Veiligheid gaat ten koste rechtsbescherming

Een meerderheid van de bevolking heeft er volgens een Volkskrant/NIPO-enquête geen bezwaar tegen DNA-materiaal af te staan voor misdaadbestrijding. Th....

SINDS 1994 kent ons Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid om celmateriaal te doen onderzoeken met het doel een zogenaamd DNA-profiel te verkrijgen dat voor ieder mens (afgezien van eeneiïge tweelingen) praktisch uniek is. Dat onderzoek kan plaatsvinden aan de hand van op de plaats van het delict aangetroffen biologische sporen, zoals bloed of sperma, wanneer er geen verdachte bekend is, op bevel van de officier van justitie. Er is dan geen beperking naar de ernst van het misdrijf.

Anders ligt het als er wel een bekende verdachte is. Wanneer de verdenking een ernstig misdrijf betreft waarop tenminste een strafmaximum van acht jaar staat (levensdelicten, verkrachting, maar ook bijvoorbeeld inbraak in een woning door twee daders) en de verdachte niet vrijwillig celmateriaal afstaat, kan de rechter-commissaris bevelen dat desnoods onder dwang bloed van de verdachte wordt afgenomen. Dat kan echter alleen wanneer sprake is van ernstige verdenking en conventionele opsporingsmethoden niet volstaan.

De verdachte moet door de rechter-commissaris worden gehoord; zijn raadsman kan daarbij aanwezig zijn. Hij kan tegen de beslissing van de rechter-commissaris in beroep gaan bij de rechtbank. Als door onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk met het aangetroffen of afgenomen celmateriaal een DNA-profiel is verkregen, wordt dit vergeleken met profielen die zijn opgeslagen in de databank van genoemd instituut. Een hit betekent een sterke bevestiging van de verdenking en mogelijkerwijs doorslaggevend bewijsmateriaal. De wettelijke regeling voorziet in een recht op contra-expertise, dat op de universiteit van Leiden wordt uitgevoerd.

Waarom is destijds voor deze vrij zware procedure gekozen? De wetgever realiseerde zich dat de gedwongen afname van lichaamsmateriaal een vergaande inbreuk vormde op fundamentele rechten, beschermd in de Grondwet en in mensenrechtenverdragen. In de eerste plaats wordt een verdachte gedwongen mee te werken aan bewijsvergaring tegen zichzelf, en in de tweede plaats gaat het om onderzoek in het lichaam, met celmateriaal dat lange tijd kan worden bewaard en dat meer informatie bevat dan het 'junk-DNA' dat gebruikt wordt voor het verkrijgen van het profiel.

De Hoge Raad heeft beslist dat zonder wettelijke basis geen strafrechtelijk onderzoek naar andere persoonskenmerken mag worden gedaan, en de huidige wet beperkt het onderzoek tot het profiel dat evenals de vingerafdruk slechts kan dienen tot identificatie.

Maar het feit dat het hier gaat om gevoelig, hoogstpersoonlijk materiaal noopte de wetgever tot het invoeren van een stelsel van waarborgen. Bedacht moet worden dat afname van lichaamsmateriaal onder dwang nergens anders in het strafproces voorkomt. De adem-analyse in de Wegenverkeerswet kan immers nog geweigerd worden, zij het dat die weigering strafbaar is. Het is daarom opmerkelijk dat de Tweede Kamer onlangs heeft ingestemd met een wetsvoorstel dat de mogelijkheden van DNA-onderzoek aanmerkelijk verruimt.

De acht-jaarsdrempel wordt verlaagd naar vier jaar (bijvoorbeeld eenvoudige diefstal), het criterium van de dringende noodzaak vervalt, de tussenkomst van de rechter-commissaris is niet langer noodzakelijk, de beroepsmogelijkheid verdwijnt. Het afnemen van wangslijmvlies komt als primaire methode in de plaats van de bloedafname.

Zo worden binnen een tijdsbestek van enkele jaren de mogelijkheden voor justitieel DNA-onderzoek fors verruimd, ten koste van de rechtsbescherming. In de laatste justitiebegroting is extra geld gereserveerd om door het NFI tienduizenden van deze onderzoeken per jaar te doen uitvoeren. Oogmerk is het in rap tempo vullen van de databank, naar het voorbeeld van Groot-Brittannië.

Hoe valt deze ontwikkeling te verklaren? Enerzijds door de technologische ontwikkeling, die perfectionering van de methode mogelijk maakt. Men heeft nu veel minder celmateriaal nodig om een bruikbaar resultaat te kunnen verkrijgen. Anderzijds is er duidelijk sprake van een verschuiving in het maatschappelijk draagvlak voor ingrijpende maatregelen die de opsporing en preventie beogen te bevorderen.

Van de overheid wordt verwacht dat zij de maatschappelijke veiligheid garandeert, en daarbij worden de aspecten van privacy en rechtsbescherming gerelativeerd. Bij dit klimaat passen de pleidooien die nu alom worden vernomen om nog veel verder te gaan dan de wet nu toelaat, bijvoorbeeld door de koppeling met het opsporingsdoel los te laten en een ieder die is veroordeeld voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf misschien niet te dwingen, maar wel te 'dringen' tot het meewerken aan een DNA-onderzoek, of zelfs om van iedere pasgeborene celmateriaal af te nemen teneinde een DNA-profiel in de databank te kunnen opnemen.

Voor andere toepassingen liggen voorstellen klaar of worden regelingen voorbereid, zoals die in het kader van proefverlof voor tbs-gestelden en het vaststellen van persoonskenmerken (zoals haarkleur en ras) van onbekende verdachten (ter aanvulling van het 'daderprofiel'). Het beeld van de glibberige helling dringt zich op, en het is duidelijk dat met de aankomende wetswijziging het laatste woord nog lang niet gezegd is.

De DNA-hype die wij nu meemaken - De Nieuwe Aanpak! - geeft aanleiding tot zorg. Dat nieuwe technische mogelijkheden worden ingezet voor de opsporing is legitiem, en dat daardoor bestaande wettelijke beperkingen en regelingen (denk bijvoorbeeld ook aan de verjaringstermijn voor moord!) ter discussie worden gesteld is zinvol. Maar maatvoering is dringend noodzakelijk.

Allereerst moet de betekenis voor bewijs en opsporing niet worden overschat. Het celmateriaal zal vaak niet gaaf zijn, of vermengd met andere biologische sporen. In die situaties is de contra-expertise van groot belang, en rijzen lastige interpretatievragen. Maar ook als een onbetwisbare match is verkregen is er nog lang geen volledig bewijs, omdat de vaststelling dat een verdachte op de plaats van het delict is geweest nog niet wil zeggen dat hij ook de moord, verkrachting of inbraak heeft gepleegd. In binnen- en buitenland zijn voorbeelden bekend van spectaculaire gerechtelijke dwalingen.

Nog belangrijker is echter de sociaal-ethische vraag, hoe ver men wil en mag gaan met het verzamelen van gevoelige persoonlijke informatie en het toepassen van dwangmiddelen of semi-verplichtende bevolkingsonderzoeken. Worden fundamentele rechten niet te zeer ingeperkt ter wille van een illusie van veiligheid?

Wat mij betreft zou bijvoorbeeld de koppeling aan de opsporingsnoodzaak en de beperking tot ernstige delicten niet moeten worden prijsgegeven. Een ander criterium zou gevonden kunnen worden in het gevaar dat betrokkene oplevert. En last but not least moet in het oog worden gehouden dat het onderzoek uitsluitend dient ter identificatie en wordt zorggedragen voor een strikte bewaking van het verzamelde celmateriaal, inclusief voorzieningen voor de verwijdering bij gebleken onschuld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden