Verjongingskuur Mozart loopt ten einde

Die Zauberflöte onder leiding van John Eliot Gardiner. Amsterdam, Concertgebouw...

Het juichende Es-groot waarmee Mozart, John Eliot Gardiner, musici en zangers maandag en dinsdag van elkaar en van het festivalpubliek in de Grote Zaal afscheid namen ('Heil sei Euch Geweiten!'/'Bravoooooo'), bezegelde niet alleen een voorstelling. Het betekende ook het einde van een tijdperkje.

Die Zauberflöte is de laatste van zeven door Gardiner gedirigeerde en ten dele ook geregisseerde Mozart-opera's. Die begon in 1990 met Idomeneo en La clemenza di Tito, en voerde via Die Entführung, Così, Figaro en Don Giovanni naar - niet naar zijn absolute hoogtepunt. Die Zauberflöte was wel een hoogtepunt zoals eerdere Gardinerprodukties dat ook waren (de landmetersterminologie raakte in deze cyclus snel uitgehold). Maar de hoger-dan-hoogtepunten waren Idomeneo en Don Giovanni.

Het ene door zijn vocale bezetting (met Sylvia McNair en Anne Sofie von Otter), het andere als daad van rolverfrissing (Rodney Gilfry als Don Juan) en als pronkstuk van theaterversobering. De afwezigheid van decors en andere, voor opera doorgaans onmisbaar geachte hulpmiddelen, heeft in deze 'semi-scenische' cyclus geleid tot een terugkeer naar de essenties van het Mozarttheater.

Men deed het met het lichaam en het gezicht, en met de stem. En met Mozarts muziek - die zonderlinge huppelolie, die van een stem een lichaam maakt en van een lichaam een karakter. Als de omstandigheden er naar zijn, en dat waren ze. Naarmate de reeks vorderde, vond Gardiner steeds meer mogelijkheden; van de trappen en nissen rond het Concertgebouwpodium werd steeds handiger gebruik gemaakt, met een deurtje hier en een requisietje daar - maar het ging waar het om gaan moest: om figuren tegenover figuren. Mozarts partituren bleven, in de bruisende weergaven van Gardiners Baroque Soloists en Monteverdi Choir, vrij van symbolische ballast. De cyclus was een verjongingskuur. Niet Mozarts eerste, maar wel een heel effectieve.

De tol die nu en dan betaald werd, was een gebrek aan diepgang. Zo richtte Gardiner zich in Die Zauberflöte meer op de ontwapenende dan op de verontrustende aspecten van de partituur. Ook als de komedie plaats maakte voor het vrijmetselaarsevangelie van angst en treurnis - voorstadia van de wijsheid en het geluk - was het meer dolce dan tief. Het parcours van loutering en initiatie, afgelegd door Pamina en haar prins Tamino (voor de voeten gelopen door Papageno en Papagena) was een parcours zonder mysteriën. Wel zo aardig, voor de verandering.

De problemen die deze Mozart meebracht, betroffen het gesproken woord, en datgene wat in het oude sprookjestheater neerkwam op water, vuur, veranderende omgevingen en neerdalende hemellichamen.

Gardiner hield de dialogen kort - een goede greep, met het oog op zijn overwegend Angelsaksische cast. Voor de special effects kwamen zes dansers op de proppen van de groep Pilobolus. Deze groep verstaat de kunst van het op elkaar klimmen en om elkaar heen kronkelen, en verbeeldde onder meer een monster, de troon van de Königin der Nacht (die haar eerste aria zong met navenant wiebelende coloraturen), de ketenen van Pamina, wilde beesten, en het vuur alsook het water. Misschien was het de beste oplossing, maar het was een noodoplossing.

De kostumering was niet de meest gelukkige, al werd met succes gestreefd naar onbekommerde accenten. Met Pamina en de Nachtkoningin met pruiken als vaatkwasten, en met een hogepriester (Sarastro) die te plaatsen viel als directeur van een kindercircus.

Maar er waren ook hartveroverende gags, die zich vermoedelijk terug lieten voeren op de enscenering van Stephen Medcalf voor de schouwburg van Parma. Zo was het portret van Pamina een lege lijst (Christiane Oelze, erdoorheen kijkend: 'Ja, das bin ich'). De drie zingende jongetjes daalden niet neer, maar kropen in pyjama uit een ei (een paarse lap). De Drei Damen waren ravezwarte heksjes uit de Cosmo, en Papageno bespeelde zijn klokjesklavier als de rocker Jerry Lewis zou doen in een vertolking van Beethovens Kaiserkonzert.

Met het succes van de afzonderlijke nummers namen ook de applausonderbrekingen toe. Maar Cyndia Sieden bleef in haar tweede Königin der Nacht-aria dan ook kaarsrecht overeind, Christiane Oelze was een niet zeurende maar zingende Pamina, en Harry Peeters een amusant-bazige Sarastro. Gerald Finley en Constanze Backes vierden hun vereniging tot papapapapageno-gena niet dom en flapsig maar mooi en teder. En net als in die vorige Gardiner-Mozarts was er weer de ontdekking van een exemplarisch vervulde rol: die van Tamino, door de Canadese tenor Michael Schade. Geen lijdzame, maar een leperd. Geen sufferd maar, Cosmo-dames, een spetter. Zeldzaam: een tenor met haar op de tanden.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden