Verdwijnen tussen de naaldbomen Duitsland Zwarte Woud

De boerderijen zijn er als reusachtige koekoeksklokken tegen de heuvels geplakt. Nell Westerlaken struint door het hoogste deel van het Zwarte Woud....

Het is al laat op de avond als het Zwarte Woud zich van een mysterieuze kant laat zien. Een maanloze nacht. Tussen de fijnsparren stijgt een nevel op die het zicht beperkt tot een meter of tien. Het bos heeft alle geluiden geabsorbeerd op het druppelen van de natte bomen na. Opeens beweegt een schim over het bospad, een kleine trilling in het zwartgrijs van de nacht. Vaag tekenen zich de contouren af van een* Eén tel, en het beeld is verdwenen.

Maar er volgt nog een schaduw, dichterbij. Een groot hert springt het pad op, houdt een moment stil, richt het hoofd op en: weg – het ondoordringbare duister in.

Waren ze echt? De sparren druppelen roerloos verder. Er heeft geen takje gekraakt.

Een paar seconden en alle toeristische beslommeringen van een hele dag zijn vergeten. Het was overdag moeilijk voor te stellen dat het Hochschwarzwald, het hoogste deel van Duitslands grootste bosgebied, niet is aangelegd voor toeristen. Elk dorp verwelkomt zijn bezoekers met een reeks wegwijzers van Pensions, Ferienhäuser, zu vermieten Zimmer en Gaststuben die allemaal Adler heten, of Schwarzwaldhof.

Het pittoreske spat van de houten boerderijen die als reusachtige koekoeksklokken tegen de hellingen zijn geplakt, de ramen zijn zo consequent voorzien van bloembakken dat geraniums hier wel bij wet verplicht zullen zijn.

En overal waar je honderd meter gaat wandelen, fietsen, nordic walken of mountainbiken wordt je de weg gewezen. Route zus, route zo, Wanderwege, Radwege, de dichtstbijzijnde horeca, de hoogte, waarschuwing hier (gladde stenen bij regen), waarschuwing daar (smal pad naast een kloof) en voor wie het beter denkt te weten: een alarmnummer.

Nee, het was echt al anderhalve eeuw geleden dat Mark Twain – toch nooit te beroerd voor een cynische opmerking – beweerde dat hij in het Zwarte Woud uit het alledaagse leven werd getild, zodat ‘men van de dagelijkse zaken volkomen is bevrijd’. Hier was de natuur ondergeschikt aan het toerisme.

Althans, zo had het geleken, die eerste dag. Toen hadden we de herten nog niet gezien, nog geen tien meter voor ons, op dat uur dat het Zwarte Woud op z’n zwartst was. En pas later zullen we stukken van de Schluchtensteig wandelen waar we twee uur lang geen mens tegenkomen.

‘Het Zwarte Woud is groot genoeg om al die toeristen aan te kunnen’, zegt Alfred Ladisch. Na zijn pensionering is hij als vrijwilliger gaan werken voor de Schwarzwaldverein, een organisatie die zowel het 2500 kilometer lange netwerk van paden onderhoudt als toeziet op natuurbescherming.

De vereniging is 140 jaar oud, opgericht in de tijd dat het Zwarte Woud werd ontdekt als kuurgebied met volop frisse lucht en mineraal bronwater dat allerlei kwalen zou genezen. Kuurgasten waren zo’n beetje de eerste toeristen.

Ladisch weet alles van het Hochschwarzwald. Vanaf een heuvel boven de Schluchsee wijst hij op de dalen en de rondingen in de heuvels. Ontstaan tijdens de laatste ijstijd. Ze gaan schuil achter de grijze waas van een stortbui. Het meer ligt er als een wit-blinkende vlakte middenin.

We wandelen en klimmen tussen eiken en dennen, en langs donkere sparrenbossen.

Silva Negra, noemden de Romeinen het gebied, maar niet vanwege die naaldbomen. ‘In de Romeinse tijd stonden er voornamelijk loofbomen. De naaldbossen zijn pas later gekomen. Op onze naaldbomen hebben jullie je steden gebouwd. Ze werden Hollandtannen genoemd.’

Het moet een machtig gezicht zijn geweest in de 17de en 18de eeuw: vloten van naaldbomen zakten de Rijn af. Tot Mannheim dreven ze los, daar werden ze samengebonden om de weg van de rivier te vervolgen richting Rotterdam. ‘600 meter lang, 40 meter breed en 4 meter hoog’, volgens Ladisch, een kolossaal drijvend konvooi van boomstammen.

Ladisch plukt een paar paddestoelen, dat mag hier, en neemt ze mee voor het avondeten. Geen paddestoel, geen plant, geen boompje of hij is ermee bekend. Daar, ogentroost, een handvol koken op een halve liter water, laten afkoelen, je ogen deppen met het vocht en de branderigheid trekt weg.

En kijk, een indringer. Hij wijst op een struikachtige plant naast een kabbelend stroompje. Een Japanse versie van de duizendknoop, volgens Ladisch. ‘We vermoeden dat hij ooit is meegebracht door een achteloze toerist die het wel een mooi bloemetje vond. En moet je nu zien: het woekert overal en verdringt de oorspronkelijke vegetatie. Hij schudt het hoofd: ‘Soms vragen we schoolklassen en vrijwilligers om die plant te verwijderen.’

Het lijkt onbegonnen werk.

Je vraagt je af: wat is de schade aan de bossen veroorzaakt door verontreiniging, het Waldsterben – een woord waarin veel méér ligt besloten dan milieuschade? Duitsland heeft met zijn bossen wat Nederland heeft met het water: een oeroude, haast mythische verbondenheid. De Germaanse goden huisden in die bossen, en in de noordelijke wouden kregen de Romeinen in de 9de eeuw de genadeslag van de Germanen.

Het bos wordt bezongen in liederen en beschreven in de literatuur. Goethe, Schiller, Brecht; ze schreven erover. De laatste dichtte hoe het woud hem toesprak: Es schreien die Wälder vor Kummer/Von Frost und Oststurm zerstört -/Wir aber haben dort unten/Die flüsternden Worte gehört.

Milieuschade is hier niet te zien. ‘Hier in het Hochschwarzwald heb je gemengd bos. Dat kan meer hebben. Maar in het noordelijke Zwarte Woud gaat het langzaam verder, ondanks alle milieumaatregelen.’ Hij kijkt zorgelijk: agressieve Japanse indringers kun je met een club vrijwilligers nog proberen aan te pakken, maar milieuverontreiniging, dat is een ander verhaal.

Het bos heeft meerdere gezichten in het zuidelijke Zwarte Woud. Bij de Schluchsee biedt het doorkijkjes naar glooiende valleien met groene weiden. Meer naar het oosten, bij de Feldberg, tref je rotsige bergen met toppen van boven de 1000 meter. Kloven van tientallen meters diep kronkelen door het land bij Todtmoos en langs de Wutach, een beek bij Löffingen.

Voor alle buitensporten is een plek in het wisselende landschap. Elk seizoen zijn eigen publiek: families in de zomer, pensionado’s, wielrenners en motorrijders in de herfst en de vroege lente, en de winter voor de sneeuwsporters.

Over de winters hebben ze vooralsnog geen klagen. ‘We hebben nog alle jaren kunnen skiën’, zegt Georg Thoma uit Hinterzarten, ‘de ene winter wat vaker dan de andere, maar dat was vroeger niet anders, het sneeuwseizoen is hooguit wat korter geworden.’

Thoma (71) spreekt over ‘we’ zonder overdrijving: hij skiet nog altijd, hoewel hij zijn passies vanwege zijn leeftijd heeft moeten opgeven: in 1960 werd Thoma olympisch kampioen op de Noordse combinatie (langlaufen en schieten) en hij was een verdienstelijk schansspringer.

In zijn geboorteplaats Hinterzarten heeft het skimuseum een Stube voor hem ingericht, waar hij graag vertelt, een kleine, energieke man met helderblauwe ogen. Hij kent het woud niet anders als met toeristen, zegt hij; in de tijd van zijn grootmoeder hadden veel bewoners al buitenlanders in de kost om een paar centen te verdienen.

‘In de jaren zestig en zeventig begon de grote groei. Italianen, Nederlanders, Zwitsers, Amerikanen, wat heb ik al geen skiles gegeven.’ De winterdrukte duurt meestal maar een paar weken, zegt Thoma, en wat zou het. ‘Vergeet niet dat 60 procent van de bevolking leeft van het toerisme.’

Maar zoals gezegd: wie ervoor kiest te verdwijnen tussen de bomen, laat de andere toeristen al snel achter zich. We lopen stukjes van de Schluchtensteig, een wandelroute van zes pittige dagtochten. We passeren hoogvlaktes en heidevelden, wandelen door dichte naaldbossen waar de zon niet komen kan, en als we een eenzame boerderij passeren, snuiven we de geur op van houtskool.

Langs de ruisende Wutach, een bergbeek, duikelt het wandelpad een diepe kloof in, waarna het wordt het opgetild tot meters boven het stroompje. Mossen bekleden de omgevallen boomstammen. Uit de spleten van de loodrechte rotsmuren piepen fijne muurvarentjes naast het dichte gebladerte van hoefblad.

De herfstzon zet het van kleur verschietende groen aan en verlicht de muur van boom en rots boven ons. Het is te begrijpen dat de componist Carl Maria von Weber in een soortgelijke kloof hier niet ver vandaan inspiratie vond voor een romantische scène in een van zijn opera's.

En hé, klinkt daar niet het gehamer van een specht?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden