Verblind door het nieuwe licht

'Schilderde Degas lamplicht beter dan Van Gogh?' is de vraag die het Van Goghmuseum zijn nieuwe expositie 'Licht!' meegaf. Maar veel fascinerender dan die kwestie is dat wat er te zien is: de prachtig vormgegeven, en nu zeer gewilde, apparaten waarmee onze voorouders het leven aangenaam wisten te maken; de...

HET moet een adembenemende ervaring zijn geweest. Een Duitse gids op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1867 werd lyrisch bij het uitzicht vanaf Montmartre: 'Precies midden in het hart van de stad verschijnt een gouden stip, hier weer een andere, daar een derde, een vierde - het is nauwelijks te beschijven hoe snel ze elkaar opvolgen en ze zijn niet meer te tellen. Heel Parijs is bezaaid met gouden stippen, even dichtbezaaid als op een gouden glitterjurk. Al gauw blinken, flonkeren en schitteren ze overal, iets mooiers is niet voorstelbaar, maar het mooiste moet nog komen. Uit de stippen ontstaan lijnen, en uit de lijnen weer figuren, die ene vonk vormt een lijn met de andere en zover het oog reikt ontstaan eindeloze avenues van licht.'

Wat hij in al zijn verbazing probeerde te bevatten was zoiets eenvoudigs als het licht van een rij straatlantaarns.

Wij zien het niet meer, we ervaren het niet eens. Wij zijn alleen verbaasd en verontrust als iets het niet doet.

Elektrisch licht was nog nieuw en onbekend in die dagen. Er werden gebruikershandboeken voor geschreven, die de instructieve taal van kookboeken hanteerden, zoals het ABC of Electricity uit 1885:

'Misschien hebben sommigen van u alleen de grote verblindende lichten gezien die op straat gebruikt worden en weet u niet dat er nog een ander soort elektrisch licht is dat in een bol zit met ongeveer de afmetingen van een grote peer en dat evenveel licht geeft als een goede gasbrander. De grote verblindende lichten die u op straat ziet, worden ''booglampen'' genoemd, en de kleine, peervormige lampen, die een zacht, constant licht verspreiden, heten ''gloeilampen''.'

En: 'Maar op een dag, om uiteenlopende en onduidelijke redenen, wordt de gloeidraad van koolstof op een bepaalde plek zwak, hij breekt en het licht dooft. Wanneer dat gebeurt wordt de lamp losgeschroefd en een nieuwe aangebracht, en het licht schijnt weer als daarvoor.'

Toen was het een wonder. Je draaide aan een schakelaar bij de deur en, floep, ergens aan de muur of het plafond ging een lamp branden.

Wij weten niet beter. We weten zonder markeren in het donker het knopje van het licht te vinden. We kunnen elk moment de nacht keren en hebben de angst voor het duister buiten gesloten. Binnen dient het licht alle gemak. We hebben leeslicht en sfeerlicht, licht om bij te werken en te koken, we hebben wandlampen en bureaulampen, staande lampen en hanglampen, plafonnières en schemerlampen. Geen hoekje in huis is onverlicht.

We zijn vergeten dat toen, in die andere eeuw, de enige lichtbron in huis de haard was, en soms nog een flakkerende kaars in een blaker of een walmende olielamp waarvan eerst de pit moest worden gesnoten, het glas gepoetst en het reservoir gevuld voor hij kon worden aangestoken. We kijken, op een oud schilderij, met vertedering naar de gloed van het licht van een snorkende olielamp dat op het tafereel valt, zoals het knoestige boerengezin in De aardappeleters van Van Gogh of het huiveringwekkend Strindbergiaanse paar in Interieur van Degas. Maar hebben we nog enig besef van dat warme licht, kunnen we er ons een voorstelling van maken? 'Schilderde Degas lamplicht beter dan Van Gogh?'

Het is de centrale vraag in Licht!, de wintertentoonstelling van het Van Goghmuseum. Het geeft er direct ook antwoord op: 'Hoe kun je daarover oordelen als je nog nooit een negentiende eeuwse olielamp hebt zien branden?' Wat Licht! wil, in deze duister wordende dagen, is ons dat weer te laten ervaren.

Licht!, met uitroepteken, en met ruim driehonderd voorwerpen de grootste expositie die ooit in het Van Goghmuseum is gehouden, behandelt de uitvinding en de verspreiding van het kunstlicht in de negentiende eeuw - de eeuw van de grote veranderingen, die de stoommachine, de telegraaf en telefoon, het morsestelsel, gasdistributie, het waterleidingnet en de electriciteitscentrale voortbracht - en de invloed daarvan op de schilderkunst.

Het museum doet dat met voorbeelden uit de schilderkunst zelf en met honderden voorwerpen van toen: met olielampen, gaslampen, koolspitslampen en gloeilampen, met de toverlantaarn, de caleidoscoop en de revolutionaire uitvinding van de oneindige lens van een vuurtoren, met telescopen en miscroscopen, uitgeknipte silhouetten en romantische transparanten, met kristallen kroonluchters, kostbare lichtarmaturen en de eenvoudige dievenlamp van de waakzame diender uit het duistere Londen van Sherlock Holmes. Het toont het als een schouwzaal van die negentiende eeuw, als een combinatie van een historisch-, kunst- en natuurkundig museum.

Hoe we nu licht zien en ermee leven, is de stelling, is niet hetzelfde als honderd jaar geleden. Onze ogen kijken anders, onze pupillen hebben zich verwijd voor een ander, sterker en anders gekleurd licht: 'Zelfs bij een volmaakte reconstructie blijken onze ogen zo gewend te zijn aan onze eigen heldere, moderne omgeving dat we nauwelijks onderscheid kunnen maken tussen kaarslicht en het gaslicht dat onze voorouders overrompelde en verblindde.'

'Toen we de achttiende eeuwse en negentiende eeuwse schilderijen in onze collecties de revue lieten passeren', aldus de samenstellers, 'werden we ons ervan bewust dat het licht in die schilderijen niet hetzelfde was als het onze. De kunstenaars die ze maakten, kenden, vertrouwden en zagen andere aspecten van licht dan wij nu doen. Het gevolg is dat we hun werk niet kunnen begrijpen zonder aspecten te exploreren die voor de kunstenaars van toen vanzelf spraken.' Ze besloten het licht van die eeuw voor ons te herscheppen. Want: 'Als de gewone lichtconsumenten al verblind waren door het nieuwe licht, dan moet het effect op gevoelige schilders overweldigend zijn geweest.'

Het is een romantische gedachte.

En zo stappen we door het licht van de negentiende eeuw, langs schilderijen die het natuurlijke licht van buiten tot onderwerp hebben; het spel van licht en schaduw door het gebladerte; het licht in het atelier, de academie en de tentoonstellingszaal; het licht thuis, in de huiskamer; het licht op straat en in het nachtleven; het licht in het theater en de tingeltangel; en passant zien we hoe dat nieuwe licht op wereldtentoonstelling werd gepresenteerd en de dageraad van een nieuwe tijd bestreek in het visioen van het socialisme. In Licht! wordt Van Goghs schilderij De stoel van Gauguin door vier typen licht belicht: daglicht, een flakkerende gasvlam, een gaslamp met kousje en een elektrische koolspitslamp.

De negentiende eeuw werd overrompeld door de ene uitvinding na de andere. De eerste revolutie was de inmiddels vergeten uitvinding van de moderne olielamp van Argand, uitvinder van de holle pit, die een sterk en gelijkmatig licht verschafte en in de hele wereld werd toegepast. Hij was er nog niet of het gaslicht deed zijn intrede, direct gevolgd door de gloeilamp van Edison. Men was nog niet aan de ene ervaring gewend of de andere diende zich al aan.

Naar dat licht en zijn invloed is nooit een omvattende studie gepleegd. Er is vruchteloos naar gezocht in de wetenschap en de literatuur, aldus de samenstellers. Ooit deed een Nederlandse universiteit onderzoek naar authentieke lucht en verzocht het publiek om oude stopflessen op te sturen, drijvers van visnetten, autobanden, voetballen, zwemvesten en wat al niet waar nog oude lucht in zou kunnen zitten, om de samenstelling ervan te onderzoek. Je begijpt dan ineens hoe zeldzaam oude lucht is en wat een toeval het zou zijn als er nog een bel in een oude fles op zolder zou worden gevonden.

Maar oud licht is nog elk moment te ervaren. Kaarsen genoeg; een olielamp, al of niet van Argand, haal je bij de Pittenkoning, en met een dimmer kom je een heel eind om dat oude zachte gloeilamplicht te treffen. Even verder maar dan die neonsteden waarin wij leven, heersen nog dezelfde omstandigheden als toen: op het platteland van Oost-Europa, maar ook in een oud huis in Frankrijk of Spanje moet je je vaak nog met olielamp en kaarslicht behelpen. Het enige licht van toen dat er niet meer is, is de absolute duisternis buiten, maar er zijn streken genoeg in de wereld waar je binnen wilt zijn als de duisternis valt. Licht dat je op schilderijen zoals de tentoonstelling stelt, niet meer kunt begrijpen - zoals dat van de negentiende eeuwse Londense hemel, waarin het licht gebroken werd door de stofdeeltjes van de smog - kun je elke avond in Delhi vinden, Calcutta of Mexico City. En het totale licht in onze huizen temperen we vaak genoeg tot zo'n enkele zachte lichtbron als bij Degas of Van Gogh, want net als onze voorouders houden we van schemeren.

Het is leuk, zo'n reconstructie, maar geen noodzaak.

Wat fascinerend is aan Licht!, is niet de vraag of Degas lamplicht beter schilderde dan Van Gogh, maar wat er te zien is: de prachtig vormgegeven, en nu zeer gewilde, apparaten waarmee onze voorouders het leven aangenaam wisten te maken; de evolutie van het kunstlicht, met alle gevolgen van dien; het licht dat de stad een nachtleven gaf, met nachtbrakers en nachtvlinders. En hoe, door het nieuwe licht, de kunstenaar gegrepen werd.

En zo zien we romantische thema's in de Avondmarkt in Antwerpen, een schemerig verlicht groentestalletje van Petrus van Schendel (1861); een dronkelap die glazig kijkt in kaarslicht van Anna Dorothea Therbusch (1767); het felle vuur van de smidse van Joseph Wright of Derby (1771) en het verschrikkelijk hellevuur van de hoogovens in Coalbrookdale van Philippe Jacques de Loutherbourg (1801); de grillige schaduwen die kaartspelers en muzikanten op de wanden werpen in Een tabaksfeest van Wilhelm Bendz (1827); de modellen die in lamplicht kijken wat de schilder van hen heeft gemaakt in Giovanni Segantini's Mijn modellen (1888); het spel van zonlicht dat door bladeren valt van Albert Bierstadt (1862), Signac (1893) en Van Gogh (1889) die naast elkaar hangen en in de fel, tegen het onflatteuze gaslicht, opgemaakte nachtvlinders in de Moulin Rouge van Henri de Toulouse-Lautrec (1894).

Het is interessant om je te verdieping in de verwarring, die die eeuw van uitvindingen opriep. 'Kunstlicht verdrijft de angst voor het donker die menig zwakkere ervan weerhoudt een vergrijp te plegen. Het licht verzekert de drinker ervan dat hij tot in de avond in de kroeg kan blijven en leidt tot zwakheid bij verliefde stellen', fulmineerde de Kölnische Zeitung in 1819 over de aanleg van een gasfabriek in Parijs. De Engelse schrijver Robert Louis Stevenson moest weer niets van elektrische straatverlichting hebben, en smeekte om gas: 'Een nieuw soort stedelijke ster, verschrikkelijk, onaards, en een belediging voor het menselijk oog, schijnt nu elke nacht, een lamp uit een nachtmerrie! Dergelijk licht zou alleen op moorden en gemeengevaarlijke misdaden mogen schijnen, of in de gangen van krankzinnigengestichten, een verschrikking die de verschrikking nog eens versterkt. Een blik erop is al voldoende om de liefde voor gas te doen ontvlammen.'

In de Parijse Salon, het podium van de beeldende kunsten, werd het nieuwe licht in 1878 geïntroduceerd, en vol afschuw afgewezen als schreeuwend en vulgair, maar het jaar erop informeerde Degas of het beschikbaar was voor de vierde impressionistische expositie. In een roman van Emile Zola, Het meesterwerk, ziet de hoofdpersoon, de schilder Claude Lantier, zijn schilderij op de Parijse Salon terug: 'Met grote ogen, aangetrokken en verankerd door een onstuitbare kracht, staarde hij naar zijn schilderij, verwonderde zich, herkende het nauwelijks in die zaal. Het was beslist niet hetzelfde werk als in zijn atelier. In het vale licht zag het doek er gelig uit, het leek ook wel gekrompen en oogde zowel grover als meer uitgewerkt.'

Het citaat is bedoeld om te wijzen op de discrepantie in die eeuw tussen het licht waarin werd geschilderd, bij voorkeur en tot op heden nog steeds daglicht, en het vervormende kunstlicht waarin het werd getoond. Maar ook dat is niet typisch iets van die eeuw. Nog steeds gaan mensen de straat op om hun gewenste aankoop in 'echt' licht te bekijken.

Of Van Gogh of Degas beter olielicht schilderde is een onzinnige vraag, even onzinnig als de stelling dat we hun licht niet kunnen begrijpen. Wat we zien is dat ze gefascineerd waren door een nieuw licht, het licht van hun eeuw, en zich op dat onderwerp richtten, met de verwondering en de opwinding van ontdekking van toen: op het nieuwe licht van een winterse boulevard in Parijs, waar een warm schijnsel dat uit etalages en lantaarnpalen valt de sneeuw betovert (Hippolyte Camille Delpy, 1979); op een mistige door maan en winkellicht beschenen kade in Liverpool (Atkinson Grimshaw, 1887); en op de herontdekking van het oudste licht ter wereld, vrij buiten, en plein air beleefd en geschilderd, dat op een dorpje in de Seinevallei valt (Alfred Sisley, 1881); een zaaiende boer in de avondschemering (Vincent van Gogh, 1881); een kruispunt op een dorpsweg (Camille Pissarro, 1872).

Die duizelende ervaring van verwonderende ontdekking tekent Van Goghs beroemde Sterrennacht over de Rhône (1881). Hij schilderde dat duizelingwekkende firmament en de weerspiegeling in de rivier van de straatlantaarns van Arles, toen net door gas verlicht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden