Verguisd en uitgeput keert Amerika terug tot zichzelf

Na zeven grimmige jaren zoeken de Amerikanen een nieuw evenwicht tussen macht en ideaal, maar de harde werkelijkheid laat zich met mooie woorden alleen niet uitwissen, betoogt Arie Elshout....

Het is het slot van de film The Searchers, een western van John Ford. De hoofdpersoon, Ethan Edwards, bevindt zich in een groezelig soldatenuniform in de deuropening van de hut, waar zijn familie en vrienden wachten. Jaren is hij weg geweest, achter de Comanches aan die een nichtje hebben ontvoerd na eerst haar ouders en broers te hebben gescalpeerd en hun boerderij in de as te hebben gelegd. In zijn jacht op de vijand is Ethan, gespeeld door John Wayne, even stijfkoppig als meedogenloos te werk gegaan. Vervuld van een diepe indianenhaat, heeft hij de grens tussen wraak en rechtvaardigheid laten vervagen. Zo schiet hij de ogen uit het hoofd van een dode indiaan, omdat hij weet dat de Comanches geloven dat ze zonder ogen nooit het land van de doden zullen vinden en eeuwig zullen blijven ronddolen.

Nu is hij terug en staat hij daar, met achter hem de leegte en het scherpe licht van de woestijn, waardoor het laatste wat we van hem zien alleen nog een schaduw is, het silhouet van een eenzame held die vervreemd is geraakt van zijn naasten.

Bij de vijftigste verjaardag van de klassieker, twee jaar geleden, schreef A. O. Scott in The New York Times een essay over het legendarische laatste shot. Volgens de auteur gaat de western niet over de verovering van het Westen, maar over hoe uit het geweld een nieuwe samenleving werd gesmeed in de wildernis. Welke waarden en regels moesten er gelden? Waar de grens te trekken tussen vergelding en recht, tussen trouw aan je dierbaren en meer abstracte noties over beschaafd menselijk gedrag? Het zijn dit soort morele vragen, schrijft Scott, die ook vandaag, in deze tijd van oorlog en terrorisme, relevant zijn voor Amerikaanse politici. ‘Wanneer moeten we de strijd aangaan? En als dat moet, hoe behoren we ons dan te gedragen?’

In het verkiezingsjaar 2008 is het Amerika dat in de deuropening staat. Getergd ging het na ‘11 september’ het gevecht aan, verguisd en uitgeput keert het terug tot zichzelf na een jarenlange beproeving. Daarin vergat het zichzelf in zijn woede soms zo sterk dat velen zich niet meer herkennen in de vermoeide frontsoldaat, die besmeurd is teruggekeerd uit de woestijn, daar achter hem, buiten de hut. ‘Out there.’

Die twee woorden hoorde ik een paar maal gebruiken in Los Angeles en New York, waar ik was vanwege de voorverkiezingen van Super Tuesday. ‘Vergeet niet’, zei Ron Nehring, een jonge Californische Republikein, ‘dat er heel veel slechteriken rondlopen out there’.

Boze buitenwereld

Het betekent hier meer dan alleen maar ‘daarbuiten’, het wil zoiets zeggen als ‘de boze buitenwereld’. De woestijn achter de rug van John Wayne is er de metafoor van. Het is de wildernis die de Amerikanen steeds weer willen bedwingen, eerst als pioniers op het eigen continent, en later als mondiale mogendheid ver buiten de eigen grenzen. Wayne wordt dan Martin Sheen, die in Apocalypse Now de rivier afzakt, diep het Vietnamese oerwoud in op zoek naar het Kwaad om het te bedwingen. Ook Sheen komt daarbij zichzelf tegen.

Op ‘11 september’ werden de Amerikanen voor het eerst in hun eigen huis op het vasteland aangevallen. Twee machtige wolkenkrabbers zegen ineen alsof het kaartenhuizen waren, het Witte Huis moest worden ontruimd. Een enorme psychologische dreun. Het insulaire gevoel van onkwetsbaarheid was vernietigd.

De wereld daarbuiten had een monster gebaard, dat zich niet liet vergelijken met welke eerdere dreiging dan ook. De aanval kwam niet van een vijandige staat, maar van moeilijk te lokaliseren aanvallers. Ze konden van overzee komen, maar ook uit de straat naast de jouwe. Ze hechtten niet aan het aardse leven, en als ze de kans kregen zouden ze hun zucht naar martelaarschap en massavernietigingswapens graag willen mengen tot een catastrofale cocktail.

Schimmige netwerken

De defensiedoctrines die Amerika een goede dienst bewezen in de Koude Oorlog zijn nutteloos geworden, reageerde president George Bush jr. ‘Afschrikking – het dreigen met massale vergelding tegen naties – werkt niet tegen schimmige terroristische netwerken die geen land of burgers hebben te verdedigen. We moeten de strijd naar de vijand verplaatsen, zijn plannen verstoren en de dreigingen aanpakken voor ze een vaste vorm aannemen.’

Dat betekende preventieve actie. Voorts werd ingezet op het verspreiden van democratie, want democratieën vormen de beste garantie voor de veiligheid, was de redenering.

Het gewonde Amerika had zich na ‘11 september’ kunnen terugtrekken in zichzelf, zich verschansend achter irisscans op vliegvelden, detectieapparatuur in havens en elektronische bewaking langs alle zee- en landgrenzen. Maar in plaats daarvan ruilde het defensieve militaire doctrines in voor offensieve, rukte het zich los uit oude bondgenootschappelijke verbanden, zette het de achtervolging in en wilde het die boze wereld daarbuiten onschadelijk maken door het te herscheppen naar zijn eigen beeld.

Het begon twee oorlogen tegelijk, Afghanistan en Irak, en zegde de landen van de ‘As van het Kwaad’ de wacht aan. Als het moeilijk is precies te weten waar de vijand zit, zie je ze overal. Ver weg, en dichtbij. Amerika zocht wraak en gerechtigheid, en ging daarin zo ver dat het zichzelf – door Abu Ghraib en Guantanamo Bay – in diskrediet bracht als baken van democratie. Bush had voor zijn verkiezing in 2000 nog gezegd dat de enig overgebleven supermogendheid zich krachtig maar ‘nederig’ moest opstellen. Het liep anders, maar dat lag niet aan hem, was het verweer, maar aan de wereld die veranderd was op die ochtend van de 11de september.

Nog geen zeven jaar later hebben veel Amerikanen zich afgewend van het naar hun gevoel ontspoorde Amerika. ‘De wereld verlangt iets beters van ons dan wat ze gekregen heeft’, zei Valerian Butler Smith III, nadat hij in een synagoge in hartje New York zijn stem had uitgebracht. ‘Ik ben ziek van alle verdeeldheid’ , aldus de zwarte investmentbanker, die desondanks als geestdriftige Obama-fan de blijmoedigheid uitstraalde van iemand die pas de helende werking van een gebedsgenezer heeft ondergaan.De verkiezingen zijn dan ook meer dan een zoektocht naar een nieuwe president, ze lijken een vorm van therapie na alle strijd van de afgelopen jaren.

Stapels boeken

In de boekhandels liggen stapels boeken, waarin wordt afgerekend met de voorbije periode, zoals Daydream Believers van Fred Kaplan.

Zijn centrale stelling: de wereld was niet veranderd na 11/9. Een aantal fundamentele dingen bleef hetzelfde, zoals in de oorlogvoering, waardoor Amerika minder sterk was dan Bush en de zijnen dachten op grond van de fantasieën waaraan zij zich hadden overgegeven. Door hun technologisch overwicht kunnen de Amerikaanse strijdkrachten de strijd op het klassieke slagveld snel in hun voordeel beslissen en een regime omverwerpen. Maar de oorlog is pas echt gewonnen als je ook je politieke doelstellingen hebt bereikt, zoals het vestigen van een bestuur dat de orde handhaaft.

‘Uiteindelijk geldt onverminderd de oude waarheid dat laarzen op de grond, een slimme strategie en tactiek, en kennis van de lokale taal en cultuur, doorslaggevend zijn’, schrijft Kaplan. In Irak ontbrak het lange tijd allemaal daaraan.

Het registreren van een paar terechte constanten is echter nog geen bewijs van algehele continuïteit. De wereld was op ‘11 september’ wel degelijk ten principale veranderd. Voor het eerst werd duidelijk dat rijke landen niet langer immuun zijn voor wat er gebeurt in ‘mislukte staten’ ver weg: het geweld daar kan naar hen overslaan als moeilijk grijpbare, niet-statelijke terreurorganisaties die staten gebruiken als springplank.

Die werkelijkheid laat zich niet uitwissen, hoe hard je ook ‘change’ roept, of ‘yes, we can’. Waar Bush, geconfronteerd met die realiteit, te veel op de wapens vertrouwde, vertrouwt Barack Obama te veel op woorden. Zonder voorwaarden vooraf wil hij het gesprek aangaan, met de Iraanse president Ahmadinejad en de Zuid-Koreaanse Kim Jong-il. De Democraten geloven toch niet, zo schrijft Michael O’Hanlon van het progressieve Brookings-instituut, dat meedogenloze dictators zich beter zullen gedragen als we maar de tijd nemen ze beter te begrijpen? ‘Dat Bush te ver de ene kant op ging, maken we niet goed door voor het andere uiterste te kiezen.’

In de wereldpolitiek is het niet zo dat wie goed doet, goed ontmoet. Het gaat altijd om belangen, en die plegen te botsen met elkaar. Een supermogendheid als Amerika heeft heel veel belangen, en dus heel veel potentiële vijanden, en dat blijft zo, ook na de therapie.

De wereld is misschien niet direct een wildernis, maar wel een strijdtoneel, waaraan de Amerikanen zich moeilijk kunnen onttrekken. In de tien jaar voor 11/9 hadden ze de aandrang ertoe, maar steeds was er iets dat hun betrokkenheid vergde, terwijl ondertussen moslimobscurantisten, ondanks Bill Clintons redding van Bosnische en Albanese moslims, op hun plannen broedden om hun nihilistische visie op de wereld bij de Amerikanen thuis te bezorgen.

Ook een minder martiaal Amerika kan zich niet onttrekken aan de ‘logic of power’. ‘Macht ligt aan de basis van de meeste betrekkingen’, schreef minister Dean Acheson in 1954 aan de toenmalige president Truman. Voor de man of vrouw die in januari 2009 aantreedt, zal het niet anders zijn. Hoewel Kaplan harde kritiek heeft op Bush’ gebrek aan prudentie, koestert hij geen illusies over de natuurlijke staat van de mens. Die is niet per se alleen maar geneigd tot het goede. Daarom moet een supermogendheid ook ‘listig, sluw, berekenend, en manipulatief’ kunnen zijn.

Hulp van vrienden

Daarbij moet het er rekening mee houden dat het er vaak alleen voor staat, dat de hulp van vrienden niet is gegarandeerd.

Op een verkiezingsbijeenkomst in Manhattan reikte Hillary de hand uit naar de bondgenoten. Maar Afghanistan leert dat veel van hen achteruit deinzen voor die hand als er een vuile klus moet worden opgeknapt. Sinds het verdwijnen van de Sovjet-vijand hebben de Europese bondgenoten de luxe met de Amerikanen van mening te verschillen over wie of wat als vijand moet worden beschouwd en hoe die moet worden aangepakt, en daarvan maken de meeste gretig gebruik.

De logica van de macht is wat Europa het liefst wegmoffelt in die schuilhut van anonieme regels die de Europese Unie heet. Het blijft een verschil met Amerika, waar pas een oorlogsschip, de USS New York, werd gedoopt, gemaakt van het ijzer uit de puinhopen van de Twin Towers.

Amerika betaalt er een prijs voor, mondiaal leiderschap voelt vaak als een doornenkroon. Moegestreden en om zijn hardheid verstoten is de strijder nu thuisgekomen. Wil weer tot zichzelf komen. De democratische waarden waar Amerika altijd voor heeft gestaan, probeert hij onder de wrakstukken van de afgelopen jaren vandaan te halen en te redden. Zoals de bereidheid grote problemen en onrechtvaardigheden aan te pakken die status quo-mogendheden zelfs niet thuis, laat staan in het buitenland durven aan te pakken, schrijft de Los Angeles Times.

Alle verkiezingskandidaten zoeken naar een nieuw evenwicht tussen macht en ideaal, maar als geen ander vertegenwoordigt John McCain beide kanten. Als gemartelde Vietnam-veteraan ondervond hij hoe het kan zijn ‘out there’.

Op de ochtend van Super Tuesday spreekt hij op Rockefeller Plaza, een kleine, stevige man, tussen de naar de hemel reikende wolkenkrabbers van New York. ‘Als het moet’, zegt hij, ‘zal ik de terroristen achtervolgen tot de poorten van de hel.’ Amerika moet volgens hem blijven leiden, maar óók inspireren als de ‘Shining City on the Hill’, de stad van licht op de heuvel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden