Verkracht en 18 jaar lang genegeerd door justitie

Dossier kwijt, dna-match terzijde geschoven: er ging veel mis bij justitie nadat José aangifte van verkrachting had gedaan. José gaf niet op en nu is er dan toch een verdachte. 'Ik vrees dat deze zaak geen uitzondering is.'

José in het park in Utrecht, vlak bij haar woning, waar ze in de nacht van 2 op 3 maart 1998 werd verkracht. Ja, ze is blij dat er een verdachte is. Ook al is het na achttien jaar. Maar ze voelt ook boosheid over de jarenlange 'radiostilte van justitie'. Beeld Guus Dubbelman/de Volkskrant

'Heb je dit vaker gedaan?' 'Ja, één keer.' 'Waarom?' 'Ik geniet van de angst in de ogen van vrouwen.'

'Waarom ik?'

'Ik zag je lopen. Je was aangeschoten.'

José ziet zijn koude, meedogenloze blik. Ze ziet de volle, blonde wenkbrauwen en dunne lippen. Ze ruikt zijn tandpasta en zijn aftershave. Alsof hij zich thuis nog even heeft opgetut voordat hij in deze koude winternacht op zijn fiets stapte, zijn bivakmuts over zijn hoofd trok en haar als zijn slachtoffer uitkoos.

Hier, zegt hij, alsof ze een hond is. Hij breekt het gesprek af, duwt José naar een bankje en gaat verder met waarmee hij een uur eerder begon.

'Bizarre zaak'

Het is 2 maart 1998, eerder op de avond. José staat in een Utrechts café aan de Oudegracht, met een vriendin en een glas wijn. Om half twee besluit ze naar huis te lopen. Alleen. Althans: dat denkt ze tot het moment waarop ze haar sleutel in haar slot steekt. Twee armen grijpen haar krachtig vast. Ze ziet een in donkere kleding gehulde gedaante. Ze wil gillen, maar hij klemt zijn hand om haar keel. Zijn gulp heeft hij al opengedaan.

Het is het begin van een verkrachting die meer dan een uur zal duren. Maar waarvan de ontknoping achttien jaar op zich zal laten wachten. Vrijdag moet de veronderstelde dader voor de rechter verschijnen.

'Het is een bizarre zaak. Een schande', zegt Peter van Koppen, hoogleraar rechtspsychologie. Al die jaren is er nauwelijks met het slachtoffer gesproken. Het dossier is grotendeels kwijtgeraakt. En er werd niks gedaan toen in 2010 door een dna-match een verdachte in beeld kwam. Het is een zaak waarin justitie zelf in een excuusbrief toegeeft 'niet adequaat' te hebben gehandeld, en 'ernstig nalatig' te zijn geweest.

'Maar ik vrees dat deze zaak geen uitzondering is', voegt André De Zutter, zedenexpert van de Universiteit van Maastricht, toe. 'En dat er meer zedenzaken zijn die door kennisgebrek verkeerd worden beoordeeld en pas opgelost worden als het slachtoffer blijft persisteren.'

'Nattevingerwerk bij onderscheiden echte en valse zedenaangiftes'

Zedenrechercheurs zijn niet goed in het onderscheiden van echte en valse zedenaangiftes. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Maastricht en de Vrije Universiteit. Volgens onderzoeker André De Zutter denkt de politie ten onrechte veel kennis te hebben, maar blijken ze in praktijk niet beter dan leken. 'Het beoordelen van een zedenaangifte is nattevingerwerk.' Lees hier verder.

Erger voorkomen

José ziet de wilde, onvoorspelbare blik in de ogen van de man die haar heeft belaagd. Hij heeft zich al één keer aan haar vergrepen, en het is haar duidelijk: het is nog niet voorbij, hij wil nog een keer. Hij houdt haar nog steeds stevig vast, ze is doodsbang. Maar, denkt de Utrechtse, als mij dit moet overkomen, dan niet weer als een lijdzaam slachtoffer. Ze is op dat moment 40, maar als 20-jarige werd ze ook al eens het slachtoffer van een zedenmisdrijf. In nog geen seconde neemt ze een besluit: ze legt haar hand op zijn kruis, zegt dat ze het fijn vindt en dat hij een 'lekker jong' is.

Want, denkt ze als voormalig reclasseringsmedewerker, het gaat bij zedendelinquenten vaak niet om de seks. Maar om controle, het uitoefenen van macht en het vernederen van het slachtoffer. Wie weet raakt-ie van slag, uit balans en is voor hem de lol eraf als ik 'het initiatief' overneem, schiet door haar hoofd.

Haar dader begint te lachen. 'Ik heb dit nog nooit meegemaakt', zegt hij. Wat volgt is een korte conversatie waarin hij vertelt dat hij Jan heet, getrouwd is en dat hij dit vaker heeft gedaan. Ze vertelt hem dat hij uiteindelijk tegen de lamp zal lopen. Hij antwoordt dat hij dat weet.

Waarop ze hoopt, gebeurt niet: de dader herpakt zich en gaat hardhandig door met de verkrachting.

Wat José zich op dat moment niet realiseert is dat deze poging om 'erger te voorkomen', om de 'dader op andere gedachten te brengen' jaren later tegen haar gebruikt zal worden. Want in 2010, als het erfelijk materiaal van haar belager wegens een ander misdrijf in de dna-databank wordt opgenomen en blijkt te matchen met sporen uit haar zaak, zal de officier van justitie oordelen dat er door haar 'verdedigingsstrategie juridisch gezien geen sprake is geweest van een verkrachting'. En wordt de zaak terzijde geschoven.

Meegewerkt

En dat terwijl het gedrag van José niet abnormaal is, stelt De Zutter. 'Er zijn genoeg vrouwen die bijvoorbeeld als hun belager anale seks wil, voorstellen om te pijpen. Zij doen dat om erger te voorkomen.' Hij deed samen met rechtspsychologen Robert Horselenberg en Peter van Koppen onderzoek naar verschillen tussen echte en valse aangiften in zedenzaken, en bestudeerde bijna driehonderd verkrachtingszaken. Wat blijkt: meer dan 80 procent van de verkrachtingsslachtoffers werkt op een gegeven moment mee met de dader. 'José is - gezien haar achtergrond en kennis over zedendelinquenten - verder gegaan dan veel anderen zouden doen. Maar dat neemt niet weg dat de gespecialiseerde zedenofficier van justitie had moeten weten dat dit een extreme variant van normaal slachtoffergedrag is.'

Sterker nog: medewerking door het slachtoffer zelf is juist één van de indicaties dat het om een op waarheid gebaseerde aangifte gaat, stelt De Zutter. Hij ontwikkelde een 'meetmethode' die door de Franse politie wordt gebruikt om valse en echte zedenzaken te onderscheiden. 'Je ziet bij valse aangiften dat het vaak verhalen zijn die overeenkomen met verkrachtingsscènes die we kennen uit films: het slachtoffer verzet zich, maar de dader zet door en de daad is binnen een paar minuten voorbij.'

In werkelijkheid, zegt De Zutter, is de verkrachter vaak een 'zielige man op zoek naar normale seks', duurt de verkrachting lang en bestaat het misdrijf uit verschillende seksuele handelingen. 'Verkrachters wisselen dwang vaak af met pseudo-intieme momenten. Het gaat hun niet zozeer om macht zoals José dacht, maar om intimiteit. Ze vragen soms zelfs of het slachtoffer het ook fijn vindt.'

De slachtoffers zelf, constateerde De Zutter, zijn vaak overweldigd en doodsbang dat hun belager hen zal vermoorden. 'Er is daarom relatief weinig geweld nodig. Je ziet dat veel verkrachters in het begin nog een mes meenemen om hun slachtoffer te dwingen. Op den duur doen ze dat niet meer, omdat het niet hoeft.'

De Zutter onderzocht ook hoe goed zedenrechercheurs in staat zijn valse en echte aangiften te onderscheiden. 'Dat valt tegen. Ze denken dat ze het goed kunnen, maar ze zijn niet beter dan leken.' Hij vroeg twintig zedenrechercheurs vijf willekeurige aangiften te beoordelen op echtheid. Een deel van de aangiften was aantoonbaar vals, van een ander deel was bewezen dat ze echt waren. Dezelfde vraag stelde hij aan studenten van de Politieacademie die al een cursus over aangiften hadden gevolgd, en aan willekeurige Maastrichtse studenten die niets van het onderwerp afwisten. Alle drie de groepen scoorden hetzelfde: ze beoordeelden de helft van de zaken goed. 'Je kunt net zo goed een muntje opgooien als je iets wilt zeggen over de uitslag', zegt De Zutter. 'Dat is zorgelijk: een aangifte is een heel belangrijk eerste moment in een zaak, maar de beoordeling is nattevingerwerk.'

Zo geloofden in 1995 rechercheurs een meisje van 18 niet dat in het Limburgse Steyl tijdens carnaval werd verkracht. Vijftien jaar later bleek ze na een dna-match het slachtoffer te zijn geweest van een Duitse serieverkrachter die het 'seksmonster van de Euregio' wordt genoemd. Haar dossier bleek verdwenen. De Zutter: 'Ook dit slachtoffer moest blijven zeuren. Dit voorbeeld en het verhaal van José zouden het topje van de ijsberg kunnen zijn: de meeste slachtoffers hebben de energie niet om te blijven beuken op de deuren van justitie.'

Arrestatie

Het is vrijdag 26 februari 2016 als de bel gaat in de woning van José in Utrecht. Voor haar deur staan twee agenten. Met een dagvaarding. 'Je moet dinsdag getuigen in de zaak tegen Cornelis H.', krijgt ze te horen.

'Cornelis H.?', vraagt ze.

Het is al bijna achttien jaar geleden dat ze vlak bij haar huis werd vastgegrepen, maar nog steeds ondervindt José de gevolgen. Ze is arbeidsongeschikt verklaard. 's Nachts werd ze lange tijd geplaagd door nachtmerries. Overdag kan ze de neiging om telkens achterom te kijken, om te controleren wie er achter haar staat, niet onderdrukken.

Ze is zelfs korte tijd geobsedeerd geweest door wenkbrauwen. Dan ging ze de stad in, op zoek naar 'de wenkbrauwen' die haar 'maatschappelijk buitenspel' hebben gezet.

Het nieuws over de arrestatie van de Utrechtse serieverkrachter in 2014 heeft José opnieuw uit balans gebracht. De gedachte dat hij mogelijk ook haar dader is, heeft ze nooit helemaal uitgesloten. Hoewel de politie in 1998 al liet weten dat dit geen optie is. Er zijn verschillen: haar verkrachter was niet vadsig, maar gespierd. Maar, heeft ze altijd gedacht, er waren ook overeenkomsten: haar verkrachter kwam eveneens op de fiets.

Hoe het ook zij: ze wil nu eindelijk duidelijkheid. Afgelopen jaren heeft ze gebeld en brieven geschreven. Nooit had ze het idee dat justitie zich inzette om haar zaak op te lossen.

In de zomer van 2015 gaat ze opnieuw naar de politie. Tot twee keer toe. De eerste keer krijgt ze te horen dat haar dossier 'lastig toegankelijk' is, omdat haar aangifte nog in een oud computersysteem staat - een systeem waarin slechts een klein groepje agenten kan werken. Later blijkt het originele dossier zelfs helemaal verdwenen. Slechts delen van haar aangifte kunnen in het systeem teruggevonden worden, en ze moet zelf een kopie van haar exemplaar opsturen.

Ze gaat in januari 2016 zelfs naar de strafzaak tegen de Utrechtse serieverkrachter, om te kijken of hij het echt niet kan zijn. En in een brief aan de Utrechtse hoofdofficier eist ze opheldering.

Wat ze dan nog niet weet, is dat de zedenrechercheur naar aanleiding van haar bezoek in juli 2015 de zaak opnieuw tegen het licht heeft gehouden. En dat er op 18 februari 2016 een verdachte is gearresteerd: een 53-jarige vader van acht kinderen uit de omgeving van Utrecht.

'Ik ken geen Cornelis H.', zegt José dan ook verbaasd tegen de agenten die haar op 26 februari de dagvaarding geven. De politiemensen kijken op hun schermpje. 'Sorry, we mogen niets over de zaak zeggen', is hun reactie - dan zouden ze de klacht kunnen krijgen dat ze een getuige beïnvloeden.

Zou het haar dader kunnen zijn?, schiet door haar hoofd. Die avond mailt José de politie met de vraag om meer informatie. Drie dagen later krijgt ze antwoord, de avond voordat ze tegen H. moet getuigen tijdens een besloten zitting bij de rechter-commissaris. Ze ziet de mail binnenkomen op haar laptop, en opent het pdf-bestand.

Met open mond leest ze het document. Niet alleen is Cornelis H. inderdaad verdachte in haar zaak, de kwestie had ook al zes jaar eerder afgerond kunnen zijn. 'In 2010 had u niet alleen moeten worden geïnformeerd over de gevonden dna-match, maar ook over de beslissing van de officier van justitie om deze zaak niet verder in onderzoek te nemen. Feit is dat geen van beide is gebeurd. Dit is een ernstige nalatigheid', zal de hoofdofficier later in een excuusbrief aan haar schrijven. Ook het besluit om in 2010 niets met haar zaak te doen spijt de hoofdofficier 'oprecht'.

José kijkt met verbijstering naar het document. Ze kan niet kiezen welk gevoel overheerst. Ja, ze is blij dat er een verdachte is. Ook al is het na achttien jaar. Want, is haar overtuiging, deze man hoort niet thuis in de samenleving. Hij moet worden gestraft, of op zijn minst behandeld. Maar ze voelt ook boosheid over de jarenlange 'radiostilte van justitie'. Het 'geklungel met het verdwenen dossier'. En dan nu die ommezwaai. 'De zaak is niet dankzij het OM opgelost, maar ondánks het OM.'

Die nacht kan ze niet slapen. Ze vindt het 'te bizar voor woorden' dat ze als slachtoffer zo ver heeft moeten gaan om een verdachte voor de rechter te krijgen. Wat zou er gebeurd zijn als ze niets had gedaan? En dat niet alleen: op 2 maart 1998 vertelde haar verkrachter haar dat ze niet zijn eerste was, en dat hij 'genoot van de angst in de ogen van vrouwen'.

Het is een zin die haar nog altijd kippevel bezorgt. Helemaal nu ze weet dat Cornelis H. in 2002 ook al eens 's nachts van de weg is gehaald door twee passanten. Ze vonden het verdacht dat H., toen ook met een muts op zijn hoofd, een meisje op de fiets volgde. De politie oordeelde toen dat er geen sprake was van een strafbaar feit en liet het erbij zitten.

Vooral één vraag laat José niet los: stel nou dat ze niet zijn laatste slachtoffer was?

Om privacyredenen wilde José niet met haar achternaam in de krant en niet herkenbaar op de foto.

Verdachte vrijdag voor de rechter

Vrijdag moet Cornelis H. zich verantwoorden voor de rechter. Hij ontkent José te hebben verkracht. Hij heeft wel een ander zedenmisdrijf bekend. De aangifte daarvan heeft de politie ondanks maandenlang zoeken niet gevonden. 'Er wordt nog steeds gezocht, maar het valt niet uit te sluiten dat er van deze verkrachting nooit aangifte is gedaan', aldus een woordvoerder van het Openbaar Ministerie.

De politie zegt over het kwijtgeraakte dossier van José dat door de 'omzetting van het ene computersysteem naar het andere' bestanden zijn beschadigd en kwijtgeraakt. Om hoeveel dossiers dat gaat, kan de woordvoerder niet zeggen. Hij erkent dat er minimaal contact is geweest met José, omdat het onderzoek vastliep en het stempel onopgelost kreeg.

Wel zegt de Utrechtse politie dat er sinds 1998 veel is veranderd in de omgang met zedenslachtoffers. 'In elke fase van het opsporingsonderzoek worden ze geïnformeerd.' De Utrechtse politie heeft ook een piketdienst voor slachtofferadvocaten, zij worden opgeroepen bij ernstige zedenzaken.

Richard Korver, voorzitter van het Landelijk Advocaten Netwerk Gewelds- en Zedenslachtoffers, beaamt dat er meer aandacht is voor de positie van slachtoffers. Toch, zegt hij, 'gebeurt het enkele malen per jaar dat slachtoffers niet worden geïnformeerd over hun zaak'. Zo hoorde een van zijn cliënten pas achteraf dat haar dader was berecht. Jaarlijks krijgt de politie zo'n zevenduizend zedenaangiften.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden