Vergeet het maar dat wij vergeten

Al sinds de jaren vijftig wordt beweerd dat er in Nederland snel 'oorlogsmoeheid' zou intreden. Maar het aantal monumenten dat verwijst naar WO II neemt alleen maar toe.

Struikelstenen voor een voormalig Joods weeshuis in Utrecht. Beeld Julius Schrank

In Nederland zijn aan de periode 1940-'45 meer monumenten gewijd dan aan alle andere episoden van de nationale geschiedenis tezamen. Op ruim 3.500 plekken wordt eerbiedig naar de Tweede Wereldoorlog verwezen. Zo'n vijfhonderd van deze monumenten zijn pas sinds 2000 onthuld. En er komen nog steeds oorlogsmonumenten bij.

In Utrecht zal in de buurt van het Maliebaanstation, waar de meeste van de 1.224 omgebrachte Utrechtse Joden hun reis naar de dood begonnen, een gedenkmuur van 7 bij 3 meter worden opgetrokken. Op vele plaatsen in het land, zoals in Vlaardingen en in Echt-Susteren, dat al dertig gedenkplaatsen rijk was, zijn de laatste jaren monumenten verrezen ter nagedachtenis van de bemanningen van geallieerde bommenwerpers die tijdens de oorlog zijn neergehaald.

Niemand durft onderhand meer een afnemende belangstelling voor 'de oorlog' te voorspellen. In 1995, het jaar waarin de vijftigste verjaardag van de bevrijding werd gevierd, spraken deskundigen de verwachting uit dat spoedig een zekere oorlogsmoeheid zou intreden. Dat zeiden ze ook in 1985, in de jaren zestig en zelfs al in de vroege jaren vijftig. Destijds was de 'monumentenregen' van de eerste naoorlogse jaren overgegaan in een miezerig buitje.

Ondernemers morden over het grote aantal vrije dagen in deze tijd van het jaar. Reden voor minister-president Willem Drees om te zinspelen op een gecombineerde viering van Koninginnedag en 5 mei op 30 april. Uiteindelijk besloot het kabinet Bevrijdingsdag nog slechts eens per vijf jaar te vieren. De verwachting was dat het boek binnen enkele decennia definitief kon worden gesloten. De Nederlander had tenslotte nooit van een sterke belangstelling voor het nationale verleden blijk gegeven. Het besef dat de Duitse bezetting met geen andere episode vergelijkbaar was, ging pas later dagen.

In Genemuiden wordt vandaag de plaatselijke geschiedenis herschreven met de toevoeging van veertien 'vergeten' oorlogsslachtoffers aan de achttien lotgenoten die al werden gememoreerd. Dit gebaar leidde tot een schisma in de Stichting vrienden van Oud-Genemuiden. Een van de bestuursleden meende dat één naam, die van Lammert Brink, ten onrechte aan het monument is toegevoegd omdat hij ook al op een naburig monument prijkt. Nabestaanden van Brink voerden aan dat weglating van de naam tot het misverstand zou kunnen leiden dat er een smetje aan hem kleefde. De meerderheid van de stichting bleek uiteindelijk gevoelig voor dit argument.

De lokale overheden voorzien ruimhartig in de behoefte van burgers aan nieuwe gedenktekens. Ze stellen grond beschikbaar of zien af van de inning van leges. Zo waren met de administratieve voorbereidingen van het Amsterdamse monument voor Walraven van Hall, de financier van het verzet, slechts zes weken gemoeid.

Alleen gemeenten met een uitzonderlijk grote monumentendichtheid trappen op de rem. Het Overijsselse Hellendoorn - twaalf oorlogsmonumenten op 35 duizend inwoners - behoort daartoe. 'We hebben een groot algemeen monument voor alle slachtoffers', zegt een woordvoerder van de gemeente in VNG Magazine, 'een voor Joodse slachtoffers, hier en daar een gedenkteken voor gefusilleerde personen, kleine bordjes op plaatsen waar vliegtuigen zijn neergestort. Nieuwe aanvragen honoreren we in principe niet meer omdat ze niets toevoegen.

'Bij de 3.500 oorlogsmonumenten in Nederland zijn nog niet eens de zogenoemde struikelstenen gerekend: messing plaatjes van 10 bij 10 centimeter die op grote schaal in het plaveisel zijn aangebracht ter hoogte van huizen die ooit door deportatieslachtoffers werden bewoond. De boodschap is tot zijn bedrukkende eenvoud teruggebracht: de naam van het slachtoffer, diens geboortejaar, (soms) de dag van deportatie en het jaar van zijn overlijden. 'Bij het passeren van een struikelsteen maak je een lichte buiging om de tekst te kunnen lezen', zegt Gunter Demnig, de Keulse bedenker van de struikelsteen. 'Je ziet hoe oud of jong de persoon in kwestie was. Je kijkt naar de gevel en je vraagt je af achter welk venster de doden hebben geleefd.'

De struikelstenen worden, à raison van 95 euro per stuk, bekostigd door nabestaanden van de slachtoffers of, vaker nog, door de bewoners van gebouwen met een belast verleden. Tot dit jaar heeft Demnig ruim 44 duizend struikelstenen verkocht. In Nederland verschenen de eerste in 2007, in het Twentse Borne. Inmiddels zijn in 89 plaatsen honderden struikelstenen geplaatst. Onder andere bij het voormalig Joods weeshuis aan de Nieuwegracht in Utrecht en bij het Olympisch Stadion in Amsterdam - ter nagedachtenis van de Joodse atleten van de Spelen van 1928 die tijdens de oorlog zijn omgebracht. Woensdag zijn in Blijham (Groningen) nog twee struikelstenen gelegd.

De trend sluit aan bij de uitkomst van een enquête over onze betrokkenheid bij de Tweede Wereldoorlog die het Nationaal Comité 4 en 5 mei dit voorjaar onder ruim 1.500 Nederlanders heeft afgenomen. In vergelijking met soortgelijke enquêtes in het verleden zeggen meer Nederlanders op 4 mei specifiek aan de Nederlandse oorlogsslachtoffers te denken en minder aan slachtoffers die bij conflicten elders in de wereld te betreuren waren. Acht van de tien Nederlanders zeggen zich deze dagen sterk met elkaar verbonden te voelen. Hetzelfde percentage denkt bij 'oorlog' vooral aan de Tweede Wereldoorlog en zegt ook wel-eens met anderen over deze episode te praten.

Kunstenaar Gunter Demnig installeert struikelstenen in Berlijn Beeld epa

'Stolpersteine' niet onomstreden

Nergens liggen zoveel struikelstenen - Stolpersteine - als in Duitsland, 'het land van de daders'. Helemaal onomstreden is dit onderdeel van de bloeiende Duitse herinneringscultuur niet. Sommige gemeenten ontmoedigen de plaatsing van de gladde plaquettes omdat passanten erover zouden kunnen uitglijden, wat kennelijk bezwaarlijker wordt geacht dan struikelen. Sommige bewoners van huizen die ooit door deportatieslachtoffers werden bewoond, worden liever niet permanent aan deze voorgeschiedenis herinnerd. Anderen zijn bang voor represailles van neo-nazi's.

Helemaal denkbeeldig is dat niet, zegt Gunter Demnig, de bedenker van de struikelsteen. In het oosten van Duitsland, waar rechts-extremisten relatief talrijk zijn, moet hij zijn stenen vaak onder politiebegeleiding leggen. Regelmatig worden stenen beschadigd of uit het plaveisel gerukt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden