Vergeven en vergeten

Anton Mussert richtte 75 jaar geleden de NSB op. Andrien van Varik sloot zich, dromend van een betere toekomst, aan bij de met nazi-Duitsland verbonden Nationaal-Socialistische Beweging....

Niemand in Rietveld valt Andrien van Varik (87) nog lastig met vragen over de Tweede Wereldoorlog en haar lidmaatschap van de Nationaal-Socialistische Beweging. De inwoners van het gehucht aan de Rijn, nabij Woerden, hebben dat hoofdstuk afgesloten op de dag dat Andrien in 1946 vrijkwam.

Die coulante houding staat haaks op wat de meeste oud-NSB’ers is overkomen. Maar de Van Variks konden eigenlijk niet anders, vond en vindt men in Rietveld. Het gezin Van Varik was kinderrijk en arm. Andrien had zes zussen en een broer. Vader was slachtoffer van de economische recessie in de jaren dertig. Jarenlang was hij werkloos, een situatie die hem in 1934 in de armen van de NSB dreef.

In de hoop op een betere toekomst schaarden tienduizenden zich achter het vaandel van de beweging van Anton Musserts. Andrien zag er als kind geen kwaad in. ‘De saamhorigheid was geweldig. Als je die duizenden mensen zag op de landelijke bijeenkomst in Lunteren, gaf dat een enorm warm familiegevoel. Je ontmoette leden uit alle windstreken van Nederland. En dan zongen we samen onze liederen.’

Met haar twee oudste zussen en vader reed ze ieder jaar op Tweede Pinksterdag naar de ‘Hagespraken’ van de NSB in Lunteren. Daar spraken Mussert en andere prominenten en werden gezamenlijk de strijdliederen gezongen. ‘Omdat wij op het platteland woonden, was dit de gelegenheid voor ons om andere gelijkgezinden te ontmoeten. Dat vonden we geweldig al die mensen uit Limburg en Friesland, plekken waar wij nooit kwamen. Die gemeenschapszin, die solidariteit, dat sprak mij enorm aan.’

In 1937 werd ze 18 en was ze oud genoeg om zelf lid te worden. ‘Ik was ervan overtuigd dat de NSB een eind kon maken aan de sociale wantoestanden, en vooral aan de werkloosheid. Die idealen hadden wij thuis allemaal. Dat was niet altijd gemakkelijk, want wij waren jarenlang de enige NSB’ers in de omgeving. Ook de kerk, De Nederlandse Hervormde, werkte tegen. Mijn vader mocht bijvoorbeeld niet deelnemen aan het avondmaal.’

Andrien ontmoette Mussert enkele keren persoonlijk. ‘De eerste keer toen hij langs ons huis reed. Mijn vader had een groot bord tegen de gevel van het huis hangen waarop stond: Leest Volk en Vaderland. Dat zag Mussert en hij stopte om een praatje te maken. Het viel mij op dat hij zo’n ongedwongen man was. Mijn moeder stond kleden uit te kloppen en Mussert hielp haar met het terugzetten van de tafel en de stoelen. Je kon merken dat hij hoge achting had voor vrouwen, in alle dingen kon je dat merken. Hij gedroeg zich als een gezellige oom en vroeg mij dingen over school. Heel gewoon eigenlijk.’

Ze kreeg, in het jaar dat ze lid werd van Musserts beweging, een betrekking als dienstbode bij baron en barones Van Pallandt in Wassenaar. In de spaarzame vrije tijd colporteerde ze met Volk en Vaderland en inde hij de contributie bij de leden. Negatieve reacties van anderen kan ze zich niet herinneren. Die zouden later pas volgen.

‘In de morgen van 10 mei 1940 hoorde ik vliegtuigen overkomen, de oorlog was begonnen. Met zes soldaten kwamen ze mij halen bij de baron. Die maakte zich vreselijk kwaad. Als ik nog bij de Gele Rijders zou zijn, kregen ze je niet mee, riep hij nog. Het hielp niks. Ik moest mee.

‘Het was een verschrikkelijke chaos. Overal moest het wachtwoord gebruikt worden, maar niemand kende dat. Toen hebben ze me naar het politiebureau in Wassenaar gebracht. Daar zat ik met zeven andere NSB’ers. Die agenten hadden er de aardigheid in om steeds iemand uit onze groep te pikken en die mee naar buiten te nemen. Dan hoorden we schieten en kwamen ze terug om de volgende te halen. Pure pesterij natuurlijk.

‘Toen het bureau te vol raakte, werden we naar het circusgebouw in Scheveningen gebracht. Daar zaten tientallen opgepakte NSB’ers. Ik werd hier voor het eerst verhoord. Ze zeiden dat NSB’ers op Nederlandse soldaten hadden geschoten. Ik zei: dat bestaat niet. Voor die brutaliteit moest ik met twee mannen midden in de arena gaan zitten. Zwaarbewaakt met geweren en mitrailleurs.

‘Na anderhalve dag hoorde ik van een sergeant dat Nederland had gecapituleerd. Hij waarschuwde me dat het beter was binnen te blijven, omdat mensen wraak wilden nemen op NSB’ers.

‘De volgende ochtend ben ik naar huis gaan lopen. Onderweg zag ik een Duitser het verkeer regelen. Ik dacht: vent rot op, dat kunnen we zelf wel. Eindelijk kwam ik thuis. ’s Avonds kwam mijn vader. Die hadden ze ook opgepakt en naar Amsterdam gebracht. Hoe het verder met de NSB ging, heeft hij niet meer meegemaakt. Hij overleed in oktober 1941 aan kanker.’

Andrien vond werk als huidhoudster bij Cees van Geelkerken, de tweede man van de NSB en hoofd van de Jeugdstorm. ‘Van Geelkerken was een prettige man, een echte gentleman. Ik kon alles tegen hem zeggen. Ik had bijvoorbeeld veel kritiek op al die ‘meikevers’, NSB’ers die na mei 1940 lid waren geworden. Daar zaten veel baantjesjagers bij en aan hen had ik vreselijk de pest. Van Geelkerken probeerde dat dan af te zwakken.

‘Er kwamen nogal wat kopstukken over de vloer. Ook Mussert kwam ik daar weer tegen. En Generalkommissar Schmidt met zijn vrouw en kinderen. Veel van wat besproken werd, ging vanzelfsprekend buiten mij om. Toen Hitlers plaatsvervanger Hess naar Engeland vloog, zei Van Geelkerken dat hij zulk verraad aan Mussert nooit zou plegen.’

Later kon Andrien aan de slag bij de gepensioneerde generaal Seyffardt, die net was benoemd tot commandant van het Vrijwilligerslegioen Nederland. ‘Op en top militair. Veel zag ik hem niet, want hij was vaak weg. In die tijd leerde ik ook mijn verloofde kennen, een Groningse boerenzoon die zich voor het Vrijwilligerslegioen had gemeld. Hij was geen NSB’er, maar wel een overtuigde anticommunist. In augustus 1941 vertrok hij naar het Oostfront. Ik heb hem nooit meer gezien.

‘Hij sneuvelde in juni 1942 aan het front bij Leningrad. Ik kreeg toen nog het aanbod een ‘Kriegstrauung’ te doen, een postume trouwerij. Maar ik zei: ja ik ben gek. Ik ga niet met een dooie trouwen. Er waren wel anderen, bijvoorbeeld vrouwen die in verwachting waren, die dat wel deden.’

Ook met Seyffardt liep het slecht af. ‘Op een avond keerde ik terug van een vergadering van de Jeugdstorm, toen ik voor Seyffardts huis allemaal SD’ers en politie zag staan. Het bleek dat er een aanslag op de generaal was gepleegd. Weer moest ik wat anders zoeken. In Rotterdam wilde ik naar de vroedvrouwenschool, maar dat bleek te duur. Toen ik hoorde dat er vrijwilligsters gevraagd werden voor het Duitse Rode Kruis (DRK) heb ik me gemeld.

‘In januari 1944 vertrok ik met een groep van 25 Nederlandse meisjes naar de verpleegstersopleiding in Hahnenklee, in de Harz. ‘Op de mouw van ons verpleegstersuniform droegen we een oranje-blanje-bleu-schildje. Ik heb dat met veel trots tot het einde toe gedragen.

‘Vaak kreeg ik hevige ruzie met de hoofdverpleegster, omdat ik weigerde de Duitse taal te leren. Alle medische kennis die ze ons leerden was in het Duits, niet in het Latijn. Een DRK-zuster nam me apart en zei dat ik in streken zou komen waar alleen Duits werd gesproken. Maar ik ben geen Duitse, verdikkeme, zei ik. Nee, zei ze, maar het is voor je eigen bestwil. Nou, toen heb ik maar mijn best gedaan.

‘Na twee maanden werd ik ingezet in een ziekenhuis in Königswinter en vervolgens in een militair sanatorium in het Tsjechische Starkenbach. Daarna ben ik naar het front in de Oekraïne gezonden en heb ik in veldhospitalen gewerkt. Vlak voor vertrek kregen we van een sergeant een gifpil. Voor het geval we krijgsgevangen zouden worden gemaakt. We hadden wel verhalen gehoord wat die Russen met vrouwen deden, dus je kon zelf beslissen.

‘Aan het front was het voornamelijk veel improviseren. Materiaal was schaars. Verband werd gewassen en weer op rolletjes gedaan. Doden en gewonden deden je weinig meer. Je vergat te denken, je deed je werk. Je stond met ledematen in je hand, of gaf aanwijzingen hoe diep een graf gegraven moest worden. Dat hoorde erbij.’

In mei 1945 werd haar eenheid ingesloten door de Russen en belandde Andrien in krijgsgevangenschap. De gifpil bleef onbenut. ‘Gelukkig troffen we een Russische officier die Engels sprak en onze groep bij elkaar hield. Op een gegeven moment maakte hij duidelijk dat hij seks wilde. Een Vlaamse zuster zei toen tegen ons: ik neem hem wel mee. De Russen droegen ons over aan de Amerikanen, die ons op hun beurt weer doorgaven aan de Engelsen. Uiteindelijk belandde ik met nog een DRK-zuster in Vaals.

‘Tot mijn stomme verbazing trof ik daar mijn moeder en zussen aan, die vanuit Duitsland daar terecht waren gekomen. Veel reden tot blijdschap was er verder niet. We werden kaalgeknipt en van kamp naar kamp gestuurd. In een Goudse kaasfabriek spoten ze ons bij wijze van douche met koud water nat, terwijl een grote groep mannen geamuseerd stond toe te kijken. Dat was voor mij de eerste keer dat ik mijn moeder naakt zag. Dat soort vernederingen vergeet je niet gauw.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden