Verder met andermans kennis

Klachten over de inzakkende kennisproductie in Nederland zwellen aan. Maar de grootste klagers hebben boter op het hoofd, wijzen de kille cijfers uit....

Nederland heeft behoefte aan toponderzoek, aldus een kamerlid in een opiniestuk in Het Financieele Dagblad. 'En als je bij de top wilt horen - en dat wil dit kabinet - moet je daar geld voor uittrekken. (...) Als overheid en bedrijfsleven samen het gemiddelde van technologie-uitgaven in de OESO-landen willen halen is er 2,5 miljard gulden nodig. Om bij de koplopers te behoren 5 miljard.'

Het artikel verscheen in 1995, het kamerlid in kwestie was Maria van der Hoeven, de huidige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het geld kwam er niet. En bij het vorige regeeraccoord repte haar eigen partij, het CDA, met geen woord over meer geld voor onderzoek. Zelfs het door universiteiten en kennisinstellingen als minimaal beschouwde bedrag van 100 miljoen euro extra kon er niet vanaf.

Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Vorige week vrijdag probeerden universiteiten en kennisinstellingen, aangevuld met werknemersorganisatie VNO-NCW, het opnieuw. Ze brachten een manifest naar buiten waarin zij opnieuw de noodklok luidden. Ook de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT), een overheidsdenktank op dit gebied, bezorgde een brief bij de informateurs. AWT-voorzitter Sistermans: 'Nederland speelt in de blessuretijd, en we staan met 1-0 achter.'

De pleidooien klinken dringend, zorgelijk. Er is actie nodig, een masterplan, het woord 'deltaplan' is al weer gevallen. Zonder kennisinfrastructuur, is de gedachte, loopt Nederland richting de afgrond.

De investering in de kennisinfrastructuur wordt op twee manieren gerechtvaardigd: het is goed voor de maatschappij in het algemeen, en goed voor de economie in het bijzonder. Los van wetenschap als doel op zich, moet kennis vooral ook nut hebben. 'De kennisinstellingen moeten duidelijk maken waarom ze bestaan', zegt Sistermans. 'Pas als je vertelt welke problemen je kunt oplossen, wordt wetenschap sexy.' Zeker als dat de problemen zijn die Sistermans noemt. Veiligheid, mobiliteit, integratie, gezondheidszorg en onderwijs, allemaal hoog op de politieke agenda. 'Daar heb je kennis voor nodig, en dus een kennisinfrastructuur.'

Daarnaast is een economisch nut ook sexy. Kennis is de brandstof die de Nederlandse economie draaiende moet houden, zo suggereren manifest en AWT-advies. Het gaat dan vooral om arbeidsproductiviteit. Om de economie te laten groeien, moet namelijk of het aantal werkenden omhoog, of de hoeveelheid werk die zij verzetten.

'De groei in de jaren negentig was vooral te danken aan toegenomen arbeidsparticipatie', zegt Sistermans. 'Nu die bron uitgeput is, moeten we het hebben van productiviteitsstijging. En daarvoor is kennis nodig.'

Dat het daaraan ontbreekt, wordt vaak afgeleid uit het bedrag dat in Nederland aan onderzoek en ontwikkeling, ofwel R & D, wordt besteed. Dat is nog geen 2 procent van het nationaal inkomen, tegen de 2,7 procent in de Verenigde Staten en de ruim 3 procent in slimme landen als Zweden en Finland.

'Dat getal zegt niet alles', zegt prof. dr. Johan Schot, hoogleraar techniekgeschiedenis aan de technische universiteiten in Twente en Eindhoven en programmaleider van de boeken-reeks Techniek in Nederland. 'Innovatie is meer dan R & D. Je moet je dus niet blindstaren op dat percentage. Een land hoeft niet zelf alles te ontdekken en te ontwikkelen, om de resultaten te gebruiken. Je kunt kennis ook absorberen. Die keuze ontbreekt in de discussie.'

Cijfers van het CPB in het rapport De pijlers onder de kenniseconomie (2002) laten zien dat die absorptie in Nederland relatief hoog is. De hoge innovatieve uitgaven, zoals voor de aankoop van software, en betalingen aan royalties en licenties, schetsen een ander beeld dan de lage R & D-bestedingen, zegt dr. Maarten Cornet van het Centraal Planbureau.

Aan de andere kant, zegt Schot, is een bepaalde bodem wel nodig. 'Onder die drempelwaarde wordt absorptie onmogelijk.' Je moet namelijk wel R & D blijven doen om te begrijpen wat anderen doen. 'Helemaal geen R & D lijkt me in de hedendaagse samenleving onzin.' Maar hoe hoog die drempel dan is, durven Schot en Cornet niet zeggen.

Wíe dat moet doen, is de volgende vraag. De helft van het totale Nederlands onderzoeksbudget komt voor rekening van de overheid, de andere helft voor het bedrijfsleven. Beide zitten op 1 procent van het bruto binnenlands product. Daarmee zit de overheid op hetzelfde peil als bijvoorbeeld de Verenigde Staten, en zelfs boven een Europese topper als Zweden. Maar het bedrijfsleven zou twee keer zo veel moeten besteden om in de buurt te komen van landen als de VS, Zweden en Finland.

De lage R & D-uitgaven in het bedrijfsleven zijn deels een gevolg van het soort bedrijven dat hier gevestigd is. 'Nederland is gespecialiseerd in sectoren die niet zo R & D-intensief zijn', zegt Cornet. Voedselverwerking, metaal, basischemie, en bovenal diensten. 'We zijn relatief medium-tech', beaamt prof. dr. Bart van Ark, hoogleraar in de Economie van Productiviteit en Technologiebeleid in Groningen.

Andere complicatie is dat ongeveer de helft van het onderzoek in het Nederlandse bedrijfsleven bij de grote vijf multinationals plaatsvindt, te weten Philips, Akzo Nobel, DSM, Unilever en Shell. Dat budget is, in absolute bedragen, al jaren ongeveer gelijk, wat betekent dat het relatieve aandeel daalt, van bijna 70 procent begin jaren tachtig, tot ongeveer 50 procent nu.

Daardoor komt de innovatie-opgave steeds meer bij middelgrote en kleinere bedrijven terecht. Voor een deel nemen die de rol al over, maar het is nog niet genoeg, zegt Van Ark.

Veel van die zogeheten MKB-bedrijven zitten echter in de dienstensector, waar formele R & D nauwelijks mogelijk is, met uitzondering van bijvoorbeeld softwarebedrijven. 'Maar dienstenbedrijven kunnen wel degelijk innoveren', zegt Van Ark. 'Alleen hebben ze dat instinct vaak nog niet. Door de voortdurende loonmatiging sinds de jaren tachtig was er ook geen aanleiding om te innoveren.' Als het personeel daarentegen duurder wordt, gaat een bedrijf vanzelf dingen bedenken om ze meer te laten produceren, wat dus leidt tot een hogere arbeidsproductiviteit, is de gedachte.

Daarmee is de schuld voor het gebrekkige innovatievermogen in Nederland eigenlijk bij het bedrijfsleven komen te liggen, stelt bijvoorbeeld Rienk van Splunder van het CNV in een recente uitgave van het blad Forum van werkgeversvereniging VNO-NCW. 'Het is makkelijk om te zeggen: kabinet, doe iets! Bedrijven moeten zich eerst eens afvragen wat ze zelf kunnen en moeten doen.' Dat zegt ook Bart van Ark: 'Er ligt zeker een grote verantwoordelijkheid bij de bedrijven. Innoveren vergt een bepaalde managementcultuur, die met name in dienstenbedrijven nog niet is doorgedrongen.'

Dat is vergelijkbaar met het verwijt van de econoom Michael Porter, die in een lezing voor het ministerie van Economische Zaken stelde dat in Nederland zo weinig met de universitaire kennis wordt gedaan. Het werd op het ministerie geïnterpreteerd als een verwijt aan de universiteiten, maar kan ook andersom worden gelezen: dat bedrijven zich niet genoeg op de hoogte houden van wat er in de universiteiten gebeurt.

Ook uit cijfers van het CPB blijkt namelijk dat bedrijven nog niet zoveel doen met kennis als mogelijk is. Zo verwijzen octrooien van Nederlandse bedrijven opvallend weinig naar Nederlands universitair onderzoek, terwijl buitenlandse bedrijven zich vaker op Nederlandse onderzoeksresultaten baseren. Ook in enquêtes geven bedrijven aan dat ze zelden gebruik maken van universitair onderzoek.

Daar ligt dan ook de oplossing, zegt Johan Schot. 'De beschikbaarheid van kennis moet transparant worden gemaakt.' Daartoe zijn clusters nodig van bedrijven en onderzoeksgroepen bij universiteiten, vinden de meeste partijen. Zo'n samenwerking bestaat al bij de vier Technologische Topinstituten, die onder Paars werden opgericht.

'Maar daarin moet de overheid wel stimulerend optreden', zegt Schot. 'Het klimaat is belangrijk. Wanneer de minister aan de ene kant zegt dat onderzoek belangrijk is, maar tegelijkertijd het exacte vakkenpakket op de middelbare school uitkleedt, dan is dat op zijn zachtst gezegd niet erg consistent. Dan is het niet gek als bedrijven op een gegeven moment naar het buitenland verhuizen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.