Verder kijken dan het schilderij aan een spijker

Liefst acht musea zijn wegens verbouwingen langdurig gesloten. Om de aandacht vast te houden, bedenken ze van alles: tatoeages op vrijwilligers, samenwerken met de Hema, een glossy tijdschrift....

Zondagmiddag 11 juli, het Museumplein in Amsterdam. Een kleine honderdduizend Oranjesupporters staan samengepakt om de WK-finale tussen Nederland en Spanje te bekijken. De wedstrijd is rechtstreeks te volgen op maar liefst vijf megaschermen die in de buurt van de vijver, de skatebaan en het Rijksmuseum staan opgesteld.

Wie tijdens een van de talrijke dode spelmomenten even zijn blik laat afdwalen, ziet in de verte de grote banier die tegen de gevel van het museum is opgehangen, met een foto van prinses Amalia die een knaloranje vuvuzela in haar handjes houdt.

Wat het verband tussen voetbal, koningshuis en museum ook precies moge zijn, het Rijksmuseum kreeg op 11 juli, in de slipstream van het WK-spektakel, de gehoopte aandacht. De methodiek is vergelijkbaar met de verboden, ultrakorte reclameboodschappen die heimelijk in een film zijn gemonteerd: het valt niet direct op, maar de beelden nestelen zich wel in je onderbewustzijn. En daar was het om te doen. Van verre toeterde Amalia het voetbalpubliek toe ‘Het Rijksmuseum is er nog!’

Musea die geheel of gedeeltelijk gesloten zijn, zoals het Rijksmuseum, hebben in beginsel een probleem. De kans dat ze uit het collectieve geheugen verdwijnen is reëel. Niet of nauwelijks een tentoonstellingsprogram, bezoekers die voor een dichte deur hebben gestaan en zweren voorlopig niet meer terug te komen; geen affiches door de stad, geen aandacht in de media – vroeg of laat dreigt een museum dan in de vergetelheid te raken.

Wel een stuk of acht Nederlandse musea hebben er momenteel mee te maken. Ze zijn (grotendeels) dicht wegens verbouwing, renovatie of uitbreiding. Binnenkort komen er nog enkele bij.

Dat de Nederlandse museumwereld platligt, is te sterk uitgedrukt, maar een flinke aderlating is het wel. Dat beseffen de musea zelf ook maar al te goed. Directies, conservatoren en vooral pr-afdelingen draaien overuren om het museum levend te houden, in de gedachten van het publiek.

De foto van Amalia was op zichzelf geen nieuwe vondst. Het Rijksmuseum hangt al sinds het begin van de renovatie gigantische afbeeldingen van schilderijen uit de eigen collectie tegen de voor- en achtergevel, ten teken dat een deel van het gebouw, de Philipsvleugel met meesterwerken, nog open is.

Andere musea, zoals het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Groninger Museum, zijn minder gelukkig omdat ze echt niemand meer kunnen ontvangen, en elders onderdak moeten vinden. Daar komt bij dat veel topstukken uit het bezit van musea die hun deuren noodgedwongen moeten sluiten, niet meer in Nederland zijn te zien, maar zijn uitgeleend aan tentoonstellingen in het buitenland. Misschien goed voor de internationale faam, maar vervelend voor de plaatselijke klandizie.

Maar belangrijker dan de verplaatsing van gangbare activiteiten (zoals een collectieopstelling) van de ene naar een andere locatie, is de vraag wat de dichte musea aan nieuwe mogelijkheden onderzoeken. Want biedt een sluiting een museum niet de kans andere paden te bewandelen, en initiatieven te ontwikkelen die voorheen ondenkbaar waren?

Musea weten heel goed hoe ze tentoonstellingen moeten maken, hoe ze iets aan de muur moeten hangen of op de vloer kunnen zetten. Maar nu die muren zijn afgebroken en de vloeren zijn gesloopt, ligt de weg open om na te denken over andere kunstvormen en presentatiemogelijkheden. Hoe inventief zijn de musea daarin?

Twee jaar geleden genereerde het Rijksmuseum massale belangstelling met de – klassieke – expositie van de diamanten schedel van Damien Hirst. Maar in datzelfde jaar ontwikkelde het museum ook, in samenwerking met de Hema, een reeks producten, waaronder rompertjes, paraplu’s, schrijfwaren, theedoeken en make-uptasjes, gebaseerd op de schilderijen uit de collectie. Met als oogmerk om ‘op andere plaatsen ontmoetingen met het publiek te creëren’.

De zoektocht ‘naar nieuwe manieren om de collectie over het voetlicht te brengen’ leidde vooral tot de lancering, in 2007, van het tijdschrift over kunst en geschiedenis Oog. In de drie jaar dat het bestaat is het uitgegroeid tot een glossy, waarin met name BN’ers van allerlei pluimage hun verhaal doen over kunst die op enigerlei wijze met het Rijksmuseum gerelateerd is. Het magazine ligt op de schappen van boekhandel en supermarkt tussen de lifestylebladen.

Ook andere musea zochten naar nieuwe wegen. Zo organiseert het Scheepvaartmuseum, dat waarschijnlijk in 2011 weer opengaat, voorstellingen van het zogeheten ‘ScheepsTheater’ in het VOC-schip Amsterdam. Het Dordrechts Museum vond vier vrijwilligers bereid een afbeelding uit de collectie op hun lijf te laten tatoeëren waardoor, op een zonnige dag op het strand als iedereen uit de kleren gaat, de kunstwerken plots een andere kring van bewonderaars zullen krijgen.

Met name de aanpak van het Stedelijk is verrassend. Het museum probeert, sinds de sluiting van het Post CS-gebouw (in 2008) en voor de geplande opening van het vernieuwde onderkomen aan het Museumplein (eind 2011), de hearts and minds van de Amsterdammers te bereiken. Het lijkt alsof het zich niet langer richt op de internationale elite van kunstliefhebbers (die toch niet naar een gesloten museum komt), maar meer op de plaatselijke bevolking.

Onder de titel ‘Stedelijk in de stad’, liet het museum maandenlang een omgebouwde bouwkeet door Amsterdam trekken, waarin discussieavonden en workshops werden georganiseerd. In de buurt Geuzenveld-Slotermeer werden, op initiatief van de Sloveense kunstenares Marjetica Potrc en de ontwerpers van Wilde Westen, groentetuinen aangelegd. Het idealistische project De kok, de kweker, zijn vrouw en hun buurman, moest de buurtbewoners dichter bij elkaar brengen, als een hechte gemeenschap waarin het gezamenlijk telen, oogsten, koken en eten de gewoonste zaak van de wereld is.

Als technische component van het Amsterdamse community-gevoel ontwikkelt het Stedelijk nu een manier om met een smartphone beelden te downloaden. Vorig jaar experimenteerde het museum al met een virtuele tentoonstelling die alleen op een mobieltje was te zien. De bedoeling is dat wie straks bijvoorbeeld op de Weteringschans fietst een berichtje krijgt, en op het beeldscherm de Harrenstein slaapkamer van Rietveld, uit de verzameling van het Stedelijk, kan bekijken omdat deze oorspronkelijk daar vandaan komt.

Meerdere musea zijn, nu ze zich in een periode van windstilte bevinden, bezig hun technologische achterstand met ‘Blitz-acties’ in te halen, zoals Charles de Mooij, directeur van het Noordbrabants Museum, het omschreef. Collecties worden in no time gedigitaliseerd; en musea presenteren zich met graagte via sociale media als Hyves, Facebook, Twitter en LinkedIn.

Tatoeages, een rondrijdende bouwkeet, gezamenlijke groentetuin, glossy tijdschrift, Hema-producten, theatervoorstellingen, virtuele exposities, banieren door de stad, natuurlijk kan je al dit soort malligheid afserveren als opportunistische pogingen om de aandacht te trekken, uit angst te worden vergeten – wat in de meeste gevallen ook zo is. Een beeltenis van Amalia tegen het Rijksmuseum, een tatoeagesessie op zondagmiddag: knap verzonnen, goed getimed, maar meer niet.

Tegelijkertijd kun je al die initiatieven ook serieus nemen, ernaar kijken als projecten waarin potentie zit voor de toekomst. Om op door te gaan, omdat ze mogelijkheden bieden aan musea om een ander podium te vinden. En af te rekenen met het beeld dat ze hoofdzakelijk spijkers in de muur rammen om er een schilderij aan op te hangen.

Terecht stelde Peter Schoon, directeur van het Dordrechts Museum, al in 2007, aan de vooravond van de ingrijpende verbouwing, zichzelf de vraag: ‘Hoe zal een bezoek aan het museum van de toekomst eruit gaan zien? Is het museum een soort pretpark geworden, of juist een tempel voor kunst en kennis? Zijn er nog authentieke objecten, of kijken we straks naar replica’s en educatieve installaties? Heeft het museum virtuele gidsen, wordt het museumbezoek wellicht vervangen door een internetsessie, of... verandert er eigenlijk niets?’

Antwoorden op deze vragen zijn nog niet te geven, maar Schoon heeft gelijk. De nieuwe initiatieven zouden een blijvende aanvulling op de reguliere activiteiten van het museum kunnen zijn. Het zou jammer zijn als de banieren die nu in de Dordrechtse binnenstad te zien zijn, worden opgerold zodra de deuren van het verbouwde musea weer open gaan. Als de bouwkeet van het Stedelijk in de garage wordt gezet en het tijdschrift Oog uit de schappen wordt gehaald.

Die veelheid van alternatieve presentatievormen zou juist moeten blijven bestaan. Oog is zo belangrijk omdat het de historische kunstwerken van het Rijksmuseum buiten de muren van het gebouw haalt en, tussen de artikelen over moderne lifestyle, een meer eigentijdse betekenis geeft.

Kunst door de stad, in een moestuin, op een mobieltje, in een tijdschrift of getatoeëerd op de rug geven de musea de gelegenheid hun bekendheid uit te breiden, andersoortige kunst te initiëren en uit te dragen.

Biedt de verbintenis met de Hema het Rijksmuseum niet de mogelijkheid samen te werken met nog meer fabrikanten, in de ontwikkeling van producten die de zichtbaarheid van de collectie groter maakt? Waarom zou het Stedelijk het organiseren van discussies en workshops niet verder uitbreiden, niet alleen in Amsterdam, maar ook in andere steden in Nederland of daarbuiten?

En is het geen optie om, zoals het Scheepvaartmuseum nu, een nauwere band aan te gaan met de theaterwereld, om gezamenlijk toneelstukken te regisseren waarin het historisch erfgoed nadrukkelijk, en op een andere manier dan in het museum, naar voren komt?

De ontwikkeling van deze nieuwe platforms zou aan het kunstaanbod een enorme impuls kunnen geven. Als een verbreding van het bestaande, traditionele presentatiemodel; met nieuwe plaatsen en andere vormen die de kunst aan een breder publiek zichtbaar zal maken.

Gesloten musea (onvolledige lijst):
Rijksmuseum (gesloten 2003 tot 2013, op de Philipsvleugel na).

Stedelijk Museum (2004-2011). Verhuisde voor vier jaar naar het Post CS-gebouw, en organiseerde, toen ook dat dicht moest, exposities in o.a. het Van Gogh Museum, Huize Frankendael en de Nieuwe Kerk.

Scheepvaartmuseum (2007-2011).

Dordrechts Museum (2007-2010). Heeft drie kleine zaaltjes in een gebouw gevonden aan de Nieuwe Haven, verderop in de stad.

Groninger Museum (april-december 2010). Laat nu haar collectie in het voormalige museumgebouw aan de Praediniussingel zien.

Drents Museum (augustus 2010-najaar 2011).

Mauritshuis (2012-2014). Is van plan de collectie te tonen in het Haags Historisch Museum.

Noordbrabants Museum (zomer 2011-2012). Verhuist de verzameling naar enkele Brabantse zustersteden, zoals Breda, Boxtel, Bergen op Zoom en Sint-Michielsgestel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden