dat ze gevoel heeft voor het absurde. Het rattenvrouwtje heeft dat ook. We hebben ook geen geschiedenis voor haar rol bedacht. Ze is er gewoon. Waarom weet ze zelf ook niet.’

Drenkeldode is een bewerking van een Ibsenstuk dat van zichzelf al een beetje mysterieus is. Arie de Mol koos met Vijand van het volk juist een tekst die de Noor midden in zijn hoogrealistische periode schreef. Voor hem wordt Ibsen pas aantrekkelijk als deze zich richt op de samenleving, en niet op het gezin of het individu. ‘Van mij hoeft het niet te drijven op de subtiliteit van de psychologie.’ Kleine Eyolf is niets voor hem. ‘Ik wil een kwaad stuk. Onverbloemd, recht voor zijn raap.’ Die kwaadheid moet voor De Mol gericht zijn op de maatschappij.

Dan is Vijand van het volk het uitgelezen stuk. Hierin wordt een strijd uitgevochten tussen één man en een heel dorp. Hoofdpersoon Dr. Stockmann ontdekt dat het bronwater van het nabij gelegen kuuroord verontreinigd is. Als hij de waarheid aan het licht wil brengen, stuit hij echter op onverwachte tegenwerking van de burgemeester, de lokale pers en uiteindelijk de complete dorpsgemeenschap. Het economische belang dat het dorp bij het kuuroord heeft, blijkt heilig. Maar de idealistische Stockmann geeft de strijd niet zomaar op.

De Mol vertaalt dat naar het heden en ziet Stockmann (gespeeld door Olaf Malmberg) als een man die nog met zijn gedachten in de jaren zeventig is blijven hangen. ‘De sociaal-democratie is aan het wankelen’, zegt De Mol. ‘Voor elkaar zorgen is plots een idee uit het jaar nul geworden. Iedereen die daar nog voor staat, klinkt als een roepende in de woestijn, zoals Stockmann.’

Om aan dat tijdperk te refereren spelen de acteurs tussen de bedrijven door nummers van The Velvet Underground. ‘Als een herinnering aan een wereld waarin die figuur nog altijd gelooft, en ik met hem.’

Net als Koen ontwaart ook De Mol in de hedendaagse maatschappij een angst voor het maken van morele keuzes. ‘Alles kan altijd gerelativeerd worden. Maar ik denk dat het verschil tussen goed en kwaad wel degelijk aan te wijzen is. Die rechtlijnigheid zit ook in dit stuk. Dat vind ik spannend.’

De Mol wil de actualiteit naar boven halen. ‘Ik zal in Vijand van het volk geen Wilders noemen. Maar het gaat wel over populisme. Stockmann bevecht de democratie. Hij vraagt zich hardop af waarom de meerderheid altijd gelijk heeft, terwijl deze over het algemeen toch wat minder slim is dan de kleine elitaire minderheid. Waarom regeren de dommen over de verstandigen? Dat is een goede vraag.’

Om de voorstelling uit het Noorwegen van de 19de eeuw te trekken heeft de regisseur een paar grote ingrepen gedaan. Zo heeft hij de vrouw van Stockmann uit het stuk weggehaald. ‘Dan krijg je opeens een alleenstaande vader. Wat veel meer van deze tijd is’, zegt hij. ‘Die moeder is toch het sloofje. Na een bevlogen toespraak over zijn idealen zegt Stockmann opeens: Ga maar koffie halen, dit zegt jou toch niks. Dat soort ouderwetse verhoudingen wilde ik weg hebben.’

Een andere aanpassing, is de jonge cast waarmee De Mol de voorstelling speelt. ‘Ik ben Stockmann gaan zien als een reliek uit de jaren zeventig. Er wordt niet meer naar hem geluisterd door de jongere generatie. Die vinden zijn idealen moralistisch geouwehoer. Bij Ibsen legt zijn oudere broer uit dat de wereld veel economischer in elkaar zit dan Stockmann denkt en dat je tegenwoordig moet nadenken over de gevolgen. Ik heb daar een jongere zus van gemaakt.’

‘In Ibsens tijd was het een jonge geest die vocht tegen de oude garde. Nu is het die oude garde die niet meer snapt waar de jongere generatie mee bezig is. Als je die omkering maakt, is alles wat Stockmann zegt weer volkomen actueel.’

Zowel Koen als De Mol komen bij Ibsen vanuit het idee dat we leven in een onverschillige maatschappij, waarin gezocht moet worden naar een nieuw soort moralisme. De Mol vindt een figuur als Stockmann, een rechtlijnige idealist die zijn moraal het liefst van boven af aan het volk zou opleggen, het lopende geweten van zijn dorp. Koen komt uit bij het rattenvrouwtje, een hersenschim die de personages van binnen uit ondervraagt naar hun verantwoordelijkheden.

In zijn hart is Ibsen een moralist. Zoals wel meer goede schrijvers is hij gefascineerd door de goede of foute keuzes die mensen in hun leven maken. En daarvoor blijven theatermakers bij hem aankloppen. Want de wereld is in al die tijd veel veranderd, de mens niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden