Veredeling van het bouwwerk OPKOMST EN BLOEI VAN HET ARCHITECTENBEROEP IN DE NEGENTIENDE EEUW

IN HAAR Gouden Eeuw schudde de jonge republiek der Nederlanden de Middeleeuwen van zich af en drukte haar macht en rijkdom uit in nieuwe, grootse binnensteden, die weerspiegelden dat ze de thuishaven waren van de VOC en het centrum van de wereldhandel....

Het vak van ontwerper was, bij gebrek aan grootse opdrachten, verdwenen. De ontwerper was weer bouwer geworden, van eenvoudige woonhuizen en even eenvoudig ambachtsbaas geheten. Het vak werd uitgeoefend door stukadoors, timmerlui en metselaars, die hun voorbeelden uit de praktijk haalden en er niets nieuws aan toevoegden.

Aan het eind van de achttiende eeuw waren er - naast de militaire ingenieurs, waterbouwkundigen en een paar stadsbouwmeesters in de grote steden die voor de overheden ontwierpen - slechts enkele particuliere bouwmeesters, die wel een aantal mooie monumentale opdrachten voltooiden, zoals het stadhuis van Groningen (Jacob Otten Husly), het Teylers Museum in Haarlem (Leendert Viervant) en het Amsterdamse Felix Meritis (Husly). Ze waren uitzonderingen, en tegelijk ook weer niet helemaal, ze werkten aan hun projecten toch meer als een (grote) ambachtsbaas dan als ontwerper. Husly bijvoorbeeld was van oorsprong stucwerker, bleef dat zijn leven lang en werkte als stukadoor ook voor andere bouwers. Ze waren mannen van de praktijk, geen profeten van de tekentafel.

Het begrip architect/ontwerper had, na die glorieuze Gouden Eeuw, een andere betekenis gekregen en zou die grootsheid en zelfstandigheid pas veel later weer terugkrijgen. De omslag kwam aan het einde van die slaperige achttiende eeuw. In zijn promotiestudie Ambacht, kunst, wetenschap heeft Coert Peter Krabbe dat emancipatieproces onderzocht aan de hand van de belangrijke rol die de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst daarin vervulde.

Hij keert zich allereerst tegen het beeld dat doorgaans van de Maatschappij wordt geschetst, als een gezapige herensociëteit. De heren zagen er op hun portretten, die ze van zichzelf lieten maken, misschien wel net zo ingeslapen uit als hun eeuw, en dat geldt wellicht ook voor de taal van hun notulen, maar hun Maatschappij vervulde een belangrijke rol bij de verspreiding van nieuwe ideeën, overdracht van kennis, totstandkoming van een passend onderwijs en het bepalen van het wezen en het ideaal waaraan het beroep moest voldoen.

Toch lag de oorsprong van het ontwaken niet bij die bouwkundige herensociëteit, maar elders. Zoals bij zovele nieuwe en revolutionaire ontwikkelingen in het maatschappelijke, politieke en bestuurlijke leven lag de oorsprong in de Franse tijd, in die korte regeerperiode van Lodewijk Napoleon. Hij wilde de grandeur van zijn koningschap in zijn omgeving uitdrukken, maar de Hollandse bouwkunst was hem te miserabel. Hij liet een hofarchitect uit Frankrijk komen onder wie drie Nederlandse architecten kwamen te werken, die verder hadden kunnen kijken dan hun collega-ambachtsbazen. Ze hadden het vak in Parijs en Rome geleerd.

Willem I zette die politiek van persoonlijke betrokkenheid voort, al evenzeer uit behoefte aan een eigen hofcultuur voor het ontwerpen van paleizen, overheidsgebouwen, triomfbogen en monumenten in zijn verenigd koninkrijk. Maar veel triomfantelijks viel er na de snel volgende afscheiding van België niet te bouwen. De economie stortte in, de kentering kwam pas jaren later, en daarmee de bouwopdrachten, na de vrede met België.

De door Lodewijk Napoleon in gang gezette vorming van de beroepsgroep kwam niet alleen van boven, maar ook uit de professie zelf. De bevlogen verlichter Johannes van Straaten, vrijwel de enige publicist op het gebied van bouwkunst in zijn tijd, richtte de Maatschappij tot Aanmoediging der Bouwkunst op om een betere grondslag te leggen onder het metier. Later stond hij aan de wieg van haar opvolgster, de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst.

Lodewijk Napoleon had, naar Parijs voorbeeld, een academie voor bouwkunst willen oprichten. Ook daar ging Willem I mee door, hoewel die gedroomde beroepsopleiding heel lang een zorgenkind zou blijven. Aankomende architecten hielden een voorkeur voor een leerschool in de praktijk, zoals het altijd was gegaan, met hooguit in de avonduren nog een cursus aan een tekenschool in de slappe wintermaanden.

De overheidsopdrachten hield het nieuwe koninkrijk in eigen hand. Naast de hofarchitecten werkten daar voornamelijk de ingenieurs van Rijkswaterstaat aan. Naast stormvloedkeringen, molens, spuisluizen en stoomgemalen tekenden ze even gemakkelijk overheidsgebouwen als de Paleizen van Justitie in Assen (hoofdingenieur A. Kommers) en Leeuwarden (opzichter Th. Romein). Zelfs een aantal kerken kwam van de tekentafel van Rijkswaterstaat, die degelijkheid voorschreef en van artisticiteit niets moest hebben.

Tegen deze achtergrond schetst de studie van Krabbe de idealen en de invloed van de Maatschappij ter Bevordering van de Bouwkunst, die we als de grootmoeder van onze BNA mogen zien. Hij vertelt het verhaal van de emancipatie van een beroepsgroep, van de verandering van een ambacht in een beeldbepalend ontwerpen, gemodelleerd in die eerste dagen naar een paar spraakmakende buitenlandse voorbeelden, de Architekten-Verein in Berlijn en het Royal Institute of British Architecture in Londen.

Krabbe beschrijft de groei van de Maatschappij tussen 1842 tot 1880 in portretten van verlichte voorzitters en bestuursleden. Hij schetst hun initiatieven, de debatten, alsmede prijsvragen en publicaties in het sociëteitsblad Bouwkundige bijdragen.

Hun Maatschappij verschafte de architecten een theoretische basis, leerde ze over de grens te kijken en zich in te zetten voor een betere opleiding. Uit dit verlichte bewustzijn kwam ook nog de oprichting van de ambachtsschool voort. De Maatschappij moest niets hebben van het polytechnische Delft. Het was haar niet genoeg dat een bouwwerk doelmatig was, het moest 'een gepasten graad van schoonheid en veredeling van vorm bezitten'. 'Het is', luidde de boodschap, 'de verheven roeping van den kunstenaar, dit eindig aardsche schoone te zuiveren en als het ware van het toevallig onvolkomene, minder schoone af te scheiden, en zoo gelouterd aan het algemeen terug te geven.'

Het grote voorbeeld van een nieuw, oorspronkelijk architectuurideaal was eerst het classicisme van de Duitse architect K.F. Schinkel, met zijn Altes Museum en de Neue Wache in Berlijn. Het werd in Nederland, in een veel ingetogener vorm, gevolgd in het stadhuis van Gorkum (A.W. van Dam) en het vroegere gebouw van de Nederlandsche Bank op de Turfmark in Amsterdam, tegenwoordig het Allard Piersonmuseum (W.A. Froger). Later volgden een ook uit Duitsland overgewaaide rondbogenstijl, hier bijvoorbeeld present in de huidige poptempel Paradiso in Amsterdam (G.B. Salm) en een uit Engeland afkomstige, eigentijdse gotiek, waar P.J.H. Cuypers zo'n beetje het patent op nam. Alle bouwstijlen die toen, in Europa, en vogue waren, kwamen bij de Maatschappij in soms furieuze debatten ter tafel.

Aan het eind van die periode, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, ontstonden steeds meer architectenbureaus. Er kwamen, met het begin van de industriële revolutie, meer opdrachten, nieuwe technieken en nieuwe materialen, die ook weer nieuwe ideële problemen met zich meebrachten. Het metier was veranderd, is het verhaal van Krabbe, de architect was geen ambachtsbaas meer die oude voorbeelden overtrok. Hij had geleerd zelfstandig te ontwerpen en het ambacht over te laten aan een nieuwe beroepsgroep, die van de aannemer.

Het stichtende werk van de Maatschappij was gedaan. Maar de waarschuwingen, die er van haar uitgingen, zijn van alle tijden. Hoor deze, uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, tegen het gebruik van nieuwe prefab-producten als kant en klare kapitelen: 'Wat voor sommigen verleidelijk moge zijn, maar voor den bloei der kunst niets anders is dan een langzaam werkend vergif, een doofpot voor originaliteit, een voedster van twee ziekelijke denkbeelden: goedkoop en gauw klaar'.

Willem Ellenbroek

Coert Peter Krabbe: Ambacht Kunst Wetenschap - Bevordering van de bouwkunst in Nederland (1775-1880).

Waanders; 294 pagina's; * 85,-.

ISBN 90 400 9199 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden