Vergeet het, het is voorbij

Op de Frankfurter Buchmesse, volgende maand, presenteert zich wat er van 'de Poolse literatuur' is geworden, vijfenvijftig jaar na 1945, tweeëntachtig na 1918, en elf na 1989....

EEN Duitser doopte Polen 'Anus Mundi', 'aars van de wereld'. Dat was in 1942, de tijd waarin Adolf Hitler Polen uitkoos om er zijn ergste vernietigingskampen te bouwen. Aars van de wereld was nog een te fijne naam voor een land dat zoiets als 'Auschwitz' in zich droeg. 'Auschwitz' was zo verschrikkelijk, dat er daarna geen poëzie meer kon bestaan - schreef de filosoof Theodor W. Adorno.

Maar Czeslaw Milosz schreef in datzelfde gat, in het puin van Warschau, zijn gedicht De Wereld, een gedicht dat het geluk bevat van een wereld die nog heel is, een dorp in de lente.

Daar, waar je een groene vallei ziet

En waar de weg half is bedekt door

gras,

Door een eikenbos dat net gaat

bloeien

Keren kinderen terug van school

'Ik schreef vrolijke gedichten', schrijft Milosz in ABC, het alfabet van zijn leven. 'Ik schreef vrolijke gedichten midden in wat er in de Anus Mundi gebeurde, en dat allerminst omdat ik van niets wist. Verdien ik het nu, veroordeeld te worden?' Milosz denkt van niet. Verschrikking is de ware aard van de wereld, schrijft hij, ook al doet de beschaving haar best om die te verhullen. Een reden om met schrijven en dichten op te houden is dat nooit. Ondanks Adorno is de literatuur ook na Auschwitz doorgegaan. En Milosz werd niet veroordeeld, maar in 1980 beloond met de Nobelprijs voor de Literatuur.

Czeslaw Milosz schrijft nog altijd, en nog altijd ook gedichten vol lente, aarde en vogels, al zijn ze met de jaren misschien wat metafysischer geworden:

In een zomerdageraad rende ik naar buiten, de stemmen van de vogels tegemoet, en ik kwam terug, maar tussen die twee momenten creëerde ik mijn werk.

Dicht hij in 1993. Alsof een God zijn schepping beschrijft, een schepping die zes dagen vergde, of zestig jaar - op de eeuwigheid maakt dat niet zoveel uit.

Czeslaw Milosz is inderdaad een god, in Polen. Hij is op 89-jarige leeftijd zo immens groot, en hij troont zo hoog boven zijn jongere tijdgenoten dat Polen hem soms zelfs vergeten, als ze het over literatuur hebben. Ze noemen kleinere namen die stuk voor stuk gespeld moeten worden - Sczypiorski, Bartoszewski, Krzeminski, Jurewicz, Pilch, Stasiuk. . . - en vervolgens zeggen ze bijna achteloos: 'O ja. En Milosz natuurlijk.'

Hij is een vanzelfsprekendheid geworden. Samen met hem noemen ze hooguit nog Wislawa Szymborska, ook een Nobelprijs maar toch niet een persoonlijkheid van Milosz, die als een Goethe de hele Poolse literatuur lijkt te belichamen.

In de schaduw van de kolossale Czeslaw Milosz zullen in oktober ruim zeventig Poolse schrijvers en dichters naar Frankfurt reizen waar Polen, de 'Anus Mundi', tot Schwerpunkt van 2000 is benoemd. Daar presenteert zich wat er van 'de Poolse literatuur' is geworden, vijfenvijftig jaar na 1945, tweeëntachtig na 1918, en elf na 1989.

Veruit de meeste leden van het Poolse reisgezelschap zullen jonger zijn dan vijftig, sommigen zelfs veel jonger. De jongste schrijvers hadden zelfs nog geen pen op papier gezet voor de omwenteling van 1989 - de omwenteling die alles omwoelde, alles, inclusief de literatuur.

'Vergeet dat 'vroeger'! Je denkt nog altijd dat alles zo is als vroeger, dat we nog altijd met gebarentaal het grote Oost-West-gesprek voeren. Vergeet het. Het is voorbij, en laat me met rust', schrijft Piotr Siemion.

Maar 1989 is nog niet vergeten. En ook met het 'vroeger' van daarvoor is de Poolse literatuur nog niet klaar.

'1989' Was niet de eerste omwenteling die Polen heeft getroffen. Toen Czeslaw Milosz in 1911 werd geboren, was er geen Polen. Er was Duitsland, dat Silezië omvatte, Posen (Poznan) en Torun, en dat langs de Oostzee in een lange punt doorliep helemaal tot voorbij Königsberg (Kaliningrad); er was Rusland, dat in het westen tot ver voorbij Warschau reikte; en er was de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie die in het zuiden over de hoge Tatra en het mooie oude Krakau heerste. Polen was nog slechts een naam - onder de Russische tsaren bleef het in naam een koninkrijk, maar de tsaar was de koning en Rusland was de baas - en Polen was een herinnering aan een rijk dat eind achttiende eeuw bij een andere herverdeling van Europa was opgehouden te bestaan.

Polen bestond niet, maar Polen was ook niet weg. Het had een schuilplaats gevonden in de literatuur, waar het voortleefde in afwachting van een volgende herziening van de geschiedenis. De negentiende eeuw was de eeuw van de grootste Poolse dichter: Adam Mickiewicz - net als Milosz geboren in Vilnius, de huidige hoofdstad van Litouwen (wat Mickiewics voor de Litouwers de grootste Litouwse dichter maakt). Mickiewicz's grote epische gedicht Pan Tadeusz omvatte in zijn tienduizend regels het hele Poolse land, de Poolse sentimenten en het Poolse leven, en bewaarde het voor later.

De status van Mickiewicz en zijn tijdgenoten is sindsdien altijd een beetje rond de schrijvers in Polen blijven hangen. Schrijvers waren belangrijker dan politici. Zij waren de bewaarders van de Poolse cultuur en van de vrijheid. Ze bleven dat tijdens de Duitse bezetting, en gedurende vijftig jaar communisme.

Albrecht Lempp organiseert, als directeur van het bureau Polska 2000 het 'Poolse jaar' op de Frankfurter Buchmesse. De selectie van de 72 levende Poolse auteurs die in Frankfurt 'de' Poolse literatuur vertegenwoordigen, is zijn werk. Maar het zou te gemakkelijk zijn te zeggen dat hij dus weet wat dat nog is: de Poolse literatuur na 1989.

Lempp: 'Het is niet zo dat in 1989 ineens het licht is aangegaan. Er werd in de jaren tachtig al veel gepubliceerd. Wat wel op slag veranderde, is de rol van de schrijver. De schrijver die tijdens de bezetting en de opdeling van Polen en tijdens het communisme altijd een icoon was geweest van onafhankelijkheid, de morele autoriteit bij uitstek, hield op dat te zijn. De media en de democratische instellingen namen dat van hem over. De schrijvers werden bevrijd van deze zware taak', zegt Lempp.

Behalve Milosz dan, want die onttrekt zich aan alle wetten: als Milosz wat zegt wordt het nog altijd zeer serieus genomen. Milosz mengt zich nog regelmatig vanuit Amerika in Poolse discussies. Hij is een van de schrijvers die na de Tweede Wereldoorlog in ballingschap gingen. Het Polen dat hij achterliet was een ander land dan het Polen waarin hij zijn jeugd had doorgebracht - en dat hij in zijn werk zou bewaren, zoals Mickiewicz dat met zijn Polen had gedaan.

De oorlog had Polen 'etnisch gezuiverd': alles wat Duits was, was in 1945 dood of naar Duitsland gejaagd, de joden waren voor die tijd al vermoord in de 'Anus Mundi', en wat Russisch was verdween naar Rusland. Voor de oorlog bestond eenderde van de Poolse bevolking uit niet-Polen, na de oorlog was Polen voor 99 procent Pools. Het communisme dat volgde, creëerde zijn eigen literatuur.

Milosz verliet Polen voorgoed en verhuisde eerst naar Parijs, en later naar de Verenigde Staten, waar hij het belangrijkste deel van zijn oeuvre schiep. Het communisme kon hem de mond niet snoeren. Zijn werk was op den duur niet meer te verbieden, daarvoor was Milosz te groot, ook al voordat hij zijn Nobelprijs ontving.

Niet Milosz, maar Zbigniew Herbert werd de held van de vrijheid in Polen. De in 1998 overleden dichter bleef in Polen en negeerde daar openlijk en hardnekkig alle tegenwerking van de communisten. Hij sloot in en buiten zijn werk geen enkel compromis met de communisten. De grootheid van zijn dichterschap, en de internationale erkenning die daaruit volgde, overwon de dictatuur en de censuur. Ook het communistische publicatieverbod van zijn werk hield uiteindelijk geen stand. Door zijn absolute compromisloosheid werd Herbert een voorbeeld voor veel Polen.

De meesten waren minder sterk dan Herbert. Zij sloten hun kleine compromissen met de machthebbers - zelfs Szymborska schreef in haar jongere jaren een ode aan Lenin - of pasten hun stijl aan aan de eisen van de censuur: ze gingen tussen de regels schrijven. Dat leverde literatuur op die alleen geschikt was voor de mensen die ook tussen de regels konden lezen.

Die literatuur bestaat niet meer. Zij is hoogstens nog interessant voor historici. De mensen die haar schreven, de schrijvers die in Polen publiceerden onder het communisme, zijn met de omwenteling verdwenen. 'Dat was in de eerste plaats een kwestie van leeftijd', zegt Lempp. 'Ze waren gewoon oud. Sommigen gingen dood, anderen zijn gewoon niet meer zo aanwezig. En natuurlijk zijn er schrijvers die na de val van het communisme gewoon niet meer weten waarover ze moeten schrijven. Ze zijn hun werkterrein kwijt.' Namen wil Lempp niet geven. De organisator weet dat hij hier gevoelig terrein betreedt. Maar duidelijk is dat dit soort schrijvers niet tot de besten behoort. 'Grote schrijvers schrijven gewoon door, ongeacht wat er gebeurt.'

Door het vertrek van een oude generatie is er plaats gekomen voor nieuwe. 'Er is veel ruimte gekomen. Nu heeft Polen een heel brede groep van twintig- tot vijftigjarigen die in opkomst zijn. En de ooit zo hermetische Poolse literatuur is opgefrist met een vrolijke ik-gerichtheid.'

Na de wetten van het communisme en het 'grote Oost-West-gesprek' nam de vrije markt in 1989 de literatuur over. Een markt die in Polen dezelfde mechanismen kent als waar ook ter wereld. Mediagenieke schrijvers verkopen zichzelf gemakkelijker dan andere, en de beste boeken zijn niet automatisch ook de best verkochte. Een situatie waar vooral oudere schrijvers - die voor 1989 gegarandeerde oplagen van tienduizenden boeken hadden - het moeilijk mee hebben. Nadat ze ook al 'bevrijd' zijn van hun speciale status. Zij beklagen zich, dat de censuur van het communisme is vervangen door de 'censuur van het geld' en van de media.

Daar kunnen ze nog de 'censuur van de jeugd' aan toevoegen. Jonge schrijvers zijn, net als jonge lezers, niet langer geïnteresseerd in politiek en in grote historische thema's. En jonge lezers willen jonge schrijvers, zoals rockzanger-dichter Marcin Swietlicki, die ze ook in hun walkman kunnen stoppen. En Swietlicki zingdicht niet over 'vroeger', maar over 'Casablanca', 'Falafel - dood aan Rushdie', of 'Onder de vulkaan'.

Maar Piotr Siemion en Swietlicki kunnen 'vroeger' achter zich laten: het blijft een van de belangrijkste bestanddelen van 'de' Poolse literatuur die volgende maand naar Frankfurt trekt.

'Vroeger' is bij uitstek het domein van schrijvers als Pawel Huelle en Stefan Chwin, die allebei wonen in het van geschiedenis doordrenkte Gdansk.

Gdansk is de achtergrond van hun romans. 'Maar niet het onderwerp', waarschuwt Chwin, 'we zijn geen archivarissen'.

Het oude Gdansk, of Danzig in het Duits, schemert door in het nieuwe, waar Chwin zelf leeft. Het nieuwe Gdansk dat na de oorlog een nieuwe bevolking kreeg die helemaal van elders kwam. Gdansk was leeg, na de tweede Wereldoorlog. Leeggeveegd, en voor 90 procent verwoest, omdat het 'Duits' was. De stad vulde zich met Polen uit het oosten, uit Vilnius en andere steden, zoals Lwow en Grodna, die Russisch waren geworden. En net als Gdansk werden ook Wroclaw (Breslau) en Poznan (Posen) herbevolkt door Polen. Nomaden die er niets te zoeken hadden, behalve onderdak en werk.

Die Polen leefden als vreemden in vreemde steden, afgesneden van het verleden dat die steden hun betekenis gaf. Huelle: 'Dat is de belangrijkste ervaring van het naoorlogse Polen.'

Chwin schreef Hanneman, waarin hij Gdansk bekijkt door de ogen van een Duitse protestant. 'Een protestant die bovendien kijkt met de blik van de Duitse romantiek: gericht op het individuele, en niet de Poolse, op de natie gerichte romantiek. Dat boek werd boek van het jaar. Dus kennelijk raakte het iets aan wat voor de Polen van nu heel belangrijk is. Hoe het voelt om te leven op een plaats die ooit aan iemand anders toebehoorde. En ik kan me voorstellen dat het ook voor de rest van Europa steeds belangrijker wordt: een Europa waar iedereen steeds meer in beweging is.'

Pawel Huelle: 'Ik schrijf niet over migratie, maar over wat er omgaat in de geesten van de mensen die het ondergaan. Je kunt mensen afsnijden van hun geschiedenis. Wat Stalin en Hitler deden. Het is mogelijk, maar het resultaat is uitermate droef.'

Steden zonder hun geschiedenis zijn leeg. Literatuur kan die leegte invullen, denkt Huelle. Betekenis teruggeven waar die is verdwenen. Poolse schrijvers keren terug naar geschiedenis, naar vergeten tradities, naar oude grond, om de leegte van het communisme in te vullen. Natuurlijk gaan hun boeken over meer dan dat. Ze vertellen verhalen, zijn poëtisch, maar de grond waarop zij staan, de achtergrond waartegen de gebeurtenissen zich ontvouwen, is Pools.

Andrzej Stasiuk woont als een Hemingway in een afgelegen bergdorp buiten Krakau: in zijn boeken herleeft een Polen dat ooit bestaan moet hebben: het Polen dat midden in Europa, in midden-Europa lag. Ook in Krakau zitten de 'nieuwe classisisten' van de groep Arcana: jonge schrijvers rond Krysztof Koehler die het ('bekrompen', zegt Chwin) leven in een klein dorp idealiseren en zich afzetten tegen de liberale stadsgeneratie van Chwin (Chwin, geamuseerd: 'Kun je nagaan. Dat zijn mijn eigen studenten. . .'). Jerzy Pilch schrijft vanuit de Protestantse enclave Cieszyn, Wlodzimierz Kowalewski laat oude tradities in Olsztyn herleven. Chwin: 'Literatuur is bezig Polen te herscheppen, en opnieuw met betekenis in te vullen.'

'Maar', waarschuwt Huelle, 'dat is alleen een gevolg, niet het doel van de literatuur. Literatuur met een doel, dat is iets uit de communistische tijd. Je moet nooit vergeten dat literatuur kunst is, kunst hoort te zijn. Zodra je dat vergeet, word je een publicist, en houd je op schrijver te zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden