Verlangen naar reggae die als reggae klinkt

Wie zoals ik muzikaal volwassen werd in de postpunk-jaren (1979-1981) wist eigenlijk niet wat echte soulmuziek was. Die hoorde je namelijk nooit. Niet dat we niet naar zwarte muziek luisterden, ja wel degelijk. Maar aanvankelijk niet naar James Brown, Marvin Gaye, Otis Redding en Aretha Franklin. Nee, de zwarte muziek waar we naar luisterden kwam niet uit Detroit of Memphis maar van Jamaica. We luisterden naar reggae.

Hoe dat met de soul zat, daar kom ik morgen op terug. Ik wil het nu even over reggaemuziek hebben. En dan vooral de reggae uit de jaren 1974-1981, de jaren van voor de digitalisering van de beats zeg maar. Of anders de laatste en meest succesvolle jaren uit het leven van de meest succesvolle reggaester leertijden Bob Marley

Deze jaren gelden nog altijd als klassiek, en niet alleen vanwege Bob Marley. Sterker nog, in ‘mijn tijd’ 1979-1981 was Bob Marley een beetje twijfelgeval en over zijn hoogtepunt heen. Ik weet nog dat die laatste plaat van hem Uprising uitkwam met die hit Could You Be Loved (1980) en het enige liedje wat er wat mij betreft mee door kon, was het laatste op kant 1 (of was het 2?) Redemption Song. De rest was disco, en dat was in 1980 in bepaalde kringen, waar ik toen ook in verkeerde, verdacht.

Nee, we hielden in 1979 van reggae: van Dr Alimentado, Burning Spear, Culture, Max Romeo, Jacob ‘Killer’ Miller en Augustus Pablo. Dat waren de Jamaicanen, maar de Britten konden er ook wat van: Linton Kwesi Johnson, Steel Pulse en Aswad.

Dat was de zwarte muziek die we naast onze platen van Joy Division, Talking Heads, The Cure, PiL en ja ook die, The Police, Joe Jackson en Elvis Costello apprecieerden.

Jarenlang nooit over nagedacht waarom reggae wel en soul eigenlijk niet tot die vanzelfsprekendheden behoorde. Soulmuziek kwam je domweg niet tegen, tenminste niet in de winkels waarin ik kwam en werkte. Ja, Boudisque en RAF hadden wel hun afdelingen soul en disco maar daar kwam je niet. Disco.

Alles heeft natuurlijk te maken met het ontstaan van de Britse punk. Punk en reggae gingen heel goed samen, zo zag ik vorige week op BBC3 waar de documentaire Reggae Britannia werd uitgezonden. Niet alleen herkenden punks in de leden van de Jamaicaanse gemeenschap in de grote steden een zelfde soort outsiders waar ze zich graag mee vereenzelvigden. Ook werd Jamaicaanse reggae veel gedraaid in de punkclubs. Aanvankelijk uit noodzaak, zo vertelde de indertijd als dj werkzame documentairemaker Don Letts eens, omdat er te weinig punkplaten waren om de pauzes tussen bands in clubs mee te vullen. Maar later ook omdat punks, postpunks en wavers er eenzelfde anti-mainstream in herkenden die ze zelf voorstonden.

Bob Marley had midden jaren zeventig een enorme impact gehad op het muziekculturele klimaat in de UK, en reggae raakte steeds meer geaccepteerd. Er kwamen vrachten platen naar de speciaalzaken en de artiesten kwamen ook optreden. Prince Far I, Big Youth, King Tubby en Lee Perry boden een goed alternatief voor Bob Marley. En in 1979 kwam daar ook nog de dansrage bij die ska heette.

Een golf aan bands (Madness, The Specials, The Selecter) die zich lieten inspireren door ook al muziek van Jamaica, al was die iets ouder.

Labels als Island en Trojan brachten verzamelaars uit als Club Ska ’67, Intensified en Rebel Music.

Allemaal prachtig, vond ik in 1980. Maar geld om ze te kopen had ik niet, er was te veel goede nieuwe muziek.

Van UB40 bijvoorbeeld. Uit de voornoemde docu vond ik vooral hun beelden erg aandoenlijk. UB40 was zomer 1980 precies de band die nodig was, of beter gezegd, die ik nodig had. Een echte reggaeband met mooie melancholieke liedjes. Steel Pulse en Aswad had ik net gemist, maar ik weet nog goed hoe het eerste singletje van UB40 bij ons in de winkel kwam. King/Food For Thought vond ik prachtig, net als het album (lp + 3track 12”) Signing Off een paar maanden later.

Ik ben de band goed blijven vinden en ook blijven volgen tot Labour Of Love (1983) met al die duffe covers. Daar werden ze razend populair mee, wat ook een reden zal zijn geweest dat ik afhaakte, want hitparade-succes was toch tamelijk verdacht.

Reggae was een belangrijk genre voor de betere platenzaak in die jaren. Black Uhuru zou drie geweldige platen maken (Black Uhuru, Sinsimilla, Red) en ‘iedereen’ had het over de ritmetandem Sly & Robbie die ook een eigen label hadden Taxi.

In 1983-1984 kwam er een beetje de klad in. Kan ook te maken hebben dat artiesten als Prince, Michael Jackson en Marvin Gaye (die wel geaccepteerd werden in alternatieve kringen, of in ieder geval door mij) grote hits hadden die de interesse van reggae naar soul deed verschuiven. Maar de sound van reggae veranderde ook langzaam. Het klassieke roots geluid met echte instrumenten en liefst ook wat blazers maakte plaats voor goedkopere alternatieven als synthesizers en andere elektronica.

Zonder nu de hele reggaegeschiedenis na te vertellen komt het erop neer dat reggae ook zijn hippe status onder het (jonge) uitgaanspubliek verloor. Er was bij concerten ook altijd wat. Gregory Isaacs (prachtige platen als Cool Ruler, Lonely Lover en More Gregory) kwam naar Paradiso en daar was de beveiliging zwaarder dan ik ooit heb meegemaakt.

Zo af en toe kwam er nog wel eens een goede single bovendrijven (Here I Come van Barrington Levy, Greetings van Half Pint) en er waren artiesten als Frankie Paul die even de aandacht trokken.

Maar ik geloofde het verder wel. Er was genoeg ander moois om naar te luisteren.

Pas toen er eind jaren tachtig op het Trojan label begonnen werd met de zogeheten Producers Series hervond ik mijn liefde voor reggae, al betrof het hier allemaal producties uit de jaren zestig en zeventig. Maar de heruitgaven Keith Hudson, Harry Mudie, Bunny Lee, King Tubby en Lee Perry waren onweerstaanbaar.

Dub- roots- en dj-platen, het was allemaal prachtig al stond het volledig los van de muziek waar op Jamaica zelf naar geluisterd werd.

Dancehall: ik heb lang mijn best gedaan het mooi te vinden, maar ik geloof het wel. Even was het aardig toen begin jaren negentig er een aardige kruisbestuiving was met hiphop. Ragga, heette dat toen. Maar het werd nooit echt wat. Shabba Ranks zou het gaan maken. Nou nee.

Later werd het geprobeerd met Buju Banton, Beenie Man en Capleton die voor majors hun platen mochten uitbrengen, zonder het beoogde grote succes.

Ik hou niet zo van al die drukdoenerij die Jamaicaanse dancehall al een jaar of vijftien domineert. Die stuiterende elektronica, het woeste gebrul, het is me allemaal te weinig subtiel, ik mis de warmte en meeslependheid van oude reggae.

Mijn probleem natuurlijk, maar ik herken het sentiment bij heel veel reggaeliefhebbers opgegroeid met dezelfde muziek als ik: allemaal op een zeker moment afgehaakt.

Het verschil met soulliefhebbers voor wie echte soul in 1970 is opgehouden (zoals gezegd kom ik daar morgen op terug), is dat reggaefans zich er bij hebben neergelegd. Leuk zo’n Gentlemen (uit Duitsland) die mooie roots maakt, maar zo goed als Dennis Brown in 1979 was, is ie niet.

Zelf heb ik me er bij neergelegd. Ik dacht ook even dat Morgan Heritage tien jaar geleden roots reggae een nieuw elan kon geven, maar die hoop bleek ijdel.

Om het maar eens bot te stellen: wij blanke Nederlanders van in de veertig die zeggen van reggae te houden, houden van reggae uit de jaren 1965-1985 de jaren dat reggae als reggae klonk. Ook hier een aardige parallel met soul, maar daarover morgen meer.

Je zag in de docu waarvan ik hoop dat deze ook in Nederland nog eens kan worden uitgezonden, dat de samenstellers hun vertelling zo ergens eind jaren tachtig ook maar ophielden. Ik dacht zelfs even naar een oude documentaire gekeken te hebben. Maar ook voor de Britten had reggae in later jaren niet meer die impact die het eind jaren zeventig had.

Wel hoor je daar in nieuwe dansgenres zoals dubstep nog veel reggae terug, zo viel me op. Alleen al die enorme soundsystems die ze in een zaal is Plastic People (was er donderdag tijdens FWD>>) hebben hangen, om de bassen nog beter te laten dreunen en de MC’s die Jamaican style een en ander aan elkaar toasten. Of anders de ratelende reggae acapellas die Kode9 een dag later door zijn set deed sijpelen. (Grappig om die Kode9 ouderwets door de knieën zien gaan om een plaat te pakken. Dj’s met platen, ik zie ze nog maar zelden in de dance).

Jungle, drum & bass, grime, dubstep: allen zijn ze aan reggae schatplichtig. En ik vind het ook mooi dat er in Londen nog winkels zijn waar je niet alleen het beste van vroeger naast het beste van nu ziet staan, maar waar je die muziek ook door elkaar hoort.

Zo was ik zaterdagochtend in Sounds Of The Universe, de Souljazz winkel in Broadwick Street (vlak naast de pub, hoek Berwick Street, waar ik al een jaar of twintig altijd even kom als ik de platenwinkels in die buurt heb gefrequenteerd.

Hier werd ik voor het eerst op Mount Kimbie gewezen (stond gewoon op) en zaterdag hoorde ik een bijna klassieke baslijn en een zwoele stem. Het was een 7inch single die er op de draaitafel lag, zag ik. Mooi maar oud of nieuw?

Ik vroeg ernaar en het bleek te gaan om Blundetto. Prachtig singletje Voices (with Hindi Zahra). Nieuw werd me verteld. Op de achterkant stond het al even fraaie Mustang (with Budos Band Horns).

Ouderwets maar heerlijk gevoel. Iets nieuws in een platenzaak horen, dat gewoon voor weinig te koop is. Ik vergat haast de bakken verder door te kijken, zo was ik in mijn nopjes met dit singletje.

Geen idee hoe of wat Blundetto verder is, maar deze single koester ik. Echte old school reggae ja, maar bedwelmend zoals Bam Bam van Sister Nancy dat anderhalf decennium geleden was.

Terwijl ik dit schrijf staat een cd op uit het net verschenen boxje Culture At Joe Gibbs. Vier cd’s en een helder boekje, verschenen op VP Records. Gelijktijdig verscheen op hetzelfde label eenzelfde soort doosje Dennis Brown At Joe Gibbs, net zo’n aanrader. Beiden bevatten minstens een klassiek album (resp. Two Sevens Clash en Visions) en veel extra’s dat ik ook nog niet kende in elk geval niet in zo’n puike geluidskwaliteit, ook al heb ik van zowel Dennis Brown als Culture veel in huis.

Dergelijke uitgaven zijn vandaag de dag echter betrekkelijk zeldzaam. In de jaren negentig viel er met labels als Blood & Fire, Pressure Sounds en Trojan veel te genieten. Nu moeten we het alleen nog van Pressure Sounds hebben. En VP dus. Gelukkig zijn die wel goed bezig.

Er gaan lange periodes voorbij dat ik geen reggae draai, maar als ik dan, zoals vorige week in Londen, word aangestoken dan wil ik ook dagenlang niks anders.

En dan draai ik de nieuwe PJ Harvey en dan denk ik door het een na laatste nummer toch echt Blood & Fire een classic van Niney te horen. Niney The Observer niet alleen zanger maar ook producer van onder meer het betere werk van Dennis Brown Ben ik gek geworden? Hoor ik overal reggae zoals anderen wel eens spoken zien?

Nee hoor, het nummer wordt echt gesampeld door Harvey. En hoe!

Ik kreeg er kippenvel van.

PJ Harvey, Niney, Culture en Dennis Brown, daar doe ik het nu even mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden