Verantwoord ondernemen vraagt ombudsman

Het SER-advies over maatschappelijk verantwoord ondernemen suggereert dat bedrijven bijna vanzelf hun verantwoordelijkheden zullen nemen. Leen van Dijke en Reinier Koppelaar menen dat een speciale ombudsman een belangrijke bijdrage kan leveren....

Leen van Dijke en Reinier Koppelaar

AL enige tijd is zowel in het bedrijfsleven als in de politiek de discussie over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) gaande. De Sociaal Economische Raad (SER) adviseerde eind vorig jaar over het thema. Onderzoek in opdracht van het ministerie van Economische Zaken toonde onlangs de relevantie van het thema opnieuw aan: 80 procent van de ondervraagde Nederlandse ondernemingen zegt, dat zaken doen zonder omkoping in het buitenland onmogelijk is.

Het SER-advies slaat een goede richting in, door MVO breed te definiëren: ieder bedrijf heeft sociale, ecologische en financiële verantwoordelijkheden (people, planet, profit). Knelpunt in de discussie is, of bedrijven hun verantwoordelijkheden zullen nemen zonder actieve opstelling van overheden en burgers. Dit is niet vanzelfsprekend het geval.

De belangrijkste verdienste van het SER-advies is, dat er nu een nationale bijdrage aan de discussie over MVO op tafel ligt. Geen bedrijf of instelling in Nederland kan hierna nog om de materie heen.

Het advies doet het voorkomen, alsof bedrijven bijna vanzelfsprekend hun maatschappelijke verantwoordelijkheden zullen nemen. Het mechanisme dat hen daartoe volgens de SER zal bewegen is dat van het verlichte eigenbelang: hun kostbare reputatie in de ogen van beleggers, consumenten, werknemers en omwonenden, aangeduid als de stakeholders. Bedrijven zullen zich inspannen om een goede relatie met hun stakeholders te onderhouden, enerzijds om investeerders en klanten aan zich te binden, anderzijds om hoge transactiekosten te vermijden (rechtszaken, publiekscampagnes).

De SER gaat er voor het gemak van uit, dat 'in de huidige fase van maatschappelijke ontwikkeling van ondernemingen wordt verwacht dat zij antwoord geven op gerechtvaardigde vragen vanuit de maatschappij, opening van zaken willen geven en bereid zijn met diverse belanghebbenden de dialoog aan te gaan'. Dat kan zo zijn volgens de SER, maar het is zeer de vraag of deze gedachte in de praktijk voldoende wordt ondersteund.

Allereerst heeft de bedoelde 'maatschappelijke ontwikkeling' zich in grote delen van de wereld in mindere mate voorgedaan dan in Nederland. MVO gaat voor een deel over het internationale opereren van bedrijven, en zeker in niet-westerse landen is een dialoog tussen belanghebbenden en bedrijven allesbehalve vanzelfsprekend.

Ten tweede veronderstellen de mechanismen dat stakeholders in alle omstandigheden voldoende geïnformeerd zijn om bedrijven onder druk te kunnen zetten. Of er in de praktijk sprake is van informatiesymmetrie tussen alle partijen, valt sterk te betwijfelen. Wettelijke regels inzake de informatieplicht van bedrijven zijn daarom noodzakelijk. Wij wachten af of het nog niet ingediende initiatiefwetsvoorstel van de PvdA en GroenLinks daaraan adequaat invulling geeft.

Ten derde: wil het mechanisme van onderling toezicht tussen bedrijf en stakeholders goed functioneren, dan is een bemiddelende instantie, een onafhankelijke Ombudsman voor Ondernemingen onontbeerlijk. Dit kan een overheidsinstantie zijn of een anderszins formeel bedrijfs onafhankelijk instituut, waar burgers terecht kunnen met klachten over het gedrag van ondernemingen in het binnen- en buitenland.

Deze ombudsman kan een belangrijke bijdrage leveren aan het noodzakelijke machtsevenwicht tussen het bedrijf en de maatschappij. Wettelijke inkadering van dit instituut moet enerzijds bedrijven behoeden voor het gedwongen prijsgeven van concurrentiegevoelige informatie en anderzijds de burger voorzien van een juridische stok achter de deur bij onwillige en niet mededeelzame bedrijven. Wanneer de politiek erkent dat met maatschappelijk verantwoord gedrag van ondernemingen een publiek belang in het geding is (en dat doen wij), dan moet zij daartoe deze voorwaarden scheppen.

Het reeds bestaande Nationaal Contactpunt voor bedrijven (NCP) lijkt in de huidige opzet ongeschikt: het is strikt gekoppeld aan de OESO-richtlijnen inzake ondernemersgedrag in het buitenland en heeft geen duidelijke status. De kans dat het NCP uitgroeit tot echte Ombudsorganisatie voor buiten- én binnenland lijkt nog niet groot.

Tot slot: een onderneming of overheidsorganisatie kan in een bedrijfscode of mission statement vastleggen wat het als zijn maatschappelijke taak beschouwt. Daarbij speelt echter de persoonlijke ethiek van de bedrijfsleiding een doorslaggevende rol. Diens leiderschap kan in de organisatie begrip en bezieling kweken voor de onderliggende ethische waarden. Personeel en management zullen moeten worden getraind om de maatschappelijke ambities van het bedrijf in de praktijk te kunnen realiseren. Ondernemers hebben daarmee in eigen hand hoe druk de ombudsman voor Ondernemingen het zal krijgen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden